Dommelen, Carolina Christina Charlotte van (1874-1957)

 
English | Nederlands

DOMMELEN, Carolina Christina Charlotte van (geb. Rotterdam 9-11-1874 — gest. Amsterdam 4-3-1957) toneelactrice en -regisseuse, eerste filmregisseuse van Nederland; ook publiciste en romanschrijfster. Dochter van Carolus Christiaan (Charles) van Dommelen (1842-1897), acteur, en Jacoba Cornelia Lus (1840-1876). Caroline van Dommelen trouwde (1) op 3-1-1904 in Haarlem met Henri Heije (1880-?), journalist; (2) na echtscheiding (1908) op 15-7-1922 in Rijswijk met Alfred Joannes Josephus van Lancker (1899-?), acteur en musicus. Beide huwelijken bleven kinderloos.

Caroline was het zesde en jongste kind uit het huwelijk van toneelacteur Charles van Dommelen met Jacoba Cornelia Lus, die stierf toen Caroline nog geen twee was. De vader hertrouwde met Anna van Duyl, met wie hij nog drie kinderen kreeg. Caroline groeide op aan het Amstelveld in Amsterdam, waar meer toneelfamilies woonden. Ze overwoog om medicijnen te gaan studeren, maar dat konden haar ouders niet betalen. Verder voelde ze zich aangetrokken tot het toneel, ongetwijfeld door de gewoonte van haar vader zich bij het instuderen van zijn rollen door zijn kinderen te laten overhoren – ook drie van haar broers (Frits uit het eerste huwelijk, Jan en Louis uit het tweede) kozen voor het toneel. Caroline bezocht de Fransche School aan de Kloveniersburgwal en vanaf 1889 de toneelschool, maar verliet de opleiding kort voor het eindexamen omdat ze vond dat ze er niets meer kon leren. Ze kreeg haar eerste rollen in 1893 bij het ambulante Gezelschap Rentmeester in het noorden van het land.

Van 1894 tot 1896 en van 1898 tot 1900 was Caroline van Dommelen verbonden aan de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Toneel (KNVHT) in Amsterdam. Hierna had zij andere bezigheden. In 1904 trouwde ze met de journalist Henri Heije. Uit liefde voor het buitenleven runden zij een modelboerderij op het landgoed Rustenhoven in Maartensdijk. Zo was ze van circa 1905 tot 1908 boerin en imker. In 1907 bleek de aantrekkingskracht van het toneel toch te sterk. Ze probeerde het buitenleven en het artiestenbestaan te combineren, maar na hun echtscheiding (1908) gaf ze dat idee op.

Toneel en film

In 1907 ging Caroline van Dommelen spelen bij Het Hollandsch Tooneelgezelschap onder leiding van Van Lier, in 1909 bij Het Tooneel van Willem Royaards en in 1910 bij het Gezelschap Louis de Vries. In dat laatste jaar reisde ze ook een seizoen door het land met Speenhoffs Klein Tooneel. Tot het einde van haar toneelloopbaan zou zij telkens weer bij andere gezelschappen werken, op losse contracten van acht maanden. Tussendoor moest ze herstellen van de lange werkdagen, het gereis, het onregelmatige en slechte eten en de korte nachten. Met een lezing bij de Vrije-Vrouwenvereeniging op 22 maart 1910 en artikelen in De Telegraaf en De Hollandsche Revue ontpopte ze zich als pleitbezorgster voor betere arbeidsvoorwaarden voor toneelactrices. Van Dommelen stelde de wurgcontracten en het (seksuele) machtsmisbruik van theaterdirecteuren aan de kaak en hekelde de lage maatschappelijke status van actrices en hun gebrek aan onderlinge solidariteit. Datzelfde jaar speelde ze de hoofdrol in de film Ontrouw ( regie Louis Chrispijn). Ook richtte ze in 1910 haar eerste eigen gezelschap op. Omdat het haar te veel werd – ze kreeg een ‘zenuwinzinking’ – was Tooneelgezelschap Van Dommelen slechts een kort leven beschoren.

