Swart, Elisabeth Sara Clasina de (1861-1951)

 
English | Nederlands

SWART, Elisabeth Sara Clasina de (geb. Arnhem 6-8-1861 – gest. Anacapri, Italië 12-8-1951), mecenas en beeldhouwster. Dochter van Corstianus Hendrikus de Swart (1818-1897), kunstschilder, en Elisabeth Sara IJntema (1822-1884). Saar de Swart bleef ongehuwd.

Saar de Swart groeide op in Villa Mariaburg in Arnhem als enig kind van kunstschilder en tekenmeester Corstianus de Swart, en Elisabeth IJntema, dochter van J.W. IJntema, boekhandelaar, uitgever en redacteur van de Vaderlandsche Letteroefeningen.
Het huwelijk van haar ouders was niet gelukkig en hetzelfde lijkt te gelden voor Saars jeugd. Zij werd doopsgezind opgevoed. Saar ging niet naar school, maar kreeg thuis les: haar moeder onderwees haar in taal en literatuur, haar vader in de kunstvakken. Zij leerde muziek lezen en piano spelen.

Bij de Tachtigers

Dankzij het erfdeel dat ze kreeg na haar moeders dood en een toelage van haar vader kon Saar zich in 1887 in Amsterdam vestigen om daar naar de boetseerklas van de Rijksschool voor Kunstnijverheid te gaan. Al in 1888 verliet zij deze school en ging les nemen bij de beeldhouwer Lambertus Zijl. Datzelfde jaar betrok zij kamers aan het Westeinde met een vriendin, Baukje van Mesdag
– tot dan toe had ze bij familieleden gewoond. Elders in de stad had zij een klein atelier.

In Amsterdam nam Saar de Swart deel aan het culturele en uitgaansleven met Tachtigers als Jan Veth, Willem Kloos, Alphons Diepenbrock en Willem Witsen. Zij kocht hun werk en hun tijdschriften en sommigen ondersteunde ze financieel. Ze werd geportretteerd door George Breitner en Veth, en ook schijnt de schrijver Willem Paap zich onder meer door haar te hebben laten inspireren bij zijn beschrijving van Esther Luzac, de vrouwelijke hoofdpersoon in zijn sleutelroman Vincent Haman (1898). Een van de Tachtigers, de schilder Eduard Karsen, vatte een kansloze liefde op voor Saar.

In september 1889 verhuisde Saar de Swart met Baukje van Mesdag
naar Parijs, waar ze kennismaakte met kunstenaars als Auguste Rodin, Vincent van Gogh, Émile Bernard en Odillon Redon. Mede door haar inspanningen zou de Haagsche Kunstkring in 1894 een tentoonstelling aan Redon wijden. Ook de schrijvers Maurice Maeterlinck en Aurélien Lugné-Poe werden door haar ondersteund. In Parijs frequenteerde Saar café-cabarets als de Chat Noir en de Mirliton.

Af en toe kwam Saar de Swart naar Amsterdam, waar Karsen volhardde in zijn onbeantwoorde liefde. Toen eindelijk tot hem doordrong dat ze lesbienne was, begon hij verhalen over haar en haar vriendinnen rond te strooien. Om een eind te maken aan deze situatie organiseerde Veth op 12 oktober 1891
– Saar was toen weer terug in Nederland – in café Suisse een scheidsgerecht waarbij in aanwezigheid van De Swart en Karsen niet-betrokken vrienden rechtspraken. Karsen werd in het ongelijk gesteld.

Leven in Laren

In 1892-1894 woonde Saar de Swart enige tijd met haar toenmalige vriendin Anna Vis in Rotterdam – volgens Karsen boven een zeemanskroeg aan de Stieltjeskade.
Soms was zij een tijdje in Arnhem om voor haar vader te zorgen. In het najaar van 1894 betrokken de twee vrouwen een etage aan het Amsterdamse Oosterpark in wat later bekend zou worden als het Willem Witsenhuis. Dit huis, eigendom van Witsen, was in die tijd een trefpunt en thuis voor verschillende Tachtigers. Kloos, alcoholist en depressief, kwam in periodes van delirium veel bij Saar en Anna. Samen met hun benedenbuurman, de schilder Isaac Israëls, en de feministe Annette Versluys-Poelman verzorgden zij hem tot hij uiteindelijk moest worden opgenomen. Kloos zou zich nadien in zijn geschriften zowel beschuldigend als lovend uitlaten over Saar de Swart en Anna Vis.

