Toussaint, Anna Louisa Geertruida (1812-1886)

 
English | Nederlands

TOUSSAINT, Anna Louisa Geertruida, vooral bekend als Geertruida Bosboom-Toussaint (geb. Alkmaar 16-9-1812 – gest. Den Haag 13-4-1886), romanschrijfster en essayiste. Dochter van Hendrik Toussaint (1783-1859), apotheker, en Cornelia Magdalena Cicilia Roquette (ca. 1786-1867). Geertruida Toussaint trouwde op 3-4-1851 te Alkmaar met Johannes Bosboom (1817-1893), kunstschilder. Het huwelijk bleef kinderloos.

Geertruida Toussaint (‘Truitje’ voor intimi) groeide op in een weinig harmonieus gezin dat steeds financiële moeilijkheden heeft gekend. Met haar vader kon ze het goed vinden. Hij bracht haar de liefde voor de literatuur bij en met hem las ze Vondel, Hooft en Huygens. Haar moeder, afkomstig uit Haarlem, kon volstrekt niet wennen in het provinciaalse Alkmaar. Zij was Frans-georiënteerd en liet zich door haar kinderen ‘Mère’ noemen.

Na de geboorte van Johan Daniel Sybrand in 1820, de eerste zoon in het gezin Toussaint, werd de verhouding tussen moeder en dochter zo slecht dat Geertruida bij haar grootmoeder en tantes in Harlingen werd ondergebracht. Daar heeft ze naar eigen zeggen gelukkige jaren gekend. Ze kreeg als lectuur veel zedelijke verhalen voorgeschoteld, ondermeer de destijds bekende roman over de taak van de vrouw in huis van M.J. de Neufville, De kleine pligten (1824). Later schreef ze over deze leeservaringen: ‘Ik slikte ze als medicijnen die walgelijk zoet zijn. Toen kreeg men medelijden en gaf mij de romans van Walter Scott’ (brief aan Isaac da Costa uit 1856, Reeser I, 10). In Harlingen kreeg Geertruida inspirerend les van Froukje Herbig, die belezen was in de Nederlandse en Europese literatuur en (historische) romans schreef. Eind 1828 keerde ze terug naar Alkmaar, waar ze belijdenis deed in de Nederlands Hervormde kerk

In april 1833 behaalde Geertruida Toussaint het diploma voor ‘schoolhouderesse’ en werd daarop gouvernante bij de familie De Bruyn Kops in Hoorn. Het verblijf in dit cultureel onderlegde gezin heeft veel voor haar betekend: daar maakte ze, via de plaatselijke leeskring, kennis met de moderne Franse literatuur. Zodoende kwam ze, al was het maar via de lectuur, in aanraking met een wijdere wereld. Als opvoedster was ze echter geen succes: ‘Waarheid is, dat ik alles tegen mij had: mijne kleine gestalte, mijne teerheid van vormen, mijn zwakke stem, mijn zenuwachtigheid en schuchterheid. Ik miste alles, in één woord, wat kinderen imponeren moet’ (passage uit haar autobiografie, Reeser I, 28). Begin 1835 keerde ze weer terug naar Alkmaar.

Beginnend auteur

In haar ouderlijk huis leefde Truitje naar eigen zeggen als in een pension: ze ontbeet op haar kamer, at ’s middags aan tafel mee, maar pas ’s avonds kwam ze voor de thee echt naar beneden en las dan haar ouders voor. Overdag bracht ze door met het lezen en vertalen van Franse en, in mindere mate, Duitse en Engelse literatuur. Zij hoopte met vertalen haar brood te verdienen, een plan dat ze voorlegde aan de Friese uitgever Suringar, die een roman van Froukje Herbig had gepubliceerd. Hij adviseerde haar echter zélf te gaan schrijven. Dit resulteerde in haar eerste novelle Almagro, verschenen in 1837. Potgieter schreef er in De Gids een waarderende recensie over. In datzelfde jaar verscheen haar eerste grote boek, De graaf van Devonshire, een historische roman, al ging ze toen nog wel heel vrij met haar materiaal om. Het boek kwam uit bij uitgever Otto in Amsterdam, die haar aan een wurgcontract bond waarvan ze zich later slechts met moeite kon losmaken. In 1838 publiceerde ze voor het eerst in De Gids. In 1839 zag Engelschen te Rome het licht. En zo blijft het doorgaan, vrijwel ieder jaar verscheen er wel een boek van haar hand. Ze moet ook letterlijk buitengewoon snel geschreven hebben. Willem de Clercq heeft het ‘over die ontzettende vlugheid, waarbij zij als het ware over het papier vliegt’ (Reeser I, 114). Zo werd ze al gauw een bekend auteur, ze kreeg opdrachten voor literair werk en werd opgenomen in literaire kringen.

