Dorp, Dorothea van (1592?-1657?)

 
English | Nederlands

DORP, Dorothea van (geb. Den Haag? 1592? – gest. Den Haag 21-7-1657?), bevriend met en correspondente van Constantijn Huygens. Dochter van Frederik van Dorp (1547-1612), gouverneur van Oostende en van Tholen, en Anna Schets van Grobbendonck. Dorothea van Dorp bleef ongehuwd.

In 1864 publiceerde J.A. Alberdingk Thijm in De Dietsche Warande vijf brieven van Dorothea van Dorp aan Constantijn Huygens (1596-1687). Deze brieven vormen volgens Thijm een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van het eerste levenstijdperk van Huygens. In de grote stroom aan literatuur die in de loop van de twintigste eeuw over Huygens verscheen, wordt dan ook vaak zijn relatie met Dorothea van Dorp beschreven.

Van haar zijn in totaal acht brieven aan Constantijn bewaard gebleven (één uit 1623 en zeven uit 1624), van hem zes brieven aan Dorothea (twee uit 1620, één uit 1622, twee uit 1626 en één uit 1627). Ook zijn er enkele brieven van Constantijn aan anderen waarin Dorothea ter sprake komt en heeft hij verscheidene gedichten aan haar gewijd.

De geboortedatum van Dorothea van Dorp is in de archieven niet terug te vinden. In de literatuur wordt vermeld dat zij vier jaar ouder was dan Constantijn Huygens, en dan zou zij rond 1592 geboren zijn. Haar geboortejaar moet in ieder geval tussen de geboortes van haar oudere broer Philips (1587-1661?) en jongere broer Arent (geb. 1599) liggen. Dorothea had nog twee broers: Tertulliaen en Octaviaen. Zij verloor haar moeder op jonge leeftijd. Uit het tweede huwelijk van haar vader, met Sara Adriana van Trello, werden nog halfbroer Frederick (1612-1679) en halfzus Charlotte Marie (gest. 1659) geboren.

Dorothea van Dorp woonde in 1614 met haar familie op het Voorhout in Den Haag, het jaar waarin ze kennismaakte met de achttienjarige Constantijn Huygens. De familie Huygens was naar Den Haag verhuisd en Constantijn was dus één van Dorothea's nieuwe buurjongens. In zijn dagboek schrijft Constantijn dat hij haar heeft ontmoet. Dorothea’s broers zouden later met twee achternichtjes van Constantijn trouwen (Arent in 1626 met Ida van Baerle en Philips in 1631 met Sara van Baerle).

Song van den Song

Op basis van Constantijns gedicht ‘Doris oft Herderclachte’ uit 1618 kunnen we een beeld construeren van de mogelijke contacten tussen Dorothea van Dorp en Constantijn Huygens in die eerste jaren van hun vriendschap. Hij beschrijft hoe hij ‘Doris’ (Dorothea) in 1616 tegenkomt in het Haagse Bos. Zij, ‘d’alderliefste van onze buren’, verklaart hem haar liefde en ze beloven elkaar trouw. Een paar maanden later, als hij naar Leiden vertrekt om te studeren, geeft ze hem een ringetje. Via brieven houden ze contact, maar na enige tijd antwoordt Doris niet meer. Ze vertelt hem niet waarom, maar hij hoort geruchten dat ze een ander heeft. Hij is duidelijk gekwetst.

Uit de overgeleverde brieven blijkt dat Constantijn en Dorothea hun vriendschap als iets bijzonders opvatten en dat beiden wilden dat dat zo bleef. Ze schreven elkaar over allerlei zaken: hun geloof, het welzijn van het land, de mensen aan het hof van Oranje, hun familie, hun vrienden en liefdes. Ze noemden elkaar Song of Songetje, waarschijnlijk een verwijzing naar het Engelse woord voor lied. Constantijn schrijft Dorothea diverse malen hoe heerlijk hij het vindt om met haar te praten en dat zij hem altijd als vriend zal hebben. Dorothea geeft aan dat ze altijd de ‘Song van de Song’ blijft. In 1624 schreef ze in bedekte termen aan Constantijn dat hij voor haar de liefste in de wereld is. Haar andere vrijers kon ze niet zo waarderen.

