Eybers, Elisabeth Françoise (1915-2007)

 
English | Nederlands

EYBERS, Elisabeth Françoise (geb. Klerksdorp, Zuid-Afrika 26-2-1915 – gest. Amsterdam 1-12-2007), Afrikaans dichteres. Dochter van John Henry Eybers (1879-1962), predikant, en Elisabeth Susanna le Roux (1879-1968), lerares. Elisabeth Eybers trouwde op 14-12-1937 in Schweizer-Reneke, Zuid-Afrika, met Albert Jan Jurie Wessels (1908-1991), ondernemer. Uit dit huwelijk, dat in 1961 eindigde in een echtscheiding, werden 3 dochters en 1 zoon geboren. Van 1973 tot 1990 had Elisabeth Eybers een verhouding met Pieter Hennipman (1911-1994), hoogleraar economie.

Elisabeth Eybers (roepnaam: Liesbeth) groeide tweetalig op als oudste van drie dochters. Haar Engelstalige moeder was van hugenootse afkomst, de familie van haar Afrikaanstalige vader kwam oorspronkelijk uit Duitsland. Elisabeth groeide op in Schweizer-Reneke, waar haar vader een jaar na haar geboorte was beroepen. Hij stond bekend als een geleerd en rechtzinnig maar verzoeningsgezind predikant. Haar moeder gaf aan de plaatselijke school wiskunde en Engels. In 1934 werd Elisabeth Eybers na het behalen van haar graad aan de Normaalskool en Universiteit van Witwatersrand (‘Wits’) toegelaten tot het Honneursprogramma, dat ze in 1936 bij de hoogleraar Afrikaans en Nederlands C.M. van den Heever afsloot met de scriptie Die ontwikkeling van individualisme in die Afrikaanse liriek. In hetzelfde jaar debuteerde ze, als eerste dichteres in het Afrikaans, met Belydenis in die skemering. Ze was medewerkster van het door Van den Heever in 1936 opgerichte blad Die Moderne Vrou, dat in 1937 opging in Die Brandwag. In 1943 kreeg ze de prestigieuze Hertzogprys van de Suid-Afrikaanse Akademy vir Wetenskap en Kuns voor Belydenis in die skemering en voor de in 1939 verschenen en veelvuldig herdrukte bundel Die stil avontuur.

In 1937 trouwde Eybers met studievriend Albert Wessels. Ze kregen vier kinderen: Elisabeth, Marita, Bert (gest. 2002) en Jeanne Marianne (geb. 1950). Wessels had ook literaire ambities, maar werd vooral bekend als industrieel. In Johannesburg bouwde hij een confectiefabriek op. Het echtpaar Wessels-Eybers sloot in deze tijd vriendschap met de Nederlandse dichter, essayist en criticus Jan Greshoff. Hun huis werd een trefpunt voor Greshoffs literaire vrienden, onder wie uitgever Sander Stols, die bibliofiele uitgaven van Eybers’ werk verzorgde. In 1956 maakte Eybers op verzoek van de Amsterdamse uitgever Geert van Oorschot een keus uit eigen werk. Deze Versamelde gedigte werden in 1957 een kassucces, en daarmee was  Eybers’ naam ook in Nederland gevestigd. Toen Eybers in 1958 in Nederland was, maakte ze kennis met Vasalis (Kiek Leenmans), een door Eybers  zeer bewonderde dichteres die met de jaren zou uitgroeien tot een ‘seldsame vriendin’ (Meijer 615-616, 619). In 1960 logeerde ze twee keer bij haar in Drenthe omdat ze in Groningen een specialist bezocht vanwege haar migraine.

