Glauber, Diana (1650?-na 1721)

 
English | Nederlands

GLAUBER, Diana (ged. Amsterdam 11-1-1650? – gest. Hamburg na 1721), schilderes van portretten en historiestukken. Dochter van Johann Rudolph Glauber (1604-1670), apotheker en chemicus, en Helena Cornelisdr. (1614/15-na ca. 1689). Een huwelijk van Diana Glauber is niet bekend.

Houbraken vermeldt Diana Glauber in zijn Groote schouburgh (1721), na de biografieën van haar broers, de schilders Johannes en Jan Gottlieb. Hij schrijft: ‘Onze Johannes Glauber heeft ook een zuster Diana Glauber genaamd, die de penseelkunst beoefend heeft, en fraaie beelden en portretten geschilderd; doch bedroefde toevallen hebben haar ogen (tot nadeel van de kunst) van ’t zien beroofd. Zij is nog in leven en woont te Hamburg’ (Houbraken, 220).

Diana Glauber was een dochter van de bekende Duitse apotheker en chemicus Johann Rudolph Glauber en diens eveneens Duitse vrouw Helena Cornelisdr., die in Amsterdam waren getrouwd en samen acht kinderen zouden krijgen. In de literatuur is meestal te lezen dat Diana in 1650 werd geboren in Utrecht, volgens Houbraken de geboorteplaats van haar broer Johannes. Als zij inderdaad in 1650 is geboren, zoals Pilkington al in 1770 – zonder bronvermelding – stelde, is het echter aannemelijker dat Amsterdam haar geboorteplaats was. Daar liet Johan Rudolph Glauber op 11 januari in de evangelisch-lutherse kerk inderdaad een dochter dopen. Hoewel deze dochter Geertrui heette, en niet Diana, is het mogelijk dat Geertrui later als schilderes zelf voor deze naam heeft gekozen. Het is onduidelijk het hoeveelste kind in het gezin zij was. Bekend is dat het oudste kind een dochter was, Anna (1641). Johannes (1646) was waarschijnlijk de oudste zoon. In 1651 zou er in Amsterdam een zoon Alexander gedoopt zijn. Vader Johann Rudolph was toen al naar Duitsland vertrokken, waarheen zijn gezin hem waarschijnlijk in 1651 volgde. De jonge Diana moet een deel van haar kinderjaren hebben doorgebracht in onder andere Wertheim, Kitzingen – waar in 1653 haar zusje Johanna werd geboren – en Frankfurt. De reeds genoemde Jan Gottlieb werd geboren in 1656, mogelijk in Amsterdam, waar Johann Rudolph Glauber zich in dat jaar weer vestigde. Aanvankelijk woonden de Glaubers op de Keizersgracht. In 1660 verhuisden ze naar een huis met verschillende bijgebouwen aan de Looiersgracht, waar Glauber zijn laboratoria inrichtte. Ongeveer een jaar later betrokken zij een ander pand aan dezelfde gracht, waarschijnlijk in hetzelfde complex.

Diana’s vader Johann Rudolph Glauber, als autodidact een omstreden chemicus, komt uit zijn publicaties naar voren als een verongelijkte en moeilijke man die overal mensen zag die achter zijn procedés aan zaten en die daarvoor zelfs: ‘versuchen es an den Kindern von ihnen aus zu locken/ wormit der Vater umbgehet/ […] und wann sie nichts erlangen können/ so verhetzen sie die Kinder gegen die Aeltern’ (proberen aan zijn kinderen te ontfutselen waar hun vader mee bezig is […] en als hun dat niet lukt, hitsen ze de kinderen tegen hun ouders op) (Glauber 1667, 48). De verhouding met zijn kinderen lijkt inderdaad niet optimaal te zijn geweest. In 1667 schrijft hij dat geen van zijn acht kinderen heeft gekozen voor de alchemie en dat hij hun  – heel grootmoedig – de vrije keus heeft gelaten: ‘ein theil davon haben das mahlen gelernet/ so wohl Jungens als Mägdkens/ andere etwas anders’ (een deel van hen heeft schilderen geleerd, zowel jongens als meisjes, anderen iets anders) (Idem, 23-24). Een jaar later beklaagt hij er zich echter over dat zijn kinderen niet in zijn voetsporen hebben willen treden: zij willen hem niet helpen maar doen wat ze willen, en volgen het slechte voorbeeld van andere – boze – mensen (Glauber 1668, 51). Uit Houbrakens biografie van Johannes blijkt eveneens dat deze door zijn vader werd gedwarsboomd in zijn wens schilder te worden. Desondanks zou Johannes Glauber een bekend schilder van italianiserende landschappen worden en men krijgt de indruk dat hij de weg heeft gebaand voor zijn schilderende broer en zuster(s) – vader Johann Rudolph spreekt van ‘Mägdkens’. Het is dan ook aannemelijk dat Diana het schilderen leerde van haar broer.