Vriendschap, liefde en huwelijk

Via Potgieter kwam Truitje Toussaint omstreeks 1838 in contact met J. P. Hasebroek, predikant te Heiloo, en zijn zuster, de schrijfster Elisabeth (Betsy) Hasebroek met wie hij de pastorie bewoonde. Beiden hebben veel voor Toussaint betekend. Zij vond er – zoals vele andere schrijvers – een gastvrij onthaal en raakte onder de indruk van hun doorleefd christendom, gekleurd door het Réveil. Ze werd verliefd op Hasebroek en onderhield een warme vriendschap met Betsy – gemengd met een zekere literaire naijver, want ook Betsy ontwikkelde zich tot een verdienstelijk romanschrijfster.

De verliefdheid op de dominee werd echter niet beantwoord: zelfs geborduurde pantoffels brachten hem niet naderbij, want hij koos in 1839 voor een ander. Dit deed haar veel verdriet maar korte tijd later richtte haar liefde zich op een totaal andere persoonlijkheid: Reinier Bakhuizen van den Brink, vriend van Potgieter en mederedacteur van De Gids. Bakhuizen hielp haar bij het historische onderzoek voor haar roman Het huis Lauernesse, die in de beginjaren van de Hervorming speelt en waarin Toussaint een evangelisch christendom bepleit. Ook wijdde hij in De Gids een lange, waarderende en diepgaande bespreking aan Engelschen te Rome. Potgieter meende al in januari 1840 een prille verliefdheid te zien, maar pas in november 1841 kwam het tot een verloving.

Het was een onwaarschijnlijke combinatie, de vermogende maar verkwistende schuinsmarcheerder Bakhuizen, door Nicolaas Beets beschreven als ‘eer groot dan klein, buikig, vettig, plomp […] onbesneden mond met vuile tanden; schorre stem, somtijds overschietende’ (dagboeknotitie, Reeser I, 93 ). En daarnaast de kleine Truitje Toussaint, een ‘aangeklede zenuw’: ‘als zij met v.d. Brink binnentreedt, is ’t even als viel zij uit zijn zak’ (brief van Jacob van Lennep aan Beets, Reeser I, 129). Maar Bakhuizen was een intellectueel met een sprankelende geest en in hem meende Toussaint ‘die superioriteit van geest en kennis [te vinden] die ik eiste in mijn aanstaande echtgenoot’ (brief aan Beets, Reeser I, 125). Bakhuizen woonde in Leiden waar hij zijn promotie voorbereidde en Toussaint in Alkmaar. Hij bezocht haar daar om de veertien dagen. Het liep niet goed af. Bakhuizen gaf zijn verkwistende levenswijze niet op, zijn promotie moest worden uitgesteld en aan een huwelijk viel vanwege geldgebrek voorlopig niet te denken. Het lukte hem niet in Nederland een passende betrekking te vinden en in oktober 1843 – bijna twee jaar na de verloving – vluchtte hij met een schuld van bijna drie ton naar België. Vanuit Brussel bleef hij Truitje lange brieven schrijven, hoewel hij zich daar al snel had verloofd met een Brussels meisje. In september 1846 maakte Toussaint een eind aan de slepende affaire. ‘Ik heb de decisive brief geschreven, het kon niet langer, hij ridiculiseerde mij door zijn gedrag en handelwijze en het diende nu nergens meer voor – ik vergeef het hem. Hij kan niet anders’, zo schreef de inmiddels bijna 35-jarige schrijfster aan Potgieter (Reeser I, 210).

