Cate Hoedemaker, Geertruida Catharina ten (1828-1907)

 
English | Nederlands

CATE HOEDEMAKER, Geertruida Catharina ten, vooral bekend als Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker (geb. Lonneker 1-1-1828 – gest. Ambt Almelo 3-5-1907), amateurschilderes. Dochter van Hendrik ten Cate Hoedemaker (1787-1836), fabrikeur en oeconoom, en Hendrikjen Walkate (1795-1839), bij huwelijk gouvernante. Geertruida Catharina ten Cate Hoedemaker trouwde op 17-12-1852 in Hengelo met Barend Gorter (1828-1913), zeepzieder en assuradeur. Uit dit huwelijk werden 7 dochters en 5 zoons geboren.

Geertruida ten Cate Hoedemaker werd in Lonneker geboren als zesde van acht kinderen in een doopsgezind gezin. Haar familie van vaderszijde was gelieerd aan bekende Twentse textielfamilies als Blijdenstein, Willink, Van Heek, Jannink en Ter Kuile. Vader Hendrik was zelf werkzaam als fabrikeur en later als ‘oeconoom’ (beheerder financiën) in een klooster. Hij stierf in 1836. Toen drie jaar later ook haar moeder overleed, werd de elfjarige Geertruida ondergebracht bij een kinderloze oom en tante in Hengelo, de doopsgezinde predikant Herman ten Cate en Anna J. Paschen. Uit haar jeugd zijn enkele (romantische) notities en brieven bekend. Als jong meisje begon Geertruida al met schilderen: op zestienjarige leeftijd maakte ze een portret van haar oom. Mogelijk werd zij hierin gestimuleerd door haar nicht Alida Blijdenstein, die evenals enkele andere vrouwelijke familieleden schilderde en in 1846 de toen achttienjarige Geertruida portretteerde.

Stillevens en portretten

In 1852 trouwde Geertruida ten Cate Hoedemaker in Hengelo met de uit Sneek afkomstige en eveneens doopsgezinde Barend Gorter, die met een compagnon in Almelo een zeepziederij was begonnen. Het echtpaar vestigde zich in Almelo en kreeg tussen 1853 en 1866 twaalf kinderen: zeven dochters en vijf zoons, die Geertruida blijkens een portret van omstreeks 1863 voor die tijd heel modern kleedde. Vanaf 1862 woonde het gezin aan de Bornsestraat (nr. 293) in Ambt Almelo, waar Gorter-ten Cate Hoedemaker en haar man een stuk bos- en weidegrond hadden gekocht en Huize Friso lieten bouwen (het huis is in 2016 gesloopt).

Ondanks haar grote gezin vond Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker tijd om te blijven schilderen. Zij maakte voornamelijk aquarellen in heldere kleuren, maar er zijn ook enkele olieverfschilderijen van haar hand bekend. Ze schilderde vooral bloemstillevens. Rondom Huize Friso, dat opvallend grote ramen had (mogelijk ook vanwege haar schilderactiviteiten), bevond zich een grote tuin met veel zelfgekweekte bloemen die ze gebruikte voor haar stillevens – vooral haar rozen waren bijzonder. Behalve stillevens maakte ze portretten van haar kinderen en andere familieleden.

Gorter-ten Cate Hoedemaker kreeg ‘wenken’ van de schilders en tekenleraren Hendrik Valkenburg en Jan Derk Huibers, die in Almelo en Zwolle les gaven – Huibers was later de leermeester van Geertruida’s zoon Arnold Marc, die een bekend landschapsschilder werd. Ook kreeg zij zeer waarschijnlijk advies van de Haagse bloemschilderes Gerardina van de Sande Bakhuyzen, die met haar eveneens schilderende broer Julius regelmatig in Twente kwam werken en ook Huize Friso bezocht.