Tussen 1898 en 1914 woonden Saar de Swart en haar laatste levensgezellin, de aquarelliste en naaldkunstenares Emilie van Kerckhoff, in villa De Hoeve in het kunstenaarsdorp Laren. Ze werd lid van de Hilversumsche Kunstkring en maakte in 1900-1901 enkele lampontwerpen voor
’t Binnenhuis, een winkel voor kunstnijverheid in Amsterdam. Ook ging ze exposeren, onder meer op de tentoonstelling De vrouw 1813-1913. Op De Hoeve ontvingen De Swart en Van Kerckhoff prominenten uit de kunstwereld, zoals Emile Bernard, Gustav Mahler en Lodewijk van Deyssel. Deze laatste vermeldt in zijn Gedenkschriften dat De Swart in Laren een fraaie collectie kunst en antiquiteiten had. Bekend is dat zij werk bezat van onder anderen Anton Derkinderen, Jan Toorop, Breitner, Rodin en Redon.

De Swart en
Van Kerckhoff ondernamen reizen naar onder andere Nederlands-Indië, Japan, India en Egypte. Haar kapitaal slonk snel, behalve door het reizen vooral ook door haar vrijgevigheid en haar kunstaankopen. Om de financiële problemen het hoofd te kunnen bieden liet zij twee maal een deel van haar collectie veilen. Toen zij het daarmee niet wist te redden, zette De Swart haar huis te koop en vertrok in 1914 met Van Kerckhoff definitief naar Italië. Haar neef Simon van Brakel behartigde haar zaken in Nederland.

Leven in Italië

In Italië verbleven Saar de Swart en Emilie van Kerckhoff eerst samen in Rome, maar de vrouwen gingen steeds meer ieder hun eigen weg. Toch bleven hun levens verweven. Nadat Van Kerckhoff in 1920 bij het dorpje Anacapri op Capri een huis (Casa Surya) had laten bouwen, vestigde De Swart zich rond 1922 in een appartementje in hetzelfde dorp. In 1927 betrok zij een kleine atelierwoning die Van Kerckhoff, met financiële steun van een paar Nederlandse vrienden, onder wie hun Larense buurvrouw Henriette Roland Holst, vlak bij Casa Surya had laten bouwen.

Eind jaren twintig was Saar de Swart door haar geld heen. Zij leidde een tamelijk teruggetrokken leven, boetseerde, en verzorgde Van Kerckhoffs tuin en correspondeerde met oude vrienden. Af en toe verkocht zij wat boetseerwerk. Bovendien kreeg zij naar eigen zeggen steun in de vorm van 'eenige terugbetalingen van lieden die ik vroeger liet studeeren' (gecit. Versteegh 2016, 163). Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden De Swart en Van Kerckhoff als buitenlanders naar Rome geëvacueerd, waar zij inwoonden bij Duitse diaconessen. Na de oorlog pakten zij het oude leven op Capri weer op. Tweemaal kwam de dichter Jan Engelman bij hen logeren. Terug in Nederland hielp hij werk van Saar - die volgens hem ook wat geld verdiende met het geven van Engelse les - te verkopen. Zij had inmiddels hartklachten, liep moeilijk en zag slecht.

Op 12 augustus 1951 overleed Saar de Swart op Capri. Ze werd er begraven op het kerkhof van het plaatsje Anacapri.