Toussaint had toen al – in 1846 – kennisgemaakt met de Haagse schilder Johannes Bosboom. Ze vonden elkaar sympathiek en Toussaint zag in hem een gelijkgezinde, ook in godsdienstige zaken. Na enige tijd beschouwden zij zich als ‘geëngageerd’, al moesten ze met hun huwelijk wachten totdat Bosboom in hun onderhoud kon voorzien. Pas op 3 april 1851 konden ze eindelijk trouwen, met uitbundig feestelijk vertoon, inclusief vuurwerk, van het stadsbestuur en de burgerij van Alkmaar ter ere van de beroemde stadgenote. Ruim tien jaar van haar leven had Toussaint met ‘wachten’ doorgebracht, jaren waarin ze overigens buitengewoon productief was.

Het huwelijk met Bosboom heeft Geertruida Toussaint veel geluk gebracht – Potgieter werd zelfs een beetje akelig van de ‘admiration mutuelle’. Toch waren er moeilijke perioden wanneer de schilder in depressiviteit en perfectionisme niet of nauwelijks tot werken kwam. Er waren dan financiële zorgen, temeer daar zowel Toussaints eigen familie als die van Bosboom door het echtpaar gesteund moest worden. Het dwong de schrijfster tot continue arbeid, ook als zij er lichamelijk en geestelijk niet toe in staat was. Haar werk werd in het algemeen behoorlijk betaald. Met Mejonkvrouwe de Mauléon bijvoorbeeld verdiende ze bijna vijftig gulden per vel. Voor de omvangrijke maar waarschijnlijk veel minder verkoopbare Leycester cyclus kwam ze na veel onderhandelen op veertig gulden uit. Bij haar eerste uitgever moest ze daarentegen met tachtig gulden voor 25 vel tevreden zijn – dat gold als schandelijk weinig. De Gids bood voor het in afleveringen afdrukken van haar romans twintig gulden per vel met behoud van kopijrecht en de door haar geredigeerde Almanak voor het schoone en goede bracht haar jaarlijks driehonderd gulden op.

Historische en eigentijdse romans

De criticus Potgieter had de beginnende schrijfster Toussaint geadviseerd de vaderlandse geschiedenis als stof voor haar romans te kiezen, en niet allerlei romantische verhalen uit verre landen. Er moest daartoe wel duchtig gestudeerd worden. De eerste vrucht van dat advies was Het huis Lauernesse (1840), dat door Potgieter echter niet erg werd gewaardeerd vanwege de geëxalteerde vroomheid van met name het personage Paul. In 1841 verscheen Eene kroon voor Karel den Stouten in afleveringen in De Gids. Het hoogtepunt van haar activiteiten op het gebied van de historische roman is de negendelige Leycester cyclus. De eerste drie delen De graaf van Leycester in Nederland verschenen in 1845, gevolgd door de trilogie De vrouwen in het Leycestersche tijdvak in 1850 en afgesloten met drie delen Gideon Florensz. in 1854. Deze romancyclus bracht haar ook de waardering van beroepshistorici. De historicus Robert Fruin schreef haar: ‘Waarlijk, mevrouw, gij vergist U, indien gij meent dat uw historische studie door de beoefenaars onzer geschiedenis niet op hoge prijs gesteld wordt. Niemand zal het ondernemen over de tijd van Leycester te schrijven zonder eerst uw romans gelezen en overdacht te hebben’ (Reeser II, 118). Tussendoor schreef Toussaint tal van grotere en kleinere romans en novellen, zoals Mejonkvrouwe de Mauléon (1847) waarin mogelijk iets van de affaire-Bakhuizen doorklinkt.

