Brugman, Mathilda Maria Petronella (1888-1958)

 
English | Nederlands

BRUGMAN, Mathilda Maria Petronella (geb. Amsterdam 16-9-1888 – gest. Gouda 24-7-1958), schrijfster en dichteres. Dochter van Hermanus Joannes Brugman (1852-1932), vertegenwoordiger in wijn en spiritualiën, en Adriana Geertruida Johanna Zoons (1859-1939). Mathilda Brugman had (1) van 1917 tot 1926 een relatie met Sienna Masthoff (1892-1959), zangeres; (2) van 1926 tot 1936 een relatie met Hannah Höch (1889-1978), kunstenares; (3) vanaf 1937 een relatie met Hans Mertineit-Schnabel (1907-1979), lerares.

Mathilda (Til) Brugman werd geboren op de Amsterdamse Brouwersgracht, als oudste dochter in een welgesteld, streng katholiek gezin met uiteindelijk negen kinderen. Haar vader was een zachtaardige, erudiete man, haar moeder een diepgelovige, dogmatische vrouw met wie Til hevig botste. Om hun wilskrachtige en eigenzinnige dochter in het gareel te krijgen stuurden de ouders Til van haar twaalfde tot haar zestiende naar meisjespensionaat Het Withof in Etten-Leur, waar ze werd klaargestoomd voor een dienend bestaan in de huishouding van haar moeder. Til was echter meer geïnteresseerd in boeken en talen: ze had – net als haar vader – een talenknobbel en in haar schaarse vrije tijd leerde ze zichzelf typen, steno en internationale handelscorrespondentie. Dat zette de gezinsverhoudingen verder op scherp: in 1911 werd Til de deur gewezen en ging ze op kamers wonen.

Klankgedichten en grotesken

De 23-jarige Til Brugman ging werken als handelscorrespondente vreemde talen in Amsterdam en stortte zich in alle mogelijke studies: ze had een ‘behekste belangstelling voor alle verschijnselen van het leven’, zei ze later (gecit. Slob, 18). Via Piet Mondriaan, die ze in 1908 op dansles had leren kennen, belandde ze tussen kunstenaars als Theo van Doesburg, J.J.P. Oud en Vilmos Huszár. Aangetrokken tot het idee van De Stijl, dat de moderne kunst de weg wijst naar een betere toekomst, vertaalde ze bijdragen voor de tijdschriften De Stijl en Merz en bemiddelde bij de verkoop van werk van kunstenaars van De Stijl.

In 1917 vertrok Til Brugman naar Den Haag, waar ze introk bij haar vriendin, de zangeres Sienna Masthoff; in 1919 verhuisden ze naar de Ligusterstraat (nr. 20). De ‘letterkundige’ Brugman, zoals ze zich nu noemde, verdiende de kost als privélerares in acht moderne vreemde talen, Grieks en Latijn. Beïnvloed door De Stijl-principes schreef ze daarnaast klankgedichten – constructies waarbij het uitsluitend ging om klank, zonder enige verwijzing naar de werkelijkheid. Een van deze gedichten verscheen in De Stijl, maar voor haar bundel Klankzin vond ze geen uitgever.

In 1926 leerde Til Brugman in Kijkduin de Duitse dadaïste Hannah Höch kennen. Na een gezamenlijke reis door Frankrijk woonden ze samen in de Ligusterstraat, waar Höch haar atelier en Brugman haar taallespraktijk had, en in 1929 vertrokken ze naar Berlijn. Met haar fascinatie voor alle mogelijke taaluitingen en klanken en haar humor begon Brugman grotesken te schrijven, een binnen het dadaïsme populair genre. Door vermenging van het ernstige met het komische en het realistische met het fantastische wilde Brugman een ‘genezende lach’ over menselijke tekortkomingen opwekken. Haar in 1935 verschenen Scheingehacktes. Grotesken mit Zeichnungen von Hannah Höch, werd door Victor van Vriesland positief besproken. Toch zou het haar enige bundel blijven: de meeste van haar honderden grotesken, zowel in het Nederlands als in het Duits, bleven ongepubliceerd.

Laat romandebuut

In 1936 kwam er een einde aan de relatie van Til Brugman met Hanna Höch en een jaar later openbaarde zich bij Brugman een chronische nieraandoening – de rest van haar leven was ze nierpatiënt. Vanaf 1937 leefde ze samen met de negentien jaar jongere Hans Mertineit-Schnabel, een Duitse fabrikantsdochter die lerares Nederlands was. Het stel betrok in 1939 een flatje in de Amsterdamse Deurloostraat (nr. 61). In 1942 moesten ze wegens hulp aan Joden en verzetsmensen onderduiken in het gehucht Breukelerveen.