Voor de reis (of reizen) naar Italië die Diana volgens de meeste lexica met haar broers gemaakt zou hebben, bestaat geen concreet bewijs. Houbraken vermeldt zo’n reis in Johannes’ biografie, maar noemt Diana niet als reisgenote van haar broers. Volgens een aan Diana Glauber gewijd lemma in een Hamburgs kunstenaarslexicon van het eind van de achttiende eeuw – dat niet op de geijkte informatie van Houbraken lijkt te zijn gebaseerd –  maakte Diana deze Italiaanse reis wel, met de toevoeging dat zij daar ‘die Bilder der größten Meister copirte, und sich dadurch selbst zu einer geschickten Künstlerin bildete’ (Eckhardt 1794, 18). Volgens hetzelfde lexicon begeleidde zij Johannes eveneens op reizen door Frankrijk, Duitsland en Denemarken, om zich vervolgens, zoals ook Houbraken schrijft, in Hamburg te vestigen. Bekend is dat Johannes en Jan Gottlieb daar aan het begin van de jaren tachtig woonden en uit een notariële akte uit het Amsterdamse archief weten we dat ook hun moeder en oudste zuster Anna zich daar hadden gevestigd.

De ‘fraaie beelden’ (historiestukken) en portretten van Diana Glauber die Houbraken noemt, zijn voor zover bekend niet bewaard gebleven. Wel worden er in oude bronnen verschillende schilderijen vermeld die zij gemaakt moet hebben. Zo worden in enkele achttiende-eeuwse beschrijvingen van de schilderijengalerij van het lustslot Salzdahlum van hertog Anton-Ulrich van Braunschweig-Lüneburg zes schilderijen genoemd van ‘Diane Glauberin’. Vijf ervan vormden een serie van de vijf zinnen. Hoewel er dus geen werk van Diana Glauber bekend is, weten we dankzij het reeds genoemde Hamburgse lexicon toch iets over haar stijl: ‘Sie zeichnete ziemlich richtig, mahlte rein und ausführlich, aber in einem sehr schwarzbraunen Colorite’ (Eckhardt 1794, 18).

Vooralsnog is Houbrakens mededeling dat zij in 1721 nog in leven was en in Hamburg woonde het laatste ‘levensteken’ dat wij van Diana Glauber hebben.

Naslagwerken

Van der Aa; Delvenne; Houbraken [onder J. Glauber]; Immerzeel [onder J.G. Glauber]; Kobus/De Rivecourt [onder J.G. Glauber]; Kok; Kramm; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; Petteys; Regt; Saur; Thieme [onder J. Glauber]; Verwoert; Wurzbach.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam: DTB, Dopen 142 (Luthers), p. 175 [Geertrui Glauber, 11-1-1650]; Notarieel Archief, inv.nr. 5586 (not. A. du Moulin), d.d. 30-4-1689 [Johannes Glauber machtigt Anna Glauber te Hamburg]; inv.nr. 5323 (not. C. IJpelaar), d.d. 5-7-1683 [schilderij ‘Een Juffr. Met een kindt door Juffr. Globers’ in boedelinventaris van T. van den Bergh en A. de Man]. Zie ook: The Getty Provenance Index Databases.

