Doelder, Maria Theodora Mathilda de (1938-1977)

 
English | Nederlands

DOELDER, Maria Theodora Mathilda de, vooral bekend als Mathilde Willink (geb. Terneuzen 7-7-1938 – gest. Amsterdam 25-10-1977), stewardess, wandelend kunstwerk. Dochter van Pierre Jean Baptiste de Doelder (1908-1968), hoofdwerktuigkundige, en Elisabeth Adriana Cové (1907-2003). Mathilde Willink trouwde (1) op 17-2-1969 in Amsterdam met Albert Carel Willink (1900–1983), schilder. Dit huwelijk werd op 2-6-1977 ontbonden; (2) ging op 6-7-1977 in Driebergen-Rijsenburg in ondertrouw met George C.P. Mulder (ca. 1952), kunsthandelaar. Beide relaties bleven kinderloos.

Mathilda (Tilly) de Doelder werd als oudste van vijf dochters geboren. Doordat haar vader was hoofdwerktuigkundige bij Shell. Omdat hij veel van huis was en ze niet goed kon opschieten met haar moeder, groeide ze voornamelijk op in het huis van haar vaders broer, Frans de Doelder, en zijn vrouw Nel. In 1950 ging ze naar het Petrus Hondius Lyceum, waar ze in 1956 cum laude eindexamen deed. Het Latijn dat ze daar leerde, verwerkte ze later in aquarellen die ze aan modeontwerpster Fong Leng zou schenken. Op het gymnasium had ze een verhouding met haar geschiedenisleraar Camiel Lekkerkerker.

In 1958 vertrok Tilly de Doelder naar Amsterdam om kunstgeschiedenis te studeren. Was ze tot dan een ingetogen en verlegen meisje geweest, na een jaar in Amsterdam liet ze zich Mathilde noemen en mat ze zich een uitbundige levensstijl aan. Ondertussen werkte ze als administratief medewerkster bij boekhandel Allert de Lange. In 1960 kreeg ze een verhouding met de veel oudere psychotherapeut Julius Bierens de Haan, die haar voorstelde aan de schilder Carel Willink. Vanaf die tijd – ze was toen 21 – had ze een verhouding met Willink.

Mathilde tekende in 1963 een vijfjarig contract als stewardess bij de KLM. Dit was opmerkelijk, want al slaagde ze met lof voor de praktijktest, de uitslag van de psychologische test was ‘onberekenbare persoonlijkheid’. In 1968 liep haar contract af en een jaar erna trouwde ze met Carel Willink, waarna ze bekend werd onder de naam Mathilde Willink. Met hulp van haar man probeerde ze een carrière als beeldend kunstenares op te bouwen. Het echtpaar bewoonde een statig huis aan de Ruysdaelkade in Amsterdam.

Vanaf 1972 trad Mathilde Willink op als levende ‘reclamezuil’ voor de kledingontwerpen van Fong Leng. Deze bezorgde Willink tot haar dood toe haar extravagante creaties, die exotische namen droegen als ‘Chinese daktuin’, ‘Woeste hoogte’ en ‘Paradijsvogel’. Willink trok ook de aandacht van de roddelpers, waardoor ze steeds vaker ‘besproken’ werd in bijvoorbeeld de rubriek ‘Privé’ van De Telegraaf. Na een voor haar vervelend vraaggesprek met Henk van der Meyden in diens programma TV-privé was haar naam voorgoed gevestigd. In de uitzending weigerde ze een boeket witte rozen aan te nemen: ‘Ik gooi ze in de gracht’, riep ze woedend.

Op 16 oktober 1974 ging Willink werken bij Galerie Artim in Den Haag. Een jaar later brak Carel met haar. Uit woede over zijn verhouding met mannequin Andrée Rupp en beeldhouwster Sylvia Quiël vernielde ze zijn schilderij ‘Portret van Mathilde’ (1963) met een broodmes. Dit schilderij werd later gerestaureerd. Mathilde eiste een voorschot op de financiële regeling van de echtscheiding en vertrok hiermee naar New York, met de bedoeling de vriendin van de Spaanse schilder Salvador Dali te worden. Toen dit mislukte moest ze vanwege haar uitbundige levensstijl – die zorgde voor geldgebrek – al snel terug naar Nederland.

Terug in Nederland richtte Mathilde Willink haar aandacht op het societyleven in Den Haag en kreeg een relatie met de Haagse schilder Adrian Stahlecker. Stahlecker was homoseksueel en gebruikte Mathilde vooral om publiciteit te trekken. Hierna verbleef ze korte tijd in Ilpendam bij kunstenaar Anton Heyboer en zijn vier vrouwen. Ook kwam ze in het nieuws toen ze met dolfijnen zwom in het dolfirama van Zandvoort.

Op 2 juni 1977 kreeg de officiële scheiding tussen Mathilde en Carel Willink haar beslag en nam ze haar intrek op de Weteringschans (nr. 22). Amper een maand later, op 6 juli, ging ze in ondertrouw met de kunsthandelaar George Mulder – ze zijn nooit echt getrouwd. Datzelfde jaar volgde ze een afslankingskuur waarna ze als volleerde mannequin kon lopen in de Bontmode Show van Ronald van Egmond in het Singermuseum te Laren. Op 16 september opende ze Galerie Mathilde aan de Keizersgracht in Amsterdam met een tentoonstelling van de Frans-Hongaarse schilder Victor Vasarely.