In 1627 trouwde Constantijn Huygens met zijn achternichtje Suzanna van Baerle. Dorothea kende Suzanna van haar uitstapjes naar Amsterdam en uit haar brieven blijkt dat Dorothea haar de enige aardige persoon van Amsterdam vond. Uit Constantijns brief uit 1627 valt op te maken dat Dorothea niet blij was met zijn huwelijk. Ook haar stiefmoeder Sara Adriana van Trello had er misschien op gerekend dat hij met Dorothea zou trouwen. In zijn brief van 1626 is namelijk sprake van een ruzie tussen Sara Adriana en zijn moeder. Toch bleef Constantijn op Dorothea gesteld. Als weduwnaar schrijft hij in 1638 een brief aan prinses Louise van Bohème waarin hij niet ontkent wat er in hofkringen wordt gezegd: dat hij verliefd is op juffrouw van Dorp. Later, in 1645, heeft hij nog een gedichtje geschreven dat oorspronkelijk begon met: ‘Dorothée mijn eerste min’/ Daar ik nog geen einde aan vinn’.

Een actief leven

Dorothea van Dorp was een vermogende vrouw – broer Tertulliaen schonk haar in 1624 het vruchtgebruik van de ambachtsheerlijkheid Dorp (bij Delft) – met een actief leven. Ze was met veel mensen bevriend. Bij de familie Huygens kwam ze vaak over de vloer, zeker om de zussen en moeder van Constantijn gezelschap te houden als hij op een van zijn reizen was. Met de dichter Jacob Cats kon ze over hun gezamenlijke vriend Huygens praten. Via Huygens kende ze ook de schrijfster Anna Roemersdr. Visscher. Met Lady Killigrew, de vrouw van een lid van het Lagerhuis in Londen, had Dorothea een vriendschap op afstand. Via Constantijn, die enkele jaren in Londen werkzaam was, schreef ze haar in 1623 en 1624 twee brieven. Ook wisselden ze geschenken uit. Verder was Nicolaas van Santen, een Delftse regent, waarschijnlijk een goede vriend van haar. Toen hij in 1635 stierf, liet hij zowel Dorothea als haar dienstbode een aardige som geld na. Met zijn tante Marie van Eussum-Diert was zij eveneens bevriend. Dorothea regelde in 1651 haar begrafenis en erfde van haar.

Allerlei zaken werden door Dorothea van Dorp geregeld. Ze bracht pakjes heen en weer tussen Constantijn Huygens en zijn vrienden, ze zorgde ervoor dat hij een hond kreeg, ze regelde dat een zoon van Lady Killigrew page aan het Nederlandse hof werd, ze hielp een andere vriendin bij de koop van een huis, en ze hield voor verscheidene mensen geld in bewaring.

In haar brief aan Huygens van 30 april 1624 schrijft Dorothea dat ze een portret van zichzelf zal sturen naar mevrouw Killigrew in Engeland. Ook al heeft ze veel vrijers, toch noemt Dorothea zichzelf lelijk, tenminste haar huid. Het schilderij, zo zegt ze, is gemaakt door Michiel Jansz Miereveldt (1567-1641). Of het bewaard is gebleven en waar, is niet bekend.

De sterfdatum van Dorothea van Dorp is tot op heden niet gevonden. Keesing vermeldt in haar publicaties 21 juli 1657 als sterfdatum, op grond van de begraafboeken in het Haags Gemeentearchief, maar dit bleek niet te verifiëren. Zeker is dat Dorothea in 1655 nog leefde: toen was zij getuige bij de doop van haar neefje Frederick. In een testament uit 1658 van een vrouw die nog geld bij haar in bewaring had, staat: ‘juffrouw van Dorp zaliger’.

In de geschiedschrijving bestaat een ambivalent beeld van Dorothea van Dorp. Zij was enerzijds de vrouw die met haar ‘wispelturigheid’ ervoor had gezorgd dat Constantijn Huygens jarenlang een ‘vrouwenhater’ was (Smit 1980), anderzijds wordt zij ook een zelfstandige, zelfbewuste vrouw genoemd die voor Constantijn zijn leven lang een bijzondere vriendin was (Hofman 1983; Zwaan 1998).

Naslagwerken

NNBW.

