Coppier, Margaretha (ca. 1516-1597)

COPPIER, Margaretha, vooral bekend als Margaretha van Kalslagen (geb. Alphen a/d Rijn? ca. 1516 – gest. Breda 1597), heldin van de mislukte aanslag op Antwerpen in 1574. Dochter van Jacob Coppier, heer van Kalslagen (ca. 1460-1532) en Margaretha van Roon (gest. 1555). Margaretha Coppier trouwde (1) met Joachim Polites (gest. 1569), geleerde, vanaf 1541 griffier van Antwerpen; (2) met Willem Martini (gest. 1629), griffier van Antwerpen. Beide huwelijken bleven kinderloos.

Margaretha Cop(p)ier was het derde van de vier kinderen en de tweede dochter van de Hollandse edelman Jacob Coppier, heer van Kalslagen, ambachtsheer van Alphen. Over de jeugd van Margaretha, soms abusievelijk Maria genoemd, is niets bekend. Zij moet in rijkdom zijn opgegroeid. Haar vader had een buiten in Boskoop en bij Leiden en bezat diverse hoeves. Hij stierf na een ongeluk met op hol geslagen paarden voor een rijtuig toen Margaretha ongeveer zestien jaar oud was. Haar moeder, Margaretha van Roon, hertrouwde tweemaal: eerst met de edelman Zeger van Alveringen (gest. 1543), daarna met de hoge ambtenaar Everard Nicolai (1498-1561). Margaretha had in ieder geval nog drie halfbroers: Andries Coppier (gest. 1574), bastaard van haar vader, en Josua en Samuel van Alveringen, zoons uit haar moeders tweede huwelijk. Al haar (half)broers behoorden tot de actieve aanhangers van de partij van de opstand tegen het Spaanse gezag.

Huwelijksdata zijn niet bekend, maar zeker is dat Margaretha Coppier eerst trouwde met de oorspronkelijk uit Goes afkomstige jurist mr. Joachim Burgher, die de gelatiniseerde naam Polites gebruikte, en na diens dood in 1569 met de Antwerpenaar Willem Martini. Polites was een veelzijdig geleerde, dichter en muziekliefhebber. Hij had gestudeerd aan de universiteiten van Leuven, Parijs en Padua, en leefde aanvankelijk van lesgeven totdat hij in 1541 werd benoemd tot griffier van Antwerpen. Waarschijnlijk is Margaretha na deze benoeming met hem getrouwd. Van hem wordt gezegd dat hij via zijn huwelijk grote rijkdom verwierf. Het echtpaar bezat een buiten bij Beerschot (nu de Antwerpse wijk Kiel) en liet een prachtig ingerichte woning bouwen in de Kerkstraat bij de Sint Andrieskerk. Margaretha’s tweede echtgenoot, Willem (Guillaume) Martini, was aanvankelijk lid van de Raad van Brabant en werd in 1565 benoemd tot griffier van Antwerpen. Het lijkt er dus op dat Margaretha na de dood van haar eerste man is getrouwd met diens opvolger.

Reputatie

Margaretha Coppier dankt haar bekendheid aan Pieter Cornelisz. Hooft. In zijn Nederlandsche historiën (1647) doet Hooft uitgebreid verslag van de door haar getoonde moed in december 1574, een verhaal dat in bedekte termen reeds door Pieter Bor was verteld in zijn Oorsprongh, begin ende vervolgh der Nederlantsche oorloghen (1621). In 1574 had Willem van Oranje het plan opgevat Antwerpen van binnenuit tot de partij van de Opstand over te halen, en daarom waren enkele duizenden soldaten de stad binnengesmokkeld. Zij vonden onderdak in de herbergen van de stad, onder andere in De Drie Snoekjes, waar Margaretha’s halfbroer Andries zegelaar was – een positie die hij via bemiddeling van zijn zwager had verkregen. Hij zorgde ervoor dat de soldaten te eten en te drinken kregen. Ook stadsgriffier Martini zat in het complot. De Spaanse landvoogd Requesens had er echter lucht van gekregen dat er iets in de stad gaande was. Hij had daarom een grote troepenmacht naar de stad gestuurd om alle poorten af te sluiten, iedere verdachte op te pakken en overal huiszoeking te doen. Andries Coppier werd gevangengenomen en bezweek aan de martelingen die hij moest ondergaan, maar had niets losgelaten. Bovendien had hij zijn zus en zwager nog weten te waarschuwen dat ook zij werden verdacht.