In de laatste maanden van haar leven had Mathilde Willink een relatie met Gerard Vitalli, een Amsterdamse autohandelaar en cocaïnedealer. Deze trof haar op 25 oktober 1977 levenloos aan op haar hemelbed – ze was toen 39 jaar. Over haar dood lopen de meningen uiteen. Volgens het rechercherapport was er sprake van zelfmoord. Politiecommissaris Toorenaar geloofde hier niet in omdat Mathilde rechtshandig was en de kogel in haar linkerslaap zat. Bovendien vertoonde haar lichaam sporen van een worsteling: ze had schrammen en twee gebroken ribben. Daar kwam nog bij dat het wapen voor eerdere aanslagen in de Amsterdamse onderwereld gebruikt was door Pistolen Paultje. Het is nooit duidelijk geworden of Mathilde is vermoord of zelfmoord heeft gepleegd.

Mathilde Willink werd begraven op de Amsterdamse begraafplaats Westgaarde. Pas tien jaar na haar dood kreeg ze graf een grafsteen, met hierop slechts één woord: Mathilde. In 2003 zou het graf worden geruimd, maar de directie van de begraafplaats besloot het aan te merken als monument.

Reputatie

Mathilde Willink werd befaamd als uitbundige verschijning in buitensporige gewaden. Zelf zei ze: ‘Ik leef in een sprookjeswereld van illusies en extravagantie. Ik ben een superpoes. Als men je niet opmerkt kun je net zo goed niet bestaan’. Haar Fong Leng-gewaden vielen na haar dood toe aan haar familie, die ze liet veilen bij veilinghuis Mak van Waaij. De schilderijen die Carel Willink van Mathilde heeft gemaakt zijn in het bezit van het Frisia Museum in Spanbroek, dat in 1998-1999 een tentoonstelling over haar organiseerde, met onder meer haar Mathildes aquarellen, gedichten en teksten. Eigenaar van het Frisia Museum (later Scheringa Museum voor Realisme) was DS Art B.V., onderdeel van de failliete boedel van DSB Beheer B.V.. Na het faillissement van Dirk Scheringa’s DSB bank in 2009 kocht Hans Melchers een groot deel van de Scheringa-collectie op en bracht die in 2015 onder bij het Gelderse museum MORE in Gorssel. In juni 2015 opende dit museum voor modern realisme haar deuren. Afscheid van Mathilde is daar nu permanent te zien.

De opmerkelijke verschijning van Mathilde Willink heeft de mensen lange tijd beziggehouden. In 1978 schreef zowel Ramses Shaffy als Marjol Flore een liedje over haar. In 1983 werd met Carels memoires, Willinks waarheid, een postume aanval op Mathilde gedaan. De memoires bevatte het dagboek van Sylvia Willink-Quiël, Willinks vierde echtgenote, die als volgt werd geciteerd: ‘“Hoewel mijn omgeving me had gewaarschuwd, en zelfs haar moeder zich in ongewoon afkeurende zin over haar had uitgelaten, kon niemand aan het begin van de jaren zestig weten hoe ik tenslotte verarmd en ongelukkig achter een opgetuigd fregatschip zou aanlopen, mijn meest geliefde schilderijen van de hand gedaan om de duurste garderobe van Nederland te kunnen bekostigen, mijn naam bij alle mogelijke en onmogelijke affaires in de roddelpers, uiteindelijk nog genoemd ook bij een zogenaamde zelfmoord, die mij door dezelfde schandaaljournalisten (als grootste aanstichter tot een wanhoopsdaad) in de schoenen werd geschoven. Ik ijs als ik terugdenk aan die periode in mijn leven en de latere gevolgen”, zo sprak Willink over zijn Mathilde’. Daarnaast figureert Mathilde als hoofdpersoon in romans van Tomas Ross (Mathilde 2003) en Marjolein Houwelings (Andermans Ogen 2010). In 1985 besteedde Peter R. de Vries aandacht aan de mysterieuze dood van Mathilde Willink. Volgens hem was ze vermoord, maar een mogelijke dader wist zelfs hij niet aan te wijzen. In 2002 verscheen een documentaire over haar, Mathilde Willink superpoes, met archiefbeelden en interviews. Op 10 maart 2010 ging in Terneuzen het toneelstuk Mathilde in première, waarin Louis van Beek de rol van Mathilde vertolkte.

Naslagwerken

BWN; RKD.

Archivalia

Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: familieadvertenties De Doelder.

Literatuur

  • Joop van Loon, Mathilde of de bekentenissen van een Zeeuws meisje (Baarn 1977).
  • Joop van Loon, Mathilde Willink  (Roermond 1997).René Zwaap, ‘Zeeuws meisje’, De Groene Amsterdammer 2-7-1997.
  • Peter R. de Vries, Uit de dossiers van commissaris Toorenaar (Amsterdam 2002).
  • Tomas Ross, Mathilde (Amsterdam 2003) [roman].
  • Ron Moerenhout, Gevlogen paradijsvogels. Te vroeg overleden bekende Nederlanders (Meppel 2009).
  • Marjolein Houweling, Andermans ogen (Amsterdam 2010) [roman].
  • Lisette de Zoete, Mathilde. Muze mythe mysterie (Eindhoven 2016) [verschenen na publicatie van dit lemma].

Illustratie

Mathilde Willink, door Studio Harry Pot, ongedateerd (Spaarnestad Photo).

Auteur: Vera Weterings

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 994

laatst gewijzigd: 02/05/2017