In 1961 strandde het huwelijk van Eybers en Wessels. Vanuit Zuid-Afrika reisde ze met haar elfjarige jongste dochter Jeanne Mariëtte naar Amsterdam. Ze wilde er een jaar blijven om tot rust te komen. Omdat Jeanne op school goed bleek te aarden, besloot ze te blijven. Haar eigen inburgering verliep moeizamer. In haar dichtbundel Onderdak (1968) beschrijft ze haar beschamende aanvaring met een Nederlandse belastingconsulent: ‘Meneer de Laar, dit was jou beste uur/ toe jy my traanblind, stotterend wegstuur./ Jou skamper kommentaar gons agterna:/ “Allicht! U bent niet meer in Afrika!’” Eybers bleef uitsluitend in het Engels en Afrikaans publiceren. Haar bundels kwamen vanaf 1962 tegelijk in Amsterdam en Kaapstad uit. Sommige zijn later in het Nederlands vertaald. In Zuid-Afrika kreeg ze in 1971 haar tweede Hertzogprys voor Onderdak, de bundel die ze zelf als haar beste werk beschouwde.  In 1990 onthulde ze in een interview dat de bundel een postuum eerbetoon bevatte aan haar geliefde, de Utrechtse emeritus-hoogleraar psychiatrie Hen Rümke. In 1973 werd de Amsterdamse hoogleraar economie Pieter Hennipman (1911-1994) haar vaste levensgezel.

Eybers had in 1948 van nabij meegemaakt hoe de in Nederland geboren politicus Hendrik Verwoerd in Zuid-Afrika een strikte rassenscheiding (de beruchte ‘Apartheid’) invoerde. ‘Zoiets kan alleen een Hollander bedenken’, was de reactie van haar vader, die in haar herinnering zelf steeds respectvol met zwarte medeburgers was omgegaan (Jansen, 149, 152). Na het bloedbad in de zwarte township Soweto bevroor Nederland het bestaande culturele akkoord met Zuid-Afrika, om het in 1981 eenzijdig op te zeggen. Schrijvers zoals W.F. Hermans, die de officiële boycot negeerden, kwamen in Amsterdam op een zwarte lijst. Eybers zelf bleef hiervan verschoond. Zij heeft Zuid-Afrika na 1979 niet meer bezocht, maar publiceerde er nog wel. In vraaggesprekken uitte ze haar afschuw over de rassenongelijkheid, maar ze benadrukte ook herhaaldelijk dat ze niet om politieke maar om persoonlijke redenen (‘om eie seer’) was geëmigreerd. De boycot vond ze even belachelijk als bekrompen en discriminerend (Idem, 149). Wel besloot ze in 1985 het Nederlanderschap aan te vragen. In 1989 keerde het politieke tij in Zuid-Afrika. Het jaar erop bracht de nieuwe, hervormingsgezinde president F.W. de Klerk een officieel bezoek aan Nederland, waar hij ook Eybers ontmoette. In hetzelfde jaar kreeg ze de P.C. Hooftprijs. Daarmee werd ze definitief ingelijfd in de Nederlandse letteren. 

Na de dood van Pieter Hennipman in 1994 werd de wereld van Elisabeth Eybers snel kleiner. In haar bundel Nuweling (1995) beschreef ze zijn ziekbed in het Engelstalige ‘In quest of stability’. Zulke autobiografische stof is in haar omvangrijke dichtwerk volop te vinden. Haar eigen ouderdom en de gevolgen ervan bespreekt ze in een droge stijl. ‘Die ouderdom het my ’n poets gebak’, schreef ze in Noodluik (1989), nadat bij haar een halfzijdige gezichtsverlamming was vastgesteld. In Tydverdryf/Pastime (1996) kwam ze erop terug: ‘Asimmetrie, wat ek hartstogtelik haat,/ skilder sy uithangbord op my gelaat’. In dezelfde bundel sprak ze zichzelf toe: ‘Vlak voor ek ophou met asemhaal/ toe maan ek myself: nie so teatraal’. De laatste bijgewerkte editie van de Versamelde gedigte verscheen in 2004. Eybers overleed in 2007 en is begraven op Zorgvlied.

Reputatie

‘Zij is eigenlijk heel Nederlands. Haar werk wortelt in onze poëzie […] ze hoort bij ons’, oordeelde de jury van de P.C. Hooftprijs in 1991 over Elisabeth Eybers. Hoe Nederland zich haar had toegeëigend, blijkt uit een prijsvraag die een boekhandelsketen omstreeks dezelfde tijd uitschreef. Uit twaalf namen mochten lezers hun favoriete ‘schrijfster van het Zuidelijk Halfrond’ kiezen. De in Noord-China geboren Lulu Wang stond op de lijst, maar Eybers niet.