Conrad Busken Huet, de letterkundige en Gids-redacteur met wie Bosboom-Toussaint na een stevige polemiek in de jaren 1860 goed bevriend was geraakt, toonde zich kritisch over het genre ‘historische roman’ en leverde ook op haar werk kritiek, kritiek die Bosboom-Toussaint als gerechtvaardigd erkende. Haar roman De verrassing van Hoey (1866), bedoeld voor De Gids, werd door Potgieter en Huet dan ook zeer nauwgezet geredigeerd. Misschien was het in reactie op die kritiek dat ze enkele min of meer contemporaine romans ging schrijven, zoals Frits Millioen en zijne vrienden (1868), uit ‘gemakzucht’, zoals ze dat zelf noemde omdat er geen studie aan te pas hoefde te komen. In 1874 verscheen in dat kader het boek waarmee ze de meeste lezers gevonden heeft, Majoor Frans, in 1877 gevolgd door Langs een omweg.

In deze laatste romans gaf Bosboom-Toussaint haar kijk op de man-vrouw verhouding. Die was sterk gekleurd door een traditioneel-christelijke visie: vrouwen hebben vooral een taak in het gezin, dienen zich niet op de voorgrond te dringen en moeten zich door hun echtgenoten laten leiden. Zo wordt de onaangepaste ‘Majoor Frans’ getemd door haar aanstaande echtgenoot en moet in Langs een omweg Regine uitentreuren vergiffenis vragen aan haar beminde om het wantrouwen dat ze jegens hem koesterde, hoewel hij dat nota bene zelf door zijn gedrag had uitgelokt. Ook al zijn er veel edelmoedige, dappere en opvallend karaktervolle vrouwen in haar oeuvre te vinden, mannen krijgen steeds de leidende rol. Vanuit dat perspectief is het begrijpelijk dat de vrouwenemancipatie bij haar weinig sympathie wekte, hoewel ze als zelfstandig werkende vrouw zelf zo geëmancipeerd was als het maar zijn kon.

Min of meer parallel hiermee loopt het politiek conservatisme van Bosboom-Toussaint. Het ontbrak haar niet aan sociaal gevoel, maar het was geïnspireerd op de christelijke naastenliefde, van socialisme wilde ze niets weten. In haar jeugd beleed Toussaint een conventioneel christelijk geloof: de mens moet onder goddelijke leiding naar het goede streven. Door haar vriendschap met de Hasebroeken kwam ze in aanraking met het Réveil en met een evangelisch christendom, ‘bezield’ maar ‘verdraagzaam’ in haar eigen termen. Hoewel overtuigd protestant, onderhield ze goede contacten met de katholieke voorman Alberdingk Thijm en in haar historische romans probeerde ze aanhangers van het katholieke geloof recht te doen. Bosboom-Toussaint heeft altijd ruimte voor haar artistieke werk bepleit en pogingen van haar orthodoxe vrienden – die ‘profane kunst’ afwezen – om haar romans in dienst te stellen van geloofsverkondiging, wees ze af.

Haar laatste levensjaren leverden weinig nieuw creatief werk op. Ze besteedde veel tijd aan de herziening van haar romans ten behoeve van de editie die vanaf 1885 verscheen bij uitgeverij Ewings in Den Haag en verder werkte ze aan haar levensherinneringen, waarmee ze echter niet verder is gekomen dan haar jeugdjaren. De kring rond haar werd kleiner en na een korte ziekte is ze rustig gestorven.

Reputatie

Geertruida Bosboom-Toussaint heeft al vroeg veel waardering gekregen. Als auteur en redacteur speelde ze een belangrijke rol in het literaire leven van haar tijd. Zij had vrienden onder de belangrijkste literatoren, zoals Potgieter, Busken Huet en later de voorvechtster voor vrouwenrechten Elise van Calcar. Ook in de kring van het Réveil had ze vrienden, zoals Nicolaas Beets, Willem de Clercq, Isaac da Costa, Groen van Prinsterer en zijn vrouw Betsy van der Hoop. Met velen voerde ze een uitgebreide correspondentie, van vlotter schriftuur dan haar romans. Als gevestigd kunstenares was ze geregeld te gast bij koningin Sophie. Jonge literatoren zochten haar gunst. Haar verzamelde romans en verhalen, door haar gecorrigeerd, begonnen nog bij haar leven in 25 delen te verschijnen, nadat er al eerder verzamelde werken waren gepubliceerd. Er was ook ander eerbetoon. Ze werd als eerste vrouw erelid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1870). Verder was ze ondermeer ereburgeres van Alkmaar, honorair lid van de Amsterdamse rederijkerskamer Achilles en – tot haar eigen verbazing – erelid van het Archeologisch Genootschap van Athene. In Alkmaar werd de schrijfster in 1912 op haar honderdste geboortedag met een borstbeeld geëerd. Enkele van haar boeken zijn aan het eind van de twintigste eeuw nog herdrukt, zoals haar debuut Almagro, Het huis Lauernesse, de novelle Mejonkvrouwe de Mauléon en het meest van al Majoor Frans. Dit laatste boek is in de negentiende eeuw ook in het Zweeds, Frans, Duits en Engels vertaald; De Delftsche wonderdokter in het Duits.

