Brons, Alida Christina (1878-1955)

 
English | Nederlands

BRONS, Alida Christina, vooral bekend als A.C. Veen-Brons en als Famke (geb. Amsterdam 24-11-1878 – gest. Zaandam 26-11-1955), publiciste, woordvoerster van het ‘nieuw-feminisme’. Dochter van Simon Cornelis Hubertus Brons (1842-1921), fabrikant, en Alida Christina Schone (1850-1932). Alida Brons trouwde op 26-4-1906 in Amsterdam met Egbertus Veen Azn (1880-1952), handelsbediende, later fabrieksdirecteur. Uit dit huwelijk werden 3 dochters en 1 zoon geboren.

Alida (Ida) Brons werd geboren als middelste van drie kinderen – ze had een oudere zus en een jongere broer – in een Amsterdams ondernemersgezin. Het gezin bewoonde een ruim pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Ida’s moeder kwam uit een van oorsprong Duitse familie en noemde zich bij haar trouwen hervormd – ze was van huis uit luthers. Haar vader was katholiek en had aanvankelijk een fabriek in waterdichte goederen. Vanaf 1891 runde hij de Algemeene Agentuur en Commissiehandel Brons & Co aan de Brouwersgracht, waar het gezin naartoe was verhuisd. Ida zat toen op de ulo aan de deftige Antonidesschool voor meisjes aan de Herengracht. Na nog een jaar naaischool ging ze aan de slag op het kantoor van haar vader.

‘Homo sum’ 

Rond haar negentiende verbrak Ida Brons de verloving met een geliefde – details hierover zijn onbekend maar de jaren hierna moeten moeilijk zijn geweest. Ze voelde zich opgesloten in het kantoor van haar vader terwijl om haar heen vriendinnen trouwden en baby’s kregen, zou ze in 1930 in een interview zeggen (Belinfante-Belinfante, 344). Via haar broer leerde ze Egbert Veen kennen, een jongeman uit een Friese ondernemersfamilie. Omdat hij van 1902 tot 1904 bij een handelsmaatschappij in Genua in de leer was, voerden ze een uitgebreide correspondentie. In deze jaren haalde Ida Brons als een van de eerste vrouwen in Nederland haar diploma’s boekhouden en handelsrekenen. Hiernaast had ze in 1903 onder het pseudoniem ‘homo sum’ een eigen rubriek op de vrouwenpagina van De Telegraaf. Ze schreef vooral over huwelijk en gezin. 

Een jaar nadat Egbert Veen in 1905 in dienst was getreden bij NV Bakkerij De Ruijter, konden ze trouwen – Ida Brons was toen 27. Het echtpaar betrok een huis aan de Stationsstraat (nr. 142) in Zaandam, waar tussen 1907 en 1919 vier kinderen werden geboren: Elske (1907), Josephina Johanna Alida (1909), Ida Egbertina (1910) en Antonie (1919). Omdat Egbert van huis uit doopsgezind was, werd ook Ida Veen-Brons lid van de Doopsgezinde Gemeente. Rond haar dertigste brak ze met de kerk, maar ze bleef wel religieus en voedde haar kinderen doopsgezind op (Wiewel, 3-4).

Met haar huwelijk koos Ida Veen-Brons ook voor een bestaan als huisvrouw: uit haar schriftelijke nalatenschap rijst het beeld op van een bemoeizuchtige huismoeder die druk was met haar opgroeiende kinderen, de zorg voor het huis, het zomerhuisje in Santpoort en – vanuit een zeer uitgesproken empathie met de medemens – het helpen van anderen. Zo ontfermde ze zich eind jaren twintig over een amant van haar jongste dochter, een jongeman die schulden had en aan lager wal dreigde te raken. Net als haar man was ze lid van de Bond van Vrije Liberalen (in 1921 opgegaan in de Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond - LSP) en van het Algemeen Nederlandsch Verbond (ANV), een Belgisch/Nederlandse organisatie die in die tijd de ‘Groot-Nederlandse gedachte’ aanhing. Als voltijdse huisvrouw was ze ook lid van de Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen (NVVH) – eens in de paar maanden ging ze naar een vergadering.