In haar geboorteland wordt Eybers gerekend tot de ‘Dertigers’, de eerste generatie dichters die het Afrikaans niet in de eerste plaats gebruikte als emancipatiemedium ten opzichte van het Engels maar als eigen uitdrukkingsmiddel van persoonlijke thema’s (Joyce, 106). Zelf voelde ze zich niet met deze groep verwant. Haar voorbeelden waren  Lewis, Dickinson en Yeats. Het proefschrift van de Zuid-Afrikaanse Ena Jansen, die in 1992 aan Wits promoveerde op Eybers’ Amsterdamse jaren en gedichten, betekende een inhaalslag. Jansen ziet Eybers als een dichteres in ballingschap: geen ‘ontheemde’ maar een ‘vervreemde’. In 1991, kort na de heruitgave van Eybers’ Versamelde gedigte,  wees ook de criticus Kees Fens op deze paradox: ‘dertig jaar is in dit land een dichter bezig haar vreemdelingschap te bevestigen en te ontkennen […] in poëzie in een taal die de onze niet is. Dat proces van vreemdheid die eigenheid is geworden zonder zichzelf te verloochenen, is uniek’. Volgens Jansen dichtte Eybers in een ‘tussentaal’, een opvatting die de jury van de P.C. Hooftprijs overnam. In de nieuwste Geschiedenis van de Nederlandse literatuur heet Eybers ‘een interessant geval van interactie’ (Brems, 603).

In zowel Zuid-Afrika als Nederland is Eybers vaak onderscheiden voor haar werk. Ze kreeg eredoctoraten van haar ‘alma mater’ Wits (1972), de Rand Afrikaans Universiteit (Johannesburg, 1979) en de universiteiten van Pretoria (1982) en Stellenbosch (1990). Naast de Hertzogprys en de P.C. Hooftprijs kreeg ze in Nederland de Herman Gorterprijs (1974) en de Constantijn Huygensprijs (1978). De door haar voormalige echtgenoot gestichte Albert Wessels Trust heeft een literair stipendium naar haar genoemd. Deze beurs wordt jaarlijks door de Suid-Afrikaanse Akademy vir Wetenskap en Kuns uitgereikt om de literaire en culturele banden met Nederland te versterken. Bij haar overlijden in 2007 herdacht de pers Elisabeth Eybers als ‘laatste van de drie grote Nederlandse dichteressen’, waartoe ook Leenmans en Ida Gerhardt werden gerekend.

Naslagwerken

DBNL; Schrijvende vrouwen; P. Joyce, The South African family encyclopedia (Kaapstad 1989). 

Archivalia

  • Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag: persoonslijst E.F. Eybers.
  • Letterkundig Museum, Den Haag: signatuur E 00451 (NG) en diverse brieven en foto’s.
  • Andere archivalische bronnen (het ‘Eybers-archief’) worden kort aangeduid in Jansen, 11.

Werken

E. Eybers, Versamelde gedigte (Amsterdam 2004).

Literatuur

Vrijwel alle secundaire literatuur tot 1996 is te vinden in Ena Jansen, Afstand en verbintenis. Elisabeth Eybers in Amsterdam (Amsterdam 1998, vertaling van proefschrift Johannesburg 1992).

  • A. Wessels, Plaasseun en nyweraar (Johannesburg 1987).
  • S. Chen en S.A.J. van Faassen ed., Briefwisseling J. Greshoff - A.A.M. Stols (Den Haag 1990-1992).
  • Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005 (Amsterdam 2006).
  • Maaike Meijer, M. Vasalis: een biografie (Amsterdam 2011).
  • Ena Janssen, ‘Die winter wat sal duur... Het weerwoord van Elisabeth Eybers’, Nieuw Letterkundig Magazijn 31 (2012) nr. 1, 35-38.

Illustratie

Portret, door onbekende fotograaf, ca. 1985 (NZAV-Fotoarchief, Amsterdam).

Auteur: Kees Kuiken

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 949

laatst gewijzigd: 13/01/2014