Beugel, Ina van der (1914-2003)

 
English | Nederlands

BEUGEL, Ina van der (geb. Amsterdam 30-12-1914 – gest. Epse 15-1-2003), journaliste, schrijfster. Dochter van Theodoor Max van der Beugel (1899-1953), bankier, en Sophie van Praag (1891-1964). Ina van der Beugel trouwde (1) op 8-4-1936 in Amsterdam met Isidore Wijnberg (1904-?); (2) na echtscheiding (21-6-1945) op 5-9-1946 in Amsterdam met Johan Brokmeier (1907-1967), directeur Zeeuwse Confectiefabrieken. Uit dit huwelijk (2) werd 1 dochter geboren.

Ina van der Beugel groeide op in Amsterdam-Zuid met een vier jaar jonger broertje Hans (E.H.), op wie zij zeer was gesteld. Haar vader was mede-vennoot van de bank Labouchere. De Van der Beugels leefden op royale voet, met huispersoneel, een auto met chauffeur en een tweede huis op Zandvoort. Hun joodse afkomst speelde geen grote rol, al kwam de familie bijeen op vrijdagavond en bleven de kinderen op Grote Verzoendag thuis van school. Mogelijk door zijn bescheiden komaf – zijn vader was kapper – had vader Van der Beugel vooruitstrevende opvattingen; zo stuurde hij zijn kinderen uit principe naar gemeentescholen. In 1925 scheidden Ina’s ouders; de kinderen bleven bij hun moeder, die net als haar ex-man hertrouwde. Het gevolg was dat Ina en haar broertje, zoals zij later memoreerde, vier in plaats van twee ouders hadden en met nóg meer liefde en luxe werden omringd dan voorheen.

Journalistiek

Na de meisjes-hbs kon Ina van der Beugel via Piet Bakker, een vriend van haar stiefmoeder die chef van de kunstredactie was bij de socialistische krant Het Volk, daar aan de slag als volontair. In de ongepolijste mannenwereld die krantenredacties toen nog waren, leerde zij er als zeventienjarige het journalistieke handwerk.

In 1933 ging Ina aan de University of London journalistiek studeren. Niet over haar eigen belevenissen, maar over andere, plaatselijke onderwerpen schreef zij in Het Volk, het Algemeen Handelsblad en in het dames-maandblad De Vrouw en Haar Huis. Uit deze artikelen blijkt al duidelijk haar gave om zich in anderen te verplaatsen. Zij hield haar privéleven voor haar lezers verborgen. Over Isidore Wijnberg, met wie ze in 1936 trouwde, is niets bekend. In een ongepubliceerd autobiografisch document vertelt zij dat zij zich met dit huwelijk vooral wilde afzetten tegen haar vader. Uitsluitend vanwege de oorlogsomstandigheden zou het huwelijk tot vlak na de bevrijding duren. In 1937 en 1938 verbleef Ina van der Beugel in New York. Ook hiervandaan stuurde zij reportages en andere bijdragen aan Nederlandse tijdschriften en kranten.

Na de Duitse invasie was Van der Beugel aanvankelijk van plan naar New York terug te gaan. Het leek haar onwaarschijnlijk dat zij als niet-Amerikaanse van de pen zou kunnen leven en daarom stelde zij zich voor bloembindster (‘flower-miss’) te worden bij het Waldorf Astoria-hotel. Om dat vak te leren ging zij in 1941 werken als volontair bij een bloemenwinkel in de Beethovenstraat. Toen joden een ster moesten gaan dragen, was zij daar niet langer welkom.

Werk in de oorlog

Aan het begin van de oorlog schreef Van der Beugel twee bundeltjes die pas in 1945 zouden verschijnen en haar naam zouden vestigen: Een man over vrouwen en Een vrouw over mannen. Ze waren het resultaat van een opdracht die Piet Bakker aan haar had doorgegeven. Met het voorschot van de uitgever, duizend gulden, kon zij twee vervalste persoonsbewijzen kopen. De boekjes met humoristische beschouwinkjes over de geslachten waren een groot succes. Ze werden tientallen keren herdrukt en in verschillende talen vertaald.

Ina van der Beugel moest in 1942 onderduiken. Bijna 33 maanden leefde zij noodgedwongen samen met Wijnberg op een klein kamertje buiten de stad. Als afleiding schreef zij over haar kindertijd en over haar belevenissen in de bloemenwinkel. De bundels Herinneringen van een niemendalletje en Een bosje van dit verschenen in 1947; de laatste met zonnige illustraties van vriendin Atie Siegenbeek van Heukelom. In de hongerwinter schreef ze Papieren harten, een zeer onserieuze studie door Jacquelientje Plof, vijf vrolijke stukjes over de liefde in de literatuur. Een clandestiene uitgever in Wormerveer betaalde ervoor met een kist etenswaren. Het boekje verscheen in 1945 en werd zo haar eigenlijke debuut.