Famke

Om aandacht te vragen voor de gewone huismoeder schreef Ida Veen-Brons in het najaar van 1917 een brief aan het blad Zij, de vrouwenbijlage bij het weekblad Morks Magazijn (het verscheen ook zelfstandig). Hoofdredacteur C. van Zon, die ze via het AVN kende, was enthousiast en vroeg haar of ze wekelijks een stukje wilde schrijven. Dat was het begin van haar ‘Brieven van een huisvrouw’, een column over huiselijke aangelegenheden die haar bezighielden. In 1919 begon ze haar brieven te ondertekenen met Famke, een pseudoniem waarmee ze grote naamsbekendheid kreeg en dat ze altijd zou blijven gebruiken.

Een nieuwe stap in haar loopbaan als Famke zette Veen-Brons in 1926, toen ze een lezing hield naar aanleiding van De opstandigen van Jo Ammers-Küller. Door dit boek was ze tot de overtuiging gekomen dat de vrouwenemancipatie was doorgeslagen en het gezin werd verwaarloosd. Een ‘nieuw-feminisme’ was nodig. In zeventien brochures, tussen 1926 en 1935 verschenen bij Uitgeverij L.J. Veen (vanaf 1919 onder het feitelijke bewind van haar echtgenoot) ontwikkelde Famke haar ideeën over de doorgeschoten ‘sexen-nivellering’ en de tekortkomingen van wat ze het ‘dogmatisch-feminisme’ van ‘prae-feministen’ noemde: gelijkheid boven alles, met veronachtzaming van het natuurlijke verschil tussen mannen en vrouwen. Mannelijke vrijgezellen waren in haar ogen ‘laffe klaplopers’ die het gezinsleven, en daarmee de levensvervulling van de vrouw, willens en wetens ondermijnden. Ze was inmiddels zelf de vijftig gepasseerd en het nieuw-feminisme werd haar roeping. Daarom wilde ze ook ophouden met haar ‘Brieven van een huisvrouw’, maar toen de redactie daar bezwaar tegen maakte, veranderde ze de naam in ‘Nieuw-feministische brieven’. In 1931 richtte ze de landelijke Vereeniging voor Nieuw-Feministen (VNF) op. Centra in het land moesten het gedachtengoed uitdragen, Famke stond aan het hoofd van de organisatie. Vanaf januari 1935 gaf de Vereeniging het tweemaandelijkse blad Huwelijk en Huisgezin uit, waarvan de naam al snel werd veranderd in Nieuw-Feminisme. Het werd volgeschreven door Famke. Concreet actiepunt van het nieuw-feminisme was de introductie van extra belasting voor mannen die ongehuwd bleven. Verder mengde De VNF zich in het debat rond de benoeming van vrouwelijke burgemeesters (1936) en het wetsvoorstel Romme om vrouwen bij huwelijk te ontslaan (1937).

Veen-Brons werd een veelgevraagd spreekster en ontving veel fanmail en reacties, onder meer van politici en andere bekendheden (Colijn was een van hen) die ze ongevraagd haar brochures en tijdschrift toestuurde. Maar uiteraard oogstte ze met haar uitgesproken opvattingen ook veel kritiek van progressieve publicisten zoals Emmy Belinfante, Dirk L. Daalder, Anna Polak en Annie Salomons. In 1933 werd deze kritiek gebundeld onder de titel De triomf van het wanbegrip, een woordspeling op haar boek De triomf van het huwelijk (1931). Vooral haar verheerlijking van de huwelijkse staat als bestemming van de vrouw, en daarmee haar impliciete minachting voor ongetrouwde vrouwen, moest het ontgelden.

De VNF is nooit goed van de grond gekomen: het ledenbestand bleef onder de honderd, afdelingen bestonden soms louter op papier en het meeste werk kwam op Veen-Brons zelf neer. In 1937 werd de Vereeniging opgeheven, zogenaamd omdat met het Wetsvoorstel Romme het doel was bereikt, maar de facto omdat Veen-Brons geen geschikte opvolgster kon vinden. Een jaar later stichtte ze het Nieuw-Feministisch Secretariaat, dat zich vooral richtte op propaganda. Intussen was ze in 1932 ook het Instituut tot Belangelooze Huwelijksbemiddeling en -Raadgeving begonnen, met ‘moederlijke raadgeefsters’ – in 1935 werd het officieel geregistreerd. Hier konden jonge vrouwen, die bij het vinden van de juiste echtgenoot de hulp van (werkende!) moeders moesten ontberen, zich voor vijf gulden laten bemiddelen. Toen het Instituut in 1939 ter ziele ging, had het slechts twaalf huwelijken kunnen realiseren.