Als toneelactrice begon Van Dommelen in 1911 weer bij de KNVHT en Het Tooneel, maar speelde zij ook bij het Gezelschap Henri Brondgeest en de Tooneelvereeniging van Herman Heyermans. Datzelfde jaar had ze succes met haar ‘In den Schouburgh bij Caroline van Dommelen’: zelfgeschreven en -geregisseerde middeleeuwse kluchten, uitgevoerd in een tent in de tuin van het Paleis voor Volksvlijt. Tegelijkertijd (1911-1912) regisseerde ze bij de Film-Fabriek F.A. Nöggerath drie fictiefilms waarin ze zelf de vrouwelijke hoofdrol speelde: het nihilistendrama De bannelingen, het historische drama Graaf Willem IV van Holland (beide in co-regie met Leon Boedels) en de ‘realistische biografische schets’ Vrouwenoogen, geschreven door haar broer Louis. Er zijn geen filmkopieën bewaard gebleven, maar in de schaarse recensies sprak men van fraaie natuuropnamen, boeiende actiescènes, het meeslepende spel en de verzorgde interieurs en kostuums. Hierna gaf Van Dommelen het filmen op, want ‘het is zo’n ontzettend zenuw-verwekkend métier, dat je het, bij je tooneelspelen, toch niet kunt volhouden. Of het één, of ’t ander!’, schreef ze later in maandblad Het leven (1921). Wel speelde ze in 1912 nog de hoofdrol in Roze Kate (regie Oscar Tourniaire).

In 1913 stelde Van Dommelen de portrettengalerij samen van toneelactrices voor de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’. Een jaar later was zij een van de organisatoren van het ‘Artiestensportfeest’ ter promotie van de sportbeoefening; ze trad er onder andere op als amazone en menster van een wagenspan. Intussen was ze opnieuw ziek geworden, en in de jaren 1914-1915 kuurde ze lange periodes in Davos. Tijdens deze gedwongen rust ontdekte ze nog een talent bij zichzelf: schrijven.

‘Van vuur en bloed’

Vanaf 1916 kreeg Caroline van Dommelen toneelengagementen bij het Gezelschap Brondgeest, waarmee ze niet alleen in eigen land maar in 1922 en 1926 ook in Nederlands-Indië speelde. Tussendoor (1916-1917 en 1919-1920) trad ze op als conferencière in de cabaretprogramma’s van Max van Gelder. Bij tal van stukken deed Van Dommelen zelf de regie en schreef of vertaalde ze de teksten. In deze jaren was ze ook politiek actief. In 1918 was Van Dommelen medeoprichter van de Neutrale Partij, die tot doel had de arbeidsvoorwaarden in de amusementswereld te verbeteren. Ze stelde zich kandidaat voor de Tweede Kamer, maar alleen de lijsttrekker, Henri ter Hall, vergaarde voldoende stemmen voor een zetel.

Met engagementen bij het Rotterdamsch Tooneel (1920-1921), het Hofstad Tooneel (1920-1922), het Amsterdamsch Toneel (1927-29), Ensemble Charles Braakensiek (1928-1929) en het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel (1930-1933/1935-1936) bouwde Caroline van Dommelen een reputatie op als actrice ‘van vuur en bloed’: temperamentvol, begaafd en ongedurig. Ze speelde honderden hoofd- en bijrollen in drama’s, blijspelen en komedies, waaronder klassieke hoofdrollen maar ook moderne vrouwenfiguren zoals Kitty Warren in Shaws Mevrouw Warren’s bedrijf. Naast haar aansprekende spel werden haar smaak en stijl in de keuze van kostuums geroemd – daarvoor waren actrices indertijd zelf verantwoordelijk. In 1922 hertrouwde ze met de acteur Alfred van Lancker. Na haar huwelijk bleef Van Dommelen optreden: zowel met het door haar broer Louis geleide gezelschap De Optimisten (1924-1925 en 1935-1936) als met eigen ensembles.

Schrijven en reizen

Vanaf de jaren twintig manifesteerde Caroline van Dommelen zich ook als publiciste. Ze vulde rubrieken over mode (in Het Tooneel en het weekblad Op de Hoogte), kunst (in het Haagse dagblad De Avondpost) en toneel (in Het Vaderland, Het Leven, Algemeen Handelsblad, De Rolprent en De Hollandsche Lelie, verzen voor geïllustreerde kinderboeken en de romans Huwelijksschool (1917), Op eenzame hoogten (1924) en Vóór alles moeder (1934). In 1940 schreef ze een serie artikelen over Nederlandse schrijfsters en dichteressen in het weekblad Eigen Haard en in 1953 een serie portretten van actrices en acteurs die ze gekend had in De Telegraaf.

