Duyst van Voorhout, Maria (1662-1754)

DUYST VAN VOORHOUT, Maria (geb. Delft 22-1-1662 – gest. Utrecht 26-4-1754), stichteres van de Fundaties van Renswoude. Dochter van Hendrik Johansz. Duyst van Voorhout (1637-1674), burgemeester van Delft, en Cornelia Rataller Doublet (gest. 1665). Maria Duyst van Voorhout trouwde (1) in mei 1681 te Delft met Dirk van Hoogeveen (1650-1683), lid van de Leidse vroedschap; (2) op 25-6-1685 te Nootdorp met Frederik Adriaan van Reede, vrijheer van Renswoude en Emmikhuijsen (1659-1738). Uit huwelijk (2) werd 1 dochter geboren.

Maria Duyst van Voorhout stamde uit een geslacht van staatsgezinde Delftse brouwers, handelaren en stadsbestuurders. Zij werd op haar twaalfde wees. De niet onaanzienlijke nalatenschap van haar ouders deelde zij met haar jongere zuster Geertruijd (1663-1684). Bovendien had zij een grote erfenis van haar grootmoeder van vaderskant, Geertruit van der Burg, in het vooruitzicht. Maria was dus een begerenswaardige partij. Na het overlijden van haar eerste echtgenoot, Dirk van Hoogeveen, werd Maria als 21-jarige weduwe handelingsbekwaam, waardoor zij zelf over haar ouderlijk erfdeel kon beschikken en geen toestemming meer nodig had voor een volgend huwelijk.

Tweede huwelijk

In 1685 hertrouwde Maria Duyst van Voorhout, zeer tegen de zin van haar grootmoeder, met de uit een orangistisch gezinde familie afkomstige Frederik Adriaan baron van Reede, vrijheer van Renswoude, een vooraanstaand edelman uit het Sticht, die door zijn levenswijze grote schulden had. Nog geen acht maanden later, in februari 1686, werd hun enige kind geboren, Johanna Maria; het werd slechts veertien maanden oud.

Tijdens haar huwelijk met Frederik Adriaan zou Maria, die via bepalingen in de huwelijkse voorwaarden het beschikkingsrecht over haar vermogen aan zichzelf had gehouden, haar echtgenoot herhaaldelijk grote bedragen lenen. Frederik Adriaan bezat wel veel onroerende goederen, waaronder de vrije heerlijkheid Renswoude, maar te weinig liquide middelen om zijn zwierige levensstijl te bekostigen.

Eind oktober 1686 overleed grootmoeder Van der Burg en zij liet Maria de helft van haar vermogen na, maar in een van haar codicils bepaalde zij dat Maria er pas na de dood van haar echtgenoot over mocht beschikken. De andere helft ging naar het enige kind van Maria’s in 1684 overleden zuster. Toen dit nichtje in 1690 – zes jaar oud – overleed, erfde Maria volgens haar grootmoeders testament ook dat deel van de nalatenschap, maar met dezelfde restrictie. Frederik Adriaan overleed in 1738; Maria moest dus lang wachten voordat zij de zeer grote nalatenschap van haar grootmoeder in handen kreeg.

Het echtpaar leidde het leven dat paste bij vooraanstaande leden van de beau monde en verbleef veel in Den Haag, waar Frederik Adriaan het Sticht vertegenwoordigde in de Staten-Generaal. Beiden interesseerden zich voor natuurwetenschappen en zij onderhielden contacten met Anthonie van Leeuwenhoek (1632-1723).

Begin 1730 kwam Frederik Adriaan in moeilijkheden toen er een landelijk circuit van ‘sodomieten’ aan het licht kwam waar hij bij betrokken bleek. De gerechtelijke vervolgingen – sodomie (homoseksualiteit) was een doodzonde – leidden tot zeer zware straffen, meestal executies; velen vluchtten. Ook de vrijheer moest het land verlaten, maar omdat hij in Renswoude zelf de hoogste rechter was, kon hij na enige tijd naar zijn kasteel terugkeren. Toen de storm was bedaard kwam hij zelfs wel weer in Utrecht. Zijn leven in Den Haag was echter voorbij.

Erfgename

Vlak voor de sodomietenvervolgingen had de vrijheer zijn echtgenote ‘ter verrekening van geleende capitalen’ tot zijn enige en universele erfgename benoemd met het recht testamentair te beschikken over zijn bezit. Bovendien zouden alle tijdens het huwelijk verkregen goederen aan haar vervallen. Zo werd Maria Duyst van Voorhout na zijn dood in 1738 regerend vrijvrouwe van Renswoude en kwam zij in het bezit van de nalatenschappen van zowel Frederik Adriaan als Geertruit van der Burg. Zij moest zich dus gaan bekommeren om de bestemming van haar fortuin. Een complicatie daarbij was een bijzonder codicil bij haar grootmoeders testament dat pas na Maria’s dood geopend mocht worden, waarvan Maria de inhoud niet kende en welks bepalingen Maria’s testament zouden kunnen doorkruisen.