Reportages en interviews

Vlak na de bevrijding, op 7 mei 1945, werd Ina van der Beugel redactrice van de vrouwenpagina van het net opgerichte Elsevier’s Weekblad. Naast Piet Bakker, aan wie zij de baan te danken had, werkten er illustere figuren als H.A. Lunshof, Godfried Bomans, Anton van Duinkerken, G.B.J. Hiltermann en Jo Spier. Haar vaste betrekking bij het weekblad duurde maar een jaar, omdat zij in 1946 trouwde met Johan Brokmeier, een textielfabrikant, en in Middelburg ging wonen. Maar ze bleef schrijven, ook toen in 1948 een dochter werd geboren. Voor het huishouden was er personeel. Ze schreef reportages, beschouwingen en interviews (vaak met vrouwen) in binnen- en buitenland. Zo was zij in 1956 samen met haar vriendin Constance Wibaut bij het huwelijk van prins Rainier van Monaco met Grace Kelly.

Van der Beugel kreeg in 1954 een vaste column in het Algemeen Handelsblad (voortgezet in NRC Handelsblad). Nadat Brokmeier in 1963 de leiding van zijn bedrijf had overgedragen aan anderen, ging het gezin in Epse (Gld.) wonen. Ina van der Beugel voelde zich er prettiger dan in Zeeland. Net als vanuit Middelburg bleef zij eens in de week naar Amsterdam  reizen om haar contacten te onderhouden en inspiratie op te doen.

Naast haar vaste rubriek bleef Van der Beugel tot 1965 voor Elsevier’s Weekblad schrijven en had zij andere opdrachten, zoals het bewerken van een Amerikaans boek met schoonheidstips en het herzien van Hoe hoort het eigenlijk (1939) van Amy Groskamp-ten Have. Zij zat in jury’s en hield lezingen. Na de dood van haar echtgenoot bleef zij in Epse wonen. In 1985 nam zij na dertig jaar als columniste afscheid van NRC Handelsblad. In de jaren rond 1990 volgde nog een reeks ‘stukjes over vroeger’, die in 1993 werden gebundeld. Dat zij op hoge leeftijd kampte met herinneringen en angsten als uitvloeisel van de oorlog wisten slechts weinigen. Op 15 januari 2003 overleed zij na jaren van afnemende gezondheid in Almen. Net als haar man werd ze gecremeerd op Westerveld.

Betekenis

Ina van der Beugel was een ras-schrijfster. Haar teksten zijn altijd leesbaar en vaak geestig. Als journaliste was zij eerder geneigd tot bewondering dan tot ‘debunking’. Bandopnamen bij interviews vond zij indiscreet. Zij maakte zelfs geen aantekeningen, omdat dat de vertrouwelijke sfeer zou schaden, maar vertrouwde op haar geheugen.

Met haar columns in Elsevier en het Handelsblad was Ina van der Breukel een geliefd chroniqueuse van het Nederlandse ‘leven op stand’. Haar populariteit, haar luchtige toon en haar zelfspot maakten dat zij als schrijfster weinig serieus werd (en wordt) genomen. Een mensenleeftijd later doen sommige van haar stukken gedateerd aan, maar de meeste hebben de tand des tijds doorstaan en tonen dat zij alles behalve een ‘niemendalletje’ was.

Archivalia

  • Collectie A.J. Dijkstra-Brokmeier, Epse.
  • Universiteit van Amsterdam, Bibliotheek Bijzondere Collecties: brieven aan M.J. Premsela en M.G. Schenk.

Publicaties

Afgezien van honderden bijdragen aan Elsevier’s Weekblad (zie het online archief Elsevierweekblad.nl), een selectie:

  • Papieren harten. Een zeer onserieuze studie van Jacquelientje Plof (Baarn 1945).
  • Een man over vrouwen (Amsterdam 1946).
  • Een vrouw over mannen (Amsterdam 1946).
  • Een bosje van dit. Met teekeningen van W. Siegenbeek van Heukelom (Amsterdam 1947).
  • Een snufje van dat (Amsterdam 1954).
  • Anita Colby, Aantrekkelijk zijn en blijven (Utrecht 1954) [bewerking van Beauty Book, 1952].
  • Amy Groskamp-ten Have, Hoe hoort het eigenlijk?(Amsterdam 1966) [Bewerking van de twaalfde druk].
  • Zo was het. Herinneringen uit de tijd van pijpekrullen, griffeldoos en kolenkit (Amsterdam 1993).

Literatuur

  • ‘Gesprekken met drie generaties: Ina van der Beugel (59 jaar)’ Leeuwarder Courant, 31-12-1975 [interview].
  • Lisette Lewin, Het clandestiene boek (Amsterdam 1983).
  • Hieke Jippes, ‘Over twee maanden weet niemand meer wie Ina van der Beugel is’, NRC Handelsblad, 24-12-1984 [interview].
  • Eric-Jan Weterings, ‘De Middelburgse jaren van Ina van der Beugel’, Tijdschrift van het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen 22 (2013) nr. 2, 52-57.

Illustratie

[in bestelling]

 

Auteur: Ileen Montijn

laatst gewijzigd: 03/09/2017