Ter ontspanning ging Caroline van Dommelen op wandelvakantie in Polen, Hongarije en Noord-Afrikaanse landen. Ook maakte zij ‘journalistiek-literaire’ reizen naar Indonesië, Suriname, Japan, Canada en de VS, waar zij tevens optrad met causerieën en voordrachten. Onder de naam Caroline van Lancker-van Dommelen beschreef zij haar impressies van culturen en gewoonten. Haar stijl was etnografisch nieuwsgierig en historisch onderlegd. Opmerkelijk was haar betrokkenheid bij haar tien jaar oudere zus Johanna, die in 1906 was getrouwd met een Canadese Mohawk, Angus Montour. Van Dommelen bezocht Johanna en Angus drie keer in het Canadese reservaat waar zij leefden en schreef ook over de Mohawkcultuur. Van Dommelens cultuur-historische artikelen verschenen tussen 1930 en 1940 in de kranten Algemeen Handelsblad, Het Vaderland en het Nieuwsblad van het Noorden en in de tijdschriften Het Leven en de Haagsche Dameskroniek.

Tijdens de bezettingsjaren speelde Caroline van Dommelen door, met het Gemeentelijk Theaterbedrijf (1941-1944). Na de oorlog was ze enige jaren verbonden aan Willem Goossens Volkstoneel (1945-1948) en in 1954 trad ze op in de arbeiderskampen van de wederopbouw in het stuk Arsenicum en oud kant. Haar 55-jarig toneeljubileum vierde zij in 1949 met een tournee van het stuk Betje regeert van H. Bakker. Op 29 september 1955 kondigde De Tijd haar afscheidstournee aan, maar het is onduidelijk of die is doorgegaan. Caroline van Dommelen overleed op 4 maart 1957 in Amsterdam nadat zij lopend in de Raadhuisstraat onwel was geworden.

Betekenis

Caroline van Dommelen was de eerste – en tot 1924 de enige – filmregisseuse in Nederland. Daarnaast was ze een geliefd toneelactrice en wist ze haar renommée tot op hoge leeftijd in stand te houden. Vanwege haar strijd voor betere arbeidsvoorwaarden stond ze bij toneeldirecteuren bekend als ‘lastig’, maar dat weerhield hen niet haar te engageren. Met een aaneenschakeling van losse contracten bouwde ze een veelzijdige acteercarrière op. Ze was artistiek en sociaal vooruitstrevend en schroomde niet om publiekelijk stelling te nemen. Haar publicaties over toneel en over exotische culturen getuigden van grote openheid en betrokkenheid en waren vlot en aansprekend geschreven.

Naslagwerken

Honig; Theaterencyclopedie.

Archivalia

  • Collectie Theater Instituut Nederland, UB Amsterdam: tijdschriftartikelen, krantenknipsels, toneelteksten, tijdschrift- en krantenartikelen.
  • EYE Filmmuseum: foto’s, filmografie.

Publicaties

  • ‘Vijfentwintig jaren tusschen de coulissen. Toneel-mémoires van Caroline van Dommelen’, Het Leven, 16/10, 8-3-1921, 309-310; (II) 16/11, 15-3-1921, 340-341; (III) 16/12, 22-3-1921, 365-367; (IV) 16/13, 29-3-1921, 397-98; (Slot) 16/14, 5-4-1921, 434-435.
  • ‘Film-Herinneringen’, Kunst en Amusement 4/36, 7-9-1923.
  • ‘Coquette filmpjes’, De Rolprent, 12-11-1925, 162; 19-11-1925, 188; 26-11-1925, 198-199; 3-12-1925, 236.

Literatuur

  • ‘Karakterschets. Caroline van Dommelen’, De Hollandsche Revue, 23-4-1910, 246-264.
  • Geoffrey Donaldson, ‘Caroline van Dommelen’, The Silent Picture 15 (1972) 33-34.
  • Ruud Bishoff, ‘De zwijgende speelfilm’, in: Karel Dibbets en Frank van der Maden red., Geschiedenis van de Nederlandse film en bioscoop tot 1940 (Weesp 1986) 62.
  • Marga Altena, ‘Een Haagse dame en een Indiaan. Representaties van een gemengd huwelijk in Nederlandse en Canadese nieuwsmedia (1906-1928)’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 3/4 (2006) 91-117.
  • Annette Förster, ‘Caroline van Dommelen’, in: Jane Gaines, Radha Vatsal en Monica Dall’Asta red., Women Film Pioneers Project (New York 2013) .

Illustratie

Portret uit Karakterschets. Caroline van Dommelen, De Hollandsche Revue, 23-4-1910, 247.

Auteur: Annette Förster

laatst gewijzigd: 24/03/2016