In het huis van Margaretha Coppier en Willem Martini, waarschijnlijk het huis in de Kerkstraat, hadden zich intussen de leiders van het complot verstopt. Dat waren Maarten Neijen, griffier van de Rekenkamer van Antwerpen, en twee geuzen: Nicolaas Ruichaver en Josua Alveringen. Nog net op tijd kon Margaretha de drie mannen verbergen in het rookhok van de schoorsteen en in een tafelkast. Terwijl de mannen hun best moesten doen om geen geluid te maken, stond ze de huiszoekers onverschrokken te woord. Zelfs toen men besloot om daar ter plaatse, op de zojuist genoemde tafelkast, een plakkaat uit te schrijven waarin een grote beloning op de hoofden van deze drie voormannen werd gezet, gaf zij geen krimp. Bor vertelt het verhaal zonder namen te noemen, omdat hij de betrokkenen – die nog in leven waren in de Spaanse Nederlanden – niet in verlegenheid wil brengen, maar Hooft noemt iedereen met naam en toenaam. Alleen Margaretha’s verwantschap met Josua van Alveringen is hem kennelijk ontgaan, met het gevolg dat daar in de latere versies van dit verhaal over het optreden van Margaretha Coppier nooit op wordt gewezen.

Het is dankzij het koelbloedige optreden van Margaretha Coppier en de standvastigheid van haar echtgenoot, zo is in de historiografie benadrukt, dat er bij de mislukte aanslag op Antwerpen slechts drie mensen de dood hebben gevonden, terwijl duizenden mensen (zowel soldaten als stadsbestuurders) ervan wisten. In 1839 is het verhaal door de publicist Nepveu omgewerkt tot een historische roman die hij in afleveringen publiceerde in De Gids. Hij vertelt de gebeurtenissen vanuit het perspectief van Margaretha’s zus Bertha, die ooit de geliefde was van Maarten Neijen, maar zich gaf aan de bruut Josua van Alveringen om het leven van haar geliefde te redden. Kennelijk wist ook hij niet van de bloedverwantschap. De roman van Nepveu heeft de schilder Valentijn Bing waarschijnlijk op zijn beurt geïnspireerd tot een historiestuk dat hij in 1842 schilderde. Het werd in 1843 met een samenvatting van het verhaal als toelichting tentoongesteld, maar nadien is het stuk lange tijd aangezien voor een voorstelling van Maria van Reigersberch die haar man in een kist verstopte. Zo bekend was het verhaal van de onverschrokkenheid van Margaretha Coppier kennelijk ook weer niet.

Meer is er over het leven van Margaretha Coppier niet bekend. Vermoedelijk heeft zij Antwerpen samen met haar man in 1585 verlaten. Volgens het lemma Polites in de Belgische Biographie Nationale stierf zij in 1597 in Breda, zonder kinderen na te laten.

Naslagwerken

Van der Aa; Biographie Nationale [onder Polites]; Chalmot; Kobus/De Rivecourt; Verwoert.

Archivilia

CBG, Den Haag: vier dossiers Coppier.

Literatuur

  • Pieter Bor, Oorsprongh, begin ende vervolgh der Nederlantsche oorloghen, deel 1 (Amsterdam 1621) 586-589.
  • P.C. Hooft, Nederlandsche historiën (4de druk; Amsterdam 1703 [oorspr. 1647]) 406.
  • Gerard van Loon, Beschryving der Nederlandsche historiepenningen 1 (Den Haag 1723) 200-202.
  • H.N. van Til, ‘Margaretha van Kalslagen’, in: Idem, De belangrijkste Nederlandsche vrouwen van vroegeren en lateren tijd, in geschiedkundige en zedelijke tafereelen geschetst (Zutphen 1828) 96-101.
  • J.I.D. Nepveu, ‘Bertha Coppier. Een verhaal’, De Gids 3 (1839) 125-151, 173-202, 221-254, 269-296 [heruitgegeven onder de titel Bertha Coppier (Den Haag 1840)].
  • Het vaderlandsch gevoel. Vergeten negentiende-eeuwse schilderijen over onze geschiedenis. Tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum Amsterdam (Amsterdam 1978) 110-111.

Illustraties

  • Gravure van de gedenkpenning van Margreta van Kalslagen, echtgenote van Jochem Polites, 1723. Uit: G. van Loon (UB, UvA).
  • Historiestuk (‘Maria van Kalslagen redt, door hare onverschrokkenheid, drie der samengezworenen van de prins van Oranje, welke zich voor de vervolging der Spanjaarden, ten huize van de griffier Martini hadden verborgen’) door Valentijn Bing, 1842 (Slochteren, Fraeylemaborg, Collectie Gerrit van Houten-Stichting).

Auteur: Els Kloek

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 109

laatst gewijzigd: 13/01/2014