Canes, Saartje (1889-1966)

 
English | Nederlands

CANES, Saartje, vooral bekend onder het pseudoniem Stella Fontaine (geb. Amsterdam 4-4-1889 – gest. Amsterdam 9-3-1966), cabaretière, imitator, zangeres. Dochter van Mozes Canes (1868-1943), visverkoper, en Heintje Bolle (1869-1911), visverkoopster. Sara Canes trouwde op 22-5-1918 in Zaandam met Salomon Gazan (1890-1971), vleeshandelaar. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Saartje Canes was de oudste van een Joods middenstandsgezin in Amsterdam. Ze groeide met haar vijf broers en twee zussen (drie zussen waren jong overleden) op in de Jodenhouttuinen, een sloppenwijk op Uilenburg, waar haar vader een viswinkel had. Saartje werkte als machinebreister op een atelier, al wilde ze liever zingen. Voor zanglessen was geen geld, maar tijdens feestavonden van de loterijclub en bruiloften in de buurt stond ze wel op de planken.

Imitaties en Hollandse liedjes

Op advies van de humorist Louis Contran, een ver familielid, koos Saartje Canes in 1913 voor het muzikantenbestaan. Contran bedacht haar artiestennaam Stella Fontaine – naar ‘ster’ en een associatie met de Franse fabelschrijver. Kort voor de Eerste Wereldoorlog debuteerde ze in het Flora, een variététheater in de Amstelstraat. Haar optreden maakte weinig indruk, maar was wel de opstap naar een landelijke tournee met Contran. Tijdens de mobilisatie in 1914 hield ze in een zaaltje op het Rokin voordrachten voor de in garnizoen liggende soldaten.

Behalve als voordrachtkunstenares en soubrette excelleerde Stella Fontaine vooral in het imiteren van beroemde collega’s: een talent dat bij toeval was ontdekt in de kleedkamer. Het publiek kon roepen welke cabaretier ze moest nadoen, waarop ze de juiste houding aannam en een fraaie imitatie ten beste gaf van onder meer Margie Morris, Koos Speenhoff en Louis Davids; van soubrette Louise Fleuron is bekend dat ze niet gelukkig was met deze imitaties (Maas, 53). Vanaf 1915 stond Fontaine als ‘Hollandse liedjeszangeres’ in het Rotterdamse Casino tussen cabaretgrootheden als Speenhoff en Jean-Louis Pisuisse. Volgens een recensent beschikte zij over ‘een buitengewoon komisch talent’ (Rotterdamsch nieuwsblad, 18-9-1915). Een andere scribent loofde in oktober 1918 haar politieke stellingname: na afloop van een liedje had ze ‘vive la France’ geroepen, wat haar een open doekje opleverde (Algemeen Handelsblad, 19-10-1918).

In 1918 trouwde Saartje Canes met de Amsterdamse vleeshandelaar Salomon Gazan, en vier jaar later werd in hun woonplaats Amsterdam dochter Henny (1923-2008) geboren. Ook na haar huwelijk bleef ze als Stella Fontaine actief op het toneel en in concertzalen, zoals in cabaret La Gaîté in theater Tuschinski. Tijdens de internationale Kino-Tentoonstelling in het Amsterdamse Concertgebouw (1920) maakte ze een ‘zingende film’: bij de vertoning zong zij live haar liedjes voor het bioscooppubliek. In de jaren twintig begon Fontaine ook met belangeloze optredens voor filantropische initiatieven, zoals de Rotterdamse armenzorg en de hulp aan slachtoffers van de Kanto-aardbeving in Japan (1923).

Het repertoire van Stella Fontaine kwam van liedjesschrijvers als Dirk Witte, Maurice Dumas en Chef van Dijk. Ze zong hun liedjes voor de radio en maakte diverse grammofoonplaatopnamen. Haar eerste was Zusje, kun je mij soms ook vertellen (1919), met op de achterkant het door Witte eerst aan Pisuisse en toen aan haar opgedragen Handschoentje’s brief, over de onzekerheid van een vrouw die door haar geliefde in Nederlands-Indië is gevraagd met de handschoen te trouwen. Een van haar bekendste nummers was Nocturne, een trieste ballade over een verloren liefde. Haar sopraanstem was – volgens de auteur van een portret in Cinema & Theater (1931) – weinig krachtig, maar lag aangenaam in het gehoor en ze had een ‘voortreffelijke en beschaafde dictie’ (Van Raalte, 8). Rond 1930 voegde Fontaine haar imitaties samen tot een sketch, onder de naam ‘artisten-meeningen’. De Deense ster Asta Nielsen, met wie ze bevriend was, probeerde haar ook in het buitenland te introduceren, maar tot een Duitse tournee is het toen niet gekomen. In 1930 reisde Fontaine wel door Nederlands-Indië met het gezelschap van Speenhoff.