In 1749 maakte Maria, toen 87 jaar oud, haar testament. Daarin bepaalde zij dat haar vermogen bijna geheel ten goede zou komen aan de opleiding van arme jongens in technische beroepen en vooral in beroepen die dienstig konden zijn ‘tot behoudinge van ons land’. De leerlingen moesten gekozen worden uit de verstandigste, schranderste en bekwaamste jongens van het Utrechtse Stads Ambachtskinderhuis, het Delftse Weeshuis der Gereformeerden en het Haagse Burgerweeshuis. Deze drie tehuizen moesten met het hun toekomende deel van de nalatenschap elk een aparte instelling (fundatie) oprichten. Ook uit andere bepalingen in haar testament blijkt Maria’s belangstelling voor armenonderwijs: zo liet zij legaten na aan kerkelijke instellingen met de uitdrukkelijke opdracht het geld voor armenonderwijs te gebruiken.

Vijf jaar na de ondertekening van haar testament overleed Maria, 92 jaar oud. Zij werd begraven in de kerk die de grootvader van Frederik Adriaan ooit in Renswoude had laten bouwen. Haar graf is er nog altijd.

Nalatenschap

Na Maria’s overlijden bleek het codicil van haar grootmoeder bepalingen te bevatten over Geertruit van der Burgs nalatenschap voor het geval Maria kinderloos zou overlijden. Maria’s testament werd op grond daarvan aangevochten door relaties van haar grootmoeder, die al of niet terecht meenden aanspraak te kunnen maken op een deel van de nalatenschap. Het duurde tot 1756 voordat de zaken geregeld waren: voor driehonderdduizend gulden werden de aanspraken afgekocht. Voor elk tehuis bleef na aftrek van vele legaten nog ruim vijfhonderdduizend gulden over.

Zo werd Maria Duyst van Voorhout de stichteres van de drie Fundaties van de vrijvrouwe van Renswoude die in twee opzichten volkomen nieuw waren: het waren de allereerste breed opgezette instellingen voor hoogwaardig technisch beroepsonderwijs en ze boden als eerste zulk hoger onderwijs aan door de liefdadigheid onderhouden jongens. Toekomstige landmeters, waterbouwkundigen, chirurgijns, graveurs, stuurlieden, architecten, instrumentmakers en cartografen zocht men toentertijd niet onder de bevolking van armekinderhuizen.

De drie Fundaties van Renswoude openden hun deuren vanaf 1756 en functioneerden tot in het eerste kwart van de negentiende eeuw geheel in de geest van Maria’s bedoelingen. Daarna werden het internaten voor jongens die buitenshuis onderwijs volgden totdat deze in de twintigste eeuw werden gesloten en de Fundaties op andere manieren hoger onderwijs voor jongeren gingen financieren.

Naslagwerken

Van der Aa; NNBW; Utrechtse biografieën.

Archivalia

  • Archief Delft: Archief Fundatie van Renswoude.
  • Haags Gemeentearchief: Archief Fundatie van Renswoude; Archief Burgerweeshuis.
  • Het Utrechts Archief: Archief Fundatie van Renswoude; Archief Vrijvrouwe van Renswoude.

Literatuur

  • E.P. de Booy en J. Engel, Van erfenis tot studiebeurs. De Fundatie van de vrijvrouwe van Renswoude te Delft (Hilversum 1985).
  • M. Langenbach, ‘Gedenk hoe het een vrouw te moede is’, Spiegel Historiael 26 (1991) 250-254.
  • C. Gaemers, ‘Eenige van de verstandigste, schranderste en bequaamste jongens’. Beroepsopleidingen binnen de Fundatie van Renswoude te Delft 1775-1810 (Rotterdam 1992) [doctoraalscriptie Erasmusuniversiteit Rotterdam].
  • M. Langenbach, ‘Een eigenzinnige dame. Maria Duijst van Voorhout vrijvrouwe van Renswoude’, Jaarboek Oud-Utrecht (1994) 85-112.
  • Robert van Lit, Oog voor talent. 250 jaar fundatie van de vrijvrouwe van Renswoude (Den Haag 2004).

Illustratie

Portret, door A. van Heusden, ca. 1685 (Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude, Utrecht).

Auteur: Marian Langenbach

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 385

laatst gewijzigd: 13/01/2014