In de oorlogsjaren viel het nieuw-feminisme van Veen-Brons stil. Aan het begin van de oorlog schonk ze geld aan de joodse gemeenschap en met een wekelijkse rondzendbrief vol vaderlandslievende poëzie – ze schreef graag gedichten – probeerde ze vrienden en bekenden een hart onder de riem te steken. Fragmenten uit haar oorlogsdagboek gaf ze in 1951 uit onder de titel Commentaar op mijn eigen dagboek, maar het boek verkocht slecht. Ook haar poging om het nieuw-feminisme nieuw leven in te blazen, mislukte. De Haagse Post weigerde haar als columniste en met haar stukjes voor de rechtse bladen De Prinsestad en Burgerrecht bereikte ze niet het publiek dat ze eerder gewend was. Na de dood van haar man (in 1952) schreef Famke niets meer. Ida Veen-Brons stierf op 26 november 1955 in haar woonplaats Zaandam, twee dagen na haar 77ste verjaardag.

Reputatie

Ida Veen-Brons verkondigde als Famke een opmerkelijk geluid in het publieke debat van het interbellum: met slogans als ‘zonder goede gezinnen geen krachtig volk’ streed ze onder de vlag van het nieuw-feminisme vóór het huwelijk en tégen ‘sexen-nivellering’, degeneratie en het ‘dogmatisch-feminisme’. In zijn necrologie prijst NRC-journalist J.J. van Bolhuis haar om haar ‘moed der overtuiging’. Tegelijk merkt hij op dat ze in haar gramschap over de ‘klaplopers’ van ongehuwde mannen en ‘prae-feministen’ haar liberale principes niet trouw was: ‘zij zag alles veel te simplistisch, onderschatte de gecompliceerdheid van de samenleving en de toenemende zelfstandigheid van vrouwen van wie duizenden ongehuwden de bij alle goede bedoelingen ietwat kleinerende deernis van Famke niet nodig hadden’ (NRC, 3-12-1955).

Archivalia

  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: toegang 149, Collectie van Egbertus Veen Azn en Alida Christina Veen-Brons te Zaandam [o.a. correspondentie, toespraken, krantenknipsels, brochures; voor brieven en stukken m.b.t. haar publicaties, haar VNF, haar Nationaal Huwelijksbureau enz., zie vooral inv.nrs. 116-141].
  • Atria, Amsterdam: Archief Vereeniging van Nieuw Feministen.

Publicaties

Onder de naam Famke (een selectie):

  • Een antwoord aan de IIIe generatie der ‘Opstandigen’ (Amsterdam 1927).
  • Zaansch binnenhuisje (Amsterdam 1928).
  • Nieuw Zaansch binnenhuisje (Amsterdam 1929).
  • De triomf van het huwelijk (Amsterdam 1931) [bundeling van artikelen over nieuw-feminisme].
  • Commentaar op mijn eigen dagboek (Amsterdam 1951).
  • Overzicht van haar brochures: zie Wiewel, Het Nieuw-Feminisme of Famke, 85-86.

Literatuur

  • E. Belinfante-Belinfante, ‘De nieuwe liefdes-ethiek. Een onderhoud met “Famke”’, De Hollandsche Revue 35 (1930) 343-346.
  • De triomf van het wanbegrip (Famke’s beweringen) gestuit door Emmy J. Belinfante e.a. (Haarlem 1933).
  • Kort overzicht van de geschiedenis van L.J. Veen’s Uitgeversmaatschappij NV Amsterdam, 1887 1 maart 1947 (z.p. [Amsterdam] 1947) 14-15 [over bewind Egbert Veen].
  • J.J. van Bolhuis, ‘Alida Veen-Brons, 1878-1955’, NRC, 3-12-1955 [herdr. in: Mevrouw, ik groet u. Necrologieën van vrouwen, Emma Brunt ed. (Amsterdam/Brussel 1987) 39-41].
  • Jette Westerbeek, ‘Nieuw-feminisme. Beeld van een konservatieve vrouwenorganisatie’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 1 (1980) 6-31.
  • Liesbeth Wiewel, Het Nieuw-Feminisme of Famke, doctoraalscriptie UvA (Amsterdam 1986).
  • Laetitia Guchelaar, ‘Famke en het Nieuw-Feminisme. De kruistocht van een gewone huismoeder’, Historica 20 (2007) nr. 1, 28-30.

Illustratie

Ida Veen-Brons, door onbekende fotograaf, ca. 1934 (Noord-Hollands Archief, Haarlem).

 

Auteur: Els Kloek

laatst gewijzigd: 27/11/2017