Joods-Duitse vluchtelingen

In 1933-1934 leidde Stella Fontaine samen met Jules Moes en Simon Dickson het operettegezelschap De Hoofdstad. Zelf speelde ze een Volendamse boerin in Alles O’Ké, een oorspronkelijk Tsjechische operette die ze in Praag had gezien. De Nederlandse bewerking leek haar ‘een kostelijk “geneesmiddel” tegen crisis-stemming’ in eigen land (Algemeen Handelsblad, 9-10-1933). Toen Fontaine in maart 1934 met de revue Het is toch zeker zo? een reeks voorstellingen in Dortmund ging doen, was dat tegen het zere been van de communisten. De Tribune noemde haar houding ‘karakterloos’. Het ‘Werkloozen Strijd Comité Obistraat’ schreeuwde onder het raam van haar woning: ‘Boycot Stella Fontaine, die in Hitler-Duitschland gaat werken’ (De Tribune, 1, 5, 12 en 22-3-1934). De voorstellingen in Dortmund waren een ramp: de artiesten werden geschoffeerd en de antisemitische schouwburgdirecteur verweet Fontaine te veel Joden te hebben meegenomen.

Tussen 1934 en 1936 trad Stella Fontaine op met twee vrije producties. De pers was weinig te spreken over haar bijdrage aan Mag ik er ook op, de revue van Wim Kan: een recensent schreef dat ze nauwelijks de tekst van haar liedjes wist te onthouden (Algemeen Handelsblad, 11-6-1935). Daarnaast verzorgde ze veel optredens voor Joods-Duitse vluchtelingen en Joodse blinden. Tijdens de oorlog verloor Stella Fontaine haar vader, vier broers en een zus in de Duitse vernietigingskampen. Zelf woonde ze tot 1943 met man en dochter in de Jodenbuurt (Lepelstraat 92) – erna doken ze onder bij bij de Amsterdamse familie De Haan en overleefden zo de oorlog.

Tijdens de bevrijdingsfeesten, eind juni 1945, trad Stella Fontaine weer op, samen met haar 22-jarige dochter. Twee jaar later was zij op de radio te horen in het populaire programma Bonte Dinsdagavondtrein. In 1949, op haar zestigste verjaardag, vierde ze haar afscheid van het toneel in de Kleine Komedie. Hierna trad zij nog slechts sporadisch op: bijvoorbeeld als gast in de cabaretvoorstelling Gastenboek (1952-1953) van Wim Sonneveld en in de daaropvolgende jaren belangeloos bij inzamelingsacties voor de Joodse Invalide.

In 1965 bezocht een verslaggever van het Vrije Volk de inmiddels 76-jarige Stella Fontaine thuis aan de Linnaeusparkweg (nr. 57) voor een interview. Ze was niet meer goed ter been, maar helder van geest en goedgemutst. Ze keek tevreden terug op haar leven: ‘Toneel is verrukkelijk. Dat vind ik nog’, (Vrije Volk, 9-7-1965). Stella Fontaine overleed op 9 maart 1966 in de ouderdom van 77 jaar en werd begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg.

Betekenis

Dankzij haar radio-optredens en grammofoonplaten genoot Stella Fontaine als imitator en zangeres landelijke bekendheid. Haar lied Zusje was volgens eigen zeggen zo populair dat je in vacatures voor slagersjongens kon lezen: ‘verboden “Zusje” te fluiten’ (Het Vrije volk, 24-10-1961). Wim Ibo noemde Fontaine een belangrijke schakel in de cabaretgeschiedenis: zij verving ‘de sfeer van de ouderwetse soubrette (genre Louise Fleuron)’ door de stijl van ‘de moderne cabaretière’ (En nu de moraal, 248). Haar komisch talent bleek vooral bij haar niet van echt te onderscheiden imitaties, maar ook schitterde ze als zangeres van het betere Nederlandstalige lied. Via haar dochter Henny, die ook koos voor de kleinkunst, is ze de grootmoeder van presentatrice Dieuwertje Blok.

Naslagwerken

Honig; Joden in Nederland; Joods Amsterdam.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam: archiefkaart.

Werk

Stella Fontaine maakte ruim veertig plaatopnamen voor verschillende maatschappijen. Haar lied Mijn jubileum (1929) is te vinden op cd Joodse amusementsartiesten. Draaien, altijd maar draaien (TIN; Amsterdam 1995) en Weg met de lange rok (1930) op de cd Humor klassieken. Historische humor 1905-1950 (TIN; Amsterdam 1998).

Literatuur

  • Algemeen Handelsblad, 29-9-1914.
  • Nieuwe Rotterdamsche Courant, 17-9-1915.
  • De Tribune, 1, 5, 12 en 22-3-1934.
  • Arn. van Raalte jr., ‘Onbekende feiten van bekende artisten’, Cinema & Theater 383 (30-5-1931) 8.
  • ‘Amsterdamsche kroniek’, Cinema & Theater (1933) 11.
  • Het Vrije Volk, 9-7-1965 [interview].
  • Wim Ibo, En nu de moraal van dit lied. Overzicht van 75 jaar Nederlands cabaret (Amsterdam 1970) 334.
  • Jacques Klöters, ‘Het verschil tussen Sammy lieb en huilebakken zonder zelfspot’, Nieuw Israelietisch weekblad, 27-8-1993.
  • Martin Maas, ‘Stella Fontaine (1889-1966). De jolige imitatrice’, Misjpoge 28 (2015) nr. 2, 51-59.

Illustratie

Stella Fontaine bij een portret van zichzelf, door onbekende fotograaf, ca. 1955 (Collectie Theater in Nederland).

Auteur: Maarten Hell

laatst gewijzigd: 08/11/2017