Naslagwerken

Basse; Brink; Frederiks/Van den Branden; Leopold; Lauwerkrans; NNBW.

Publicaties

  • Bibliografieën van Toussaints gedrukte werken zijn opgenomen in de biografie van H. Reeser, deel 1, 336-346 en deel 2, 440-454.
  • Vanaf 1885 verscheen een editie van haar werk bij Charles Ewings, Den Haag, die gedeeltelijk door Bosboom-Toussaint werd geredigeerd. Later kwamen in 25 delen – zij het niet volledig – de verzamelde romans en novellen uit bij D. Bolle, Rotterdam 1898-1901.

Literatuur

  • Cd. Busken Huet, ‘Mevrouw Bosboom-Toussaint’, in: Idem, Litterarische fantasiën en kritieken 2 (Haarlem z.j.) 73-96 [eerst gepubliceerd in De Gids (1864) 283-310].
  • P.J. Meertens, ‘A.L.G. Bosboom-Toussaint, Hasebroek en Bakhuizen van den Brink’, De Gids 91 (1925) 260-265.
  • J.M.C. Bouvy, Idee en werkwijze van mevrouw Bosboom-Toussaint (Rotterdam 1935).
  • H. Reeser, De jeugdjaren van Anna Louisa Geertruida Toussaint 1812-1851 (Haarlem 1962).
  • H. Reeser, De huwelijksjaren van A.L.G. Bosboom-Toussaint 1851-1886 (Groningen 1985) [met opgave van secundaire literatuur tot 1982 in deel 1, 352-355, en deel 2, 454-456, 459].
  • H. Reeser, Repertorium op de briefwisseling van A.L.G. Bosboom-Toussaint (Amsterdam 1990).
  • Suzan van Dijk, ‘A.L.G. Bosboom-Toussaint vs George Sand, heldin en anti-heldin’, Bulletin Geschiedenis, Kunst, Cultuur 4 (1995) 67-82.
  • Marita Mathijsen, ‘Door niemand heb ik me ooit laten overheersen: gesprek met Truitje Bosboom-Toussaint (1812-1886)’, in: Idem, De geest van de dichter: elf zogenaamde gesprekken met negentiende-eeuwse schrijvers en een debat (Amsterdam 1998) 39-49.
  • M.A. Schenkeveld-Van der Dussen, ‘Het “mannelijk” schrijverschap van A.L.G. Bosboom-Toussaint’, Nederlandse Letterkunde 1 (1996) 71-83.
  • Els Kloek, ‘Heldenmoed, huwelijkstrouw en vrouweneer. Bakhuizen van den Brink en de ‘nijvere huisbestierster’ Brecht Proosten (gest. ca. 1592)’, BMGN 117 (2002) 307-330; over Toussaint: 321-323, 327-329.
  • Annemarie Doornbos, ‘Geertruida Toussaint: een Amazone genegeerd?’, Nederlandse Letterkunde 12 (2007) 53-72.

Illustraties

  • Portretschets door J. Bosboom, 1858, verblijfplaats onbekend. Uit: Reeser, De huwelijksjaren van A.L.G. Bosboom-Toussaint.
  • Foto van A.J.M. Steinmetz-La Haye, ca. 1870. Uit: Reeser, De huwelijksjaren van A.L.G. Bosboom-Toussaint.

Auteur: Riet Schenkeveld-Van der Dussen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 693

laatst gewijzigd: 13/01/2014