Bentinck, Anna Cornelia barones (1902-1989)

 
English | Nederlands

BENTINCK, Anna Cornelia barones (geb. Olst 25-3-1902 – gest. De Steeg 23-7-1989), adellijke dame. Dochter van Anne Gerard Wolter baron Bentinck (1874-1937), advocaat, later burgemeester, en Jacoba Ursula Philipse (1879-1971). Anna Cornelia Bentinck trouwde op 8-4-1924 in Raalte met Cornelis Jacob Arnold den Tex (1889-1965), zonder beroep, later burgemeester. Uit dit huwelijk werden 3 dochters geboren.

Anneke Bentinck en haar twee jaar jongere zuster zijn geboren op het landhuis Klein Hoenlo bij Olst als dochters van een adellijke advocaat en een vermogende burgervrouw. In Ommen, waar hun vader in 1906 burgemeester werd, kregen ze in 1913 nog een broertje. In hetzelfde jaar begon Anneke een dagboek. Ze schreef dat ze met haar zusje Henriëtte en een paar vriendinnen thuis les kreeg van Zwitserse gouvernantes en aan tafel Frans moest spreken. In 1916 erfde haar vader het familielandgoed, de havezate Schoonheten bij Raalte. Met het hele personeel verhuisde het burgemeestersgezin daarheen. Op haar zeventiende ging Anneke voor een half jaar naar een kostschool in Lausanne. Daar werd ze op haar achttiende bevestigd in de hervormde kerk. Op haar 21ste stelde haar moeder haar officieel voor aan het Hof in Den Haag.

Dat Anneke Bentinck beschermd is opgevoed, is zacht uitgedrukt. Op een enkele logeerpartij bij een adellijke vriendin na is ze nauwelijks blootgesteld aan het wervelende winterse uitgaansleven in de Residentie. Haar latere man, de Amsterdamse regentenzoon Co den Tex, leerde ze kennen op de Overijsselse buitenplaats van de graven van Limburg Stirum. Tijdens een bal op kasteel Rechteren bekenden ze elkaar hun gevoelens. Den Tex had als jurist gewerkt bij een inmiddels failliete rederij en hoopte op een baan met meer zekerheid: een burgemeesterschap. Vader Bentinck wilde daar niet op wachten en stemde in met een huwelijk. Het paar trouwde in 1924 voor de kerk in Raalte en huurde een landhuis bij Olst. De huwelijksvoorwaarden bepaalden, ongebruikelijk voor die tijd, dat de bruid al haar roerende en onroerende goederen zelf mocht beheren. In 1925 werd haar man burgemeester van Diepenheim.

Voor en na de oorlog

Anneke den Tex-Bentinck kreeg in haar Diepenheimse tijd twee dochters: Terry (1926) en Catootje (1929). In 1931 werd haar man burgemeester van Bloemendaal, de rijkste gemeente in een land dat toen al twee jaar leed onder crisis en recessie. Haar dochter Uschi werd hier in 1933 geboren. Toen burgemeester Den Tex tijdens de Duitse bezetting weigerde om bordjes met ‘Verboden voor joden’ op het strand te laten plaatsen, werd hij ontslagen (met wachtgeld); hij verbleef van 1942 tot 1944 als gijzelaar in het elitekamp Sint-Michielsgestel.

In 1943 werd de burgemeesterswoning gevorderd en verhuisde Anneke den Tex-Bentinck naar Haarlem. Het leven op stand dat ze gewend was, verdween snel. ‘Onderaan de trap naar de tuin zit Wilhelmien aardappels te schillen. Wel zeer huiselijk’, noteerde ze in 1944 in haar dagboek, om aan te geven hoe dicht op elkaar zij in die dagen als ‘mevrouw’ leefde met haar personeel. Toen haar man kort voor de kerstdagen vrijkwam, stond ze bloed af om aan extra levensmiddelenbonnen te komen. Zo kon ze hem en haar dochters een kerstmaal voorzetten van gehakt en eierpannenkoeken. Ze bleef voorlopig onbestorven weduwe. Na de kerst vertrok haar man naar een onderduikadres. ‘Einde van het dienstbodentijdperk’, schreef ze in haar agenda toen haar laatste personeelslid in januari 1945 wegens zwangerschap opzei.

Na de bevrijding keerden Anneke den Tex-Bentinck en haar gezin terug naar Bloemendaal. Haar man bleef er tot zijn pensionering in 1954 burgemeester. Emotioneel was ze van hem vervreemd, maar ze verliet hem niet. De drie dochters studeerden en waren de deur uit. In 1954 verhuisde het echtpaar naar een villa in De Steeg bij Rhenen. Daar overleed haar man in 1965. Zelf stierf Anneke Bentinck op 23 juli 1989, in de leeftijd van 87 jaar. Ze werd in Dieren gecremeerd. 

Reputatie

Anneke Bentinck is voor adelshistorici van belang vanwege haar nagelaten egodocumenten. Deze zijn door haar jongste dochter bewerkt tot een ‘mooi en lezenswaardig boek’ dat zicht geeft op de ‘veranderingen in de leefomstandigheden en mentaliteit van de generatie adellijke vrouwen die opgroeide voor de Eerste Wereldoorlog en voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog de modernisering van de Nederlandse elite beleefde’ (Sleebe, 217). Volgens historisch antropoloog Yme Kuiper is het boek ‘een etnografie van de eigen subcultuur’, een brug tussen de anekdotiek van auteurs zoals Pauw van Wieldrecht en de sociologische literatuur (Kuiper, 168, 170). Historica Ileen Montijn noemt de verhalen van en over Anneke Bentinck tekenend voor het zelfbeeld van een adellijke familie in het midden van de twintigste eeuw, als ‘vreemdelingen in een onzekere, onrustige wereld’ (Montijn, 400).

Naslagwerken

  • Nederland’s Adelsboek 79 (1988) en 95 (2010).
  • Nederland’s Patriciaat 68 (1984).

Archivalia

  • Gelders Archief, Arnhem: familiearchief Bentinck.
  • Stadsarchief Amsterdam: familiearchief Den Tex [niet geïnventariseerd].
  • Kasteel Schoonheten, Raalte: familiearchief Bentinck.

Literatuur

  • Ursula den Tex, Anna baronesse Bentinck 1902-1989, een vrouw van stand (Amsterdam 2003).
  • Yme Kuiper, ‘Naar een antropologie van adellijke identiteitsvorming’, Virtus 10 (2003) 164-183.
  • Vincent Sleebe, ‘Adelsgeschiedenis of familiegeschiedenis?’, Virtus 16 (2009) 217-219.
  • Ileen Montijn, Hoog geboren, 250 jaar adellijk leven in Nederland (Amsterdam 2012).

Illustratie

Anna Bentinck, in 1944 geportretteerd voor haar gegijzelde man [in bestelling].

Auteur: Kees Kuiken

laatst gewijzigd: 23/08/2015