Archivalia

Haags Gemeentearchief: DTB; Notarieel Archief, not. Ferdinand Molckeman, 22-11-1635; not. Johan Adriaenz. van Warmenhuysen, 9-2-1624 en 24-4-1626; not. Pieter van Medemblick, 28-5-1658; not. Walterus Rietraet, 14-8-1656; not. Pieter van Groenevelt, 17-5-1651 en 8-6-1651.

Meer archiefverwijzingen in: Keesing, ‘Hoe is het met Dorothée van Dorp verder gegaan?'.

Literatuur

  • A.D. Schinkel, Constantin Huygens en de familie van Dorp volgens handschriftelijke bronnen, J.A. Alberdingk Thijm ed. (Amsterdam 1863).
  • J.A. Alberdingk Thijm, ‘Constantin Huygens en de familie van Dorp’, De Dietsche Warande (1864) 465-489.
  • J.A. Alberdingk Thijm, ‘Constantin Huygens. Onuitgegeven hss. en nadere letterkundige bizonderheden. Nog iets over Dorothea van Dorp’, De Dietsche Warande (1869) 477-482.
  • Constantijn Huygens, Dagboek van Constantyn Huygens (Amsterdam 1885) 9.
  • J.A. Worp, ‘Brieven van Constantijn Huygens aan Dorothea van Dorp’ , De Dietsche Warande (1892) 335-344.
  • De gedichten van Constantijn Huygens, J.A. Worp ed., 9 delen (Groningen 1892-1899) [over Dorothea van Dorp: dl. 1, 116-122, 125-128, 165-166; dl. 2, 75; dl. 3, 137; dl. 4, 29; dl. 6, 224-225].
  • De briefwisseling van Constantijn Huygens (1608-1687), deel.1, J.A. Worp ed. (Den Haag 1911) [brieven aan, van of over Dorothea van Dorp: 19, 44-45, 50-51, 80, 86, 95, 117-120, 152, 154-155, 162-163, 165-166, 168-170, 172-173, 200-201, 212-213, 222, 274, 382].
  • Rosalie Littell Colie, ‘Some thankfulnesse to Constantine’: a study of English influence upon the early works of Constantijn Huygens (Den Haag 1956) 27-28 [twee brieven van Dorothea, in het Engels vertaald door Huygens].
  • Jacob Smit, 1596-1687. De grootmeester van woord- en snarenspel. Het leven van Constantijn Huygens (Den Haag 1980).
  • F.L. Zwaan, ‘Huygens en Dorothea’, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 98 (1982) 131-136.
  • Hendrik Arie Hofman, Constantijn Huygens (1596-1687). Een christelijk-humanistisch bourgeois-gentilhomme in dienst van het Oranjehuis (Utrecht 1983) 27, 49, 52-53, 77, 202, 221, 235.
  • Elisabeth Keesing, Het volk met lange rokken. Vrouwen rondom Constantijn Huygens (Amsterdam 1987) 23-38, 47, 56-58, 62, 69-70, 76-78, 90-92, 118-119, 144-146.
  • Elisabeth Keesing, ‘Hoe is het met Dorothée van Dorp verder gegaan?’, De Zeventiende Eeuw 3 (1987) 115-124.
  • L. Strengholt, Constanter. Het leven van Constantijn Huygens (Amsterdam 1987) 24-26.
  • Mieke B. Smits-Veldt en Martha S. Bakker red., In een web van vriendschap (Amsterdam 1999) 26-34 [vier brieven van Dorothea].
  • J. Bloemendal en A. Leerintveld, ‘De “literaire” vriendschap tussen Constantijn Huygens en Dorothea van Dorp. Een verliefde jongen te rade bij een emblematicus?’, Spiegel der Letteren 47 (2005) 275-286. 
  • Lisa Jardine, ‘In serach of the ‘real’ Dorothée van Dorp’, Vrouwen rondom Huygens. Een speciale uitgave van het tijdschrift De Zeventiende Eeuw 25 (2009) 37-52.

Illustratie

Ondertekening van brief aan Lady Killigrew door ‘your lady’s humble and most loving servant D.V.D.’ , maart 1623 (KB, Den Haag).

 

Auteur: Judith M.L. Lechanteur

 

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 213

laatst gewijzigd: 13/01/2014