Literatuur

  • J.R. Glauber, De tribus lapidibus (Amsterdam 1667) 23- 24, 48-49.
  • J.R. Glauber, De purgatorio philosophorum oder von dem Fegfewer der Weysen (Amsterdam 1668) 51.
  • M. Pilkington, The gentleman’s and connoisseur’s dictionary of painters (Londen 1770) 258.
  • Catalogus einer auserlesenen Sammlung Cabinet-Mahlereyen, veilingcatalogus (Köster), 30-10-1778, nr. 173.
  • G.L. Eckhardt, Hamburgische Künstlernachrichten. Supplemente zu Füeßli’s Künstlerlexicon (Hamburg 1794) 17-18.
  • Hamburgisches Künstler-Lexikon: die bildenden Künstler (1854) 89.
  • G.F. Klemm, Die Frauen: culturgeschichtliche Schilderungen des Zustandes und Einflusses der Frauen in den verschiedenen Zonen und Zeitältern, deel 5 (Dresden 1858) 269.
  • H. Gerson, Ausbreitung und Nachwirkung der holländischen Malerei des 17. Jh. (Haarlem 1942) 59, 167, 216.  
  • D.A. Wittop Koning, ‘J.R. Glauber in Amsterdam’, Jaarboek Amstelodamum 44 (1950) 1-6.
  • J.T. Young, ‘Universal medicines: Johann Rudolph Glauber and his reception in England’, in: Idem, Faith, medical alchemy and natural philosophy: Johann Moriaen, reformed intelligencer, and the Hartlib Circle (Aldershot 1998) 183-207, aldaar 186-187, 190-193, 195-196.
  • P.H. Smith, The body of the artisan: art and experience in the scientific revolution (Chicago/Londen 2004) 177, 178, 292.
  • R. Lambour, ‘De alchemistische wereld van Galenus Abrahamsz (1622-1706)’, Doopsgezinde Bijdragen 31 (2005) 93-168, aldaar 116-121, 131.
  • H. Wittig, Das fürstliche Lustschloss Salzdahlum, deel 1 (Norderstedt 2005) 89-92.
  • J. Schmidt-Liebich, Lexikon der Künstlerinnen 1700-1900, Deutschland, Österreich, Schweiz (München 2005) 164.

Auteur: Marloes Huiskamp

Vooralsnog is Houbrakens mededeling dat zij in 1721 nog in leven was en in Hamburg woonde het laatste ‘levensteken’ dat wij van Diana Glauber hebben.

Naslagwerken

Van der Aa; Delvenne; Houbraken [onder J. Glauber]; Immerzeel [onder J.G. Glauber]; Kobus/De Rivecourt [onder J.G. Glauber]; Kok; Kramm; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; Petteys; Regt; Saur; Thieme [onder J. Glauber]; Verwoert; Wurzbach.

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam: DTB, Dopen 142 (Luthers), p. 175 [Geertrui Glauber, 11-1-1650]; Notarieel Archief, inv.nr. 5586 (not. A. du Moulin), d.d. 30-4-1689 [Johannes Glauber machtigt Anna Glauber te Hamburg]; inv.nr. 5323 (not. C. IJpelaar), d.d. 5-7-1683 [schilderij ‘Een Juffr. Met een kindt door Juffr. Globers’ in boedelinventaris van T. van den Bergh en A. de Man]. Zie ook: The Getty Provenance Index Databases.

Literatuur

  • J.R. Glauber, De tribus lapidibus (Amsterdam 1667) 23- 24, 48-49.
  • J.R. Glauber, De purgatorio philosophorum oder von dem Fegfewer der Weysen (Amsterdam 1668) 51.
  • M. Pilkington, The gentleman’s and connoisseur’s dictionary of painters (Londen 1770) 258.
  • Catalogus einer auserlesenen Sammlung Cabinet-Mahlereyen, veilingcatalogus (Köster), 30-10-1778, nr. 173.
  • G.L. Eckhardt, Hamburgische Künstlernachrichten. Supplemente zu Füeßli’s Künstlerlexicon (Hamburg 1794) 17-18.
  • Hamburgisches Künstler-Lexikon: die bildenden Künstler (1854) 89.
  • G.F. Klemm, Die Frauen: culturgeschichtliche Schilderungen des Zustandes und Einflusses der Frauen in den verschiedenen Zonen und Zeitältern, deel 5 (Dresden 1858) 269.
  • H. Gerson, Ausbreitung und Nachwirkung der holländischen Malerei des 17. Jh. (Haarlem 1942) 59, 167, 216.  
  • D.A. Wittop Koning, ‘J.R. Glauber in Amsterdam’, Jaarboek Amstelodamum 44 (1950) 1-6.
  • J.T. Young, ‘Universal medicines: Johann Rudolph Glauber and his reception in England’, in: Idem, Faith, medical alchemy and natural philosophy: Johann Moriaen, reformed intelligencer, and the Hartlib Circle (Aldershot 1998) 183-207, aldaar 186-187, 190-193, 195-196.
  • P.H. Smith, The body of the artisan: art and experience in the scientific revolution (Chicago/Londen 2004) 177, 178, 292.
  • R. Lambour, ‘De alchemistische wereld van Galenus Abrahamsz (1622-1706)’, Doopsgezinde Bijdragen 31 (2005) 93-168, aldaar 116-121, 131.
  • H. Wittig, Das fürstliche Lustschloss Salzdahlum, deel 1 (Norderstedt 2005) 89-92.
  • J. Schmidt-Liebich, Lexikon der Künstlerinnen 1700-1900, Deutschland, Österreich, Schweiz (München 2005) 164.

Auteur: Marloes Huiskamp

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 354

laatst gewijzigd: 13/01/2014