Regelmatig exposeerde Gorter-ten Cate Hoedemaker in groeps- en verenigingsverband. Zij was lid van het Utrechtse Genootschap Kunstliefde, dat onder andere in 1897 in Almelo exposeerde. Vanaf 1877 deed ze mee aan de (verkoop)tentoonstellingen van Levende Meesters. Vier werken werden in 1882 getoond op de tentoonstelling van Kunstwerken door vrouwen vervaardigd in de Kunstzaal van het Panorama-gebouw in Amsterdam en twee in 1892 op een tentoonstelling met andere Overijsselse kunstenaars in Zwolle. In 1894 exposeerde Gorter-ten Cate Hoedemaker bij de Levende Meesters in Rotterdam samen met onder anderen haar zoon Arnold Marc, in 1901/1902 bij de Nederlandsch Indische Kunstkring in Batavia tegelijk met haar dochter Jeannette Koning-Gorter, die daar woonde en eveneens schilderde. Enkele aquarellen van Gorter-ten Cate Hoedemaker werden anoniem verkocht ten bate van de Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging Tesselschade, waarbij zij zich (vóór 1881) als ‘werkster’ had aangesloten.

Toen Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker op 1 januari 1898 zeventig jaar werd, schreef Agatha Snellen in De Wereldkroniek een artikel over haar leven en werk onder de titel ‘Eene Rozenkoningin’, waarin onder meer valt te lezen dat in de loop der jaren ‘hare stukken al meer en meer gunstig werden gerecenseerd en ook hoe langer hoe meer verkocht’. De opbrengst schonk zij meestal aan de gezinnen van haar kinderen. Snellen vermeldt ook dat Gorter-ten Cate Hoedemaker in toenemende mate doof was geworden en de contacten binnen de familiekring daarom later voornamelijk schriftelijk onderhield.

Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker stierf op 3 mei 1907 op 79-jarige leeftijd in Ambt Almelo; tot haar dood was ze blijven schilderen. Op 5 maart 1915, anderhalf jaar na de dood van haar echtgenoot, werd de inboedel van Huize Friso geveild, waaronder honderdtwintig aquarellen van haar hand. In september 1916 werden in Enschede nog eens dertig schilderijen en aquarellen geveild. De opbrengst was bestemd voor liefdadige doelen.

Betekenis

Het werk van Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker bleef altijd in kleine kring in Twente bekend en hing bij velen aan de muur. In 1997 werd een tentoonstelling aan haar gewijd in het Museum voor Heemkunde in Almelo en in 2017 in Museum Bussemakerhuis, ooit het woonhuis van haar oudste dochter, Hinke Bussemaker-Gorter.

Naslagwerken

Scheen.

Archivalia

  • RKD, Den Haag: tentoonstellingsdocumentatie Levende Meesters; PDO.
  • Paul Gorter, Vorden (archief familie Gorter-ten Cate Hoedemaker) .

Werk

Werk van Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker bevindt zich – behalve in privécollecties – in het Stadsmuseum Almelo en in Museum Bussemakerhuis Borne.

Literatuur

  • Catalogus van de tentoonstelling van kunstwerken door vrouwen vervaardigd, in de Kunstzaal van het Panorama-gebouw, Plantage tegenover Artis (Amsterdam 1882) 6.
  • N. Ellensa [pseud. Agatha Snellen], ‘Eene Rozenkoningin’, De Wereldkroniek 4 (1897) nr. 39, 1.
  • De Rozenkoningin. Geertruida Gorter-ten Cate Hoedenmaker, tentoonstellingscatalogus Museum voor Heemkunde Almelo (Almelo 1997).
  • Tina Hammer-Stroeve, Familiezoet. Vrouwen in een ondernemerselite, Enschede 1800-1940 (Zutphen 2001) 167.
  • Paul Gorter, A.M. Gorter (1866-1933). Schilder van het Oost-Nederlands landschap (Zutphen 2011) 7, 10-22, 33, 55-60, 134 [met lijst van exposities].

Illustraties

  • Geertruida C. Gorter-ten Cate Hoedemaker. A. Greiner, ca. 1860 (particuliere collectie).
  • Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker, Rozen, aquarel ongedateerd (privéverzameling).

Auteur: Lamberthe de Jong (met dank aan Paul Gorter)

laatst gewijzigd: 12/09/2017