Pas na de bevrijding, in 1946, debuteerde de inmiddels 57-jarige Til Brugman bij De Bezige Bij met Bodem. Marcus van Boven, Gods knaap, een roman over een Amsterdamse katholieke jongen. Ze had de roman, die ze al in 1934 had voltooid, geschreven in een tot in het absurde doorgevoerde archaïsche stijl en doordrenkt met het loodzware katholicisme uit haar jeugd. Bordewijk noemde het ‘een zeer oorspronkelijk, zeer merkwaardig boek’, Van Greshoff deed het vernietigend af als ‘uitzinnig koddig’ (gecit. Slob, 65-66). Vanwege het vermeende anti-clericale karakter leidde het boek tot ophef in katholieke media, die het prompt tot verboden lectuur verklaarden. Het betekende voor Til Brugman het einde van haar contract met De Bezige Bij. In de periode die volgde, worstelde ze permanent met geldgebrek en met uitgevers – altijd (en vaak vergeefs) moest ze leuren met haar werk. Daar kwam bij dat ze vanaf 1946 leed aan angina pectoris. Om aan geld te komen verkocht Brugman haar kunstcollectie, met werk van onder anderen Mondriaan, Lissitzky en Schwitters.

Na een periode van omzwervingen tussen Amsterdam, Breukelerveen en Den Haag woonde Brugman vanaf 1948 met Mertineit-Schnabel in een houten vakantiehuisje aan de Elfhoevenplas in Reeuwijk. Daar schreef ze, vaak vanuit haar bed voor het raam met uitzicht over het water, in hoog tempo een uiteenlopend oeuvre van kinderboeken, novellen en romans, maar ook Wiben en de katten (1951), een cultuurgeschiedenis van de kat. In 1953 verscheen Spanningen, een roman die ze al in 1945 had geschreven en de neerslag was van haar teleurstelling over het naoorlogse gebrek aan solidariteit. Haar werk kwam uit bij acht verschillende uitgevers, waaronder De Driehoek, De Wereldbibliotheek, Van Goor, en Ploegsma.

Op 24 juli 1958, twee maanden voor haar zeventigste verjaardag, overleed Til Brugman in het Van Iterson-ziekenhuis in Gouda, tot het laatst toe verzorgd door haar vriendin Mertineit-Schnabel. Ze werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam.

Een groot mens die toevallig schreef

In 1952 kreeg Til Brugman de Novellenprijs van de stad Amsterdam en werd haar de Marianne Philipsprijs voor haar oeuvre toegekend. Verder kreeg ze voor haar werk weinig erkenning en een groot aantal manuscripten bleef ongepubliceerd. Haar grotesken werden gezien als té avant-gardistisch, terwijl haar naoorlogse werk, ‘één groot pleidooi voor verbeeldingskracht, saamhorigheid en optimisme, tegen afstomping, egocentrisme en fatalisme’ (Slob, 81) als te ethisch gold. Haar pedagogische idealisme – Brugmans levenslange geloof in esthetische en ethische opvoeding door de kunst – vond in de naoorlogse tijdgeest weinig weerklank. Velen vonden Til Brugman vooral als mens bijzonder; Kossmann typeerde haar als ‘een groot mens die toevallig schreef’ (gecit. Slob, 91). Na haar dood raakte haar werk in de vergetelheid. Pas ruim 25 jaar later ontstond er weer enige belangstelling voor Til Brugman, waarbij vooral haar leven als lesbische vrouw in de marge van de avant-garde werd herontdekt.

Naslagwerken

BWN

Archivalia

  • Stadsarchief, Amsterdam: Persoonskaarten 1939-1994.
  • Nederlands Letterkundig Museum, Den Haag: Collectie-M.M.P. Brugman.
  • Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: enkele brieven.
  • Berlinische Galerie, Berlijn: collectie-Hannah Höch.

Publicaties

Een uitgebreid overzicht van het werk van Til Brugman is te vinden in De mensen willen niet rijpen, vandaar’. Leven en werk van Til Brugman, 95-101.

Literatuur

  • Til Brugman – Hannah Höch, themanummer Lust&Gratie. Lesbisch Cultureel Tijdschrift 19 (herfst 1988).
  • Marleen Slob, ‘De mensen willen niet rijpen, vandaar’. Leven en werk van Til Brugman (Amsterdam 1994).
  • Carel Blotkamp, ‘Liebe Tiltil. Brieven van El Lissitzky en Kurt Schwitters aan Til Brugman, 1923-1926’, Jong Holland 13 (1997) 32-46.

Illustratie

in bestelling

Auteur: Marie-Cécile van Hintum (met dank aan Marleen Slob)

laatst gewijzigd: 29/06/2017