Waardering van persoon en werk

Van Saar de Swart is maar weinig werk bekend. Enkele Nederlandse musea bezitten beelden van haar met exotisch aandoende onderwerpen. Tijdens haar leven kreeg De Swart als beeldhouwster enige waardering van collega-kunstenaars. Zo vertelde Emilie van Kerckhoff dat Rodin in Parijs ‘enige keren naar haar werk [kwam] kijken, waarvoor hij zich interesseerde’ (gecit. Versteegh, 51). Van Gogh zei over haar: ‘j’ai trouvé bien du talent à cette dame hollandaise’ (brief d.d. ca. 10-7-1890). Over haar werkwijze en intentie vertelt Van Deyssel: ‘Zij had zelve enkele heel opmerkelijke beeldhouwwerken gemaakt, of liever eerste schetsen in gips voor beeldhouwwerken’, en: ‘Zij meende [...] dat men moest geven alleen dat, waarin een zekere hoogte van inspiratie was uitgedrukt’ (Van Deyssel, 463). Meer in het algemeen onderstreept Lugné-Poe in zijn memoires het belang van Saar de Swart voor de Franse symbolistische kunst en literatuur in Nederland. De indruk ontstaat dat voor De Swart zelf haar mecenaat minstens zo belangrijk was als haar eigen werk.

Ondanks haar generositeit zullen veel tijdgenoten moeite hebben gehad met de levenswijze van de onafhankelijke, min of meer openlijk lesbische Saar de Swart. Jeanne Kloos, Willems vrouw, noemt haar een ‘fladderende, onbedwingbare, vrije, pikante’ vrouw ‘die zich nergens voor geneerde, niet om een glas bier te drinken met jongelui, en niet om met hen plaatsen te bezoeken, waar men een vrouw van distinctie slechts zeer zelden ontmoet’ (gecit. Meijer, 235). Volgens Henriette Roland Holst waren er echter geen ‘hartelijker buren dan deze twee vrouwen’ (Roland Holst, 113).

Toch lijkt de houding van sommige vrienden jegens Saar de Swart nogal dubbel te zijn geweest, zoals blijkt uit een brief van Willem Witsen aan zijn verloofde, waarin hij zegt dat hij en Kloos haar niet kunnen uitstaan: ‘dat gepraat quasi aardig, cynisch, – zonder dat je ooit eens iets treft van aardigs of moois’ (brief d.d. 20-4-1891). Over Saars lesbische geaardheid wordt weinig expliciet gezegd. Wat dat betreft was Karsens natuurlijk het meest negatief, daarin gevoed door Kloos, die in dit opzicht een dubieuze rol heeft gespeeld. De titel ‘Muze der Tachtigers’ die Jan Engelman voor Saar de Swart bedacht en die steeds weer in de literatuur opduikt, is daarom niet helemaal op zijn plaats.

Naslagwerken

Elck zijn waerom; Groot; Scheen.

Archivalia

  • Gelders Archief, Arnhem: Burgerlijke Stand, Geboorte Elisabeth Sara Clasina de Swart (aangifte op 7-8-1861).
  • Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag: brieven van Saar de Swart aan Arthur van Schendel en Jan Toorop; J. Kloos-Reyneke van Stuwe, Episode uit het leven van Willem Kloos. Volgens door hem gemaakte notities en copieën van brieven samengesteld.
  • Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: brieven van Saar de Swart aan Willem Witsen.
  • Van Gogh Museum, Amsterdam: brief van Saar de Swart aan Theo van Gogh en Jo van Gogh-Bonger; brief van Vincent van Gogh aan Theo van Gogh en Jo van Gogh-Bonger, d.d. ca. 10-7-1890 (op www.webexhibits.org/vangogh).
  • Musée Rodin, Parijs: Archive Rodin, brieven van Saar de Swart aan Auguste Rodin.
  • Universiteitsbibliotheek (UvA), Bijzondere Collecties: brief van Willem Witsen aan Elizabeth van Vloten, d.d. 20-4-1891 (op www.dbnl.org).

Werk

Werk van Saar de Swart bevindt zich o.m. in Museum Kröller-Müller (Otterlo), Singermuseum (Laren), Museum voor Moderne Kunst (Arnhem).

Zie ook de Collectie Beelddocumentatie van het RKD - Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (Den Haag) en zie Versteegh (2016).

Literatuur

  • L. van Deyssel, Gedenkschriften, deel 2 (Den Haag 1924) 463.
  • J. Engelman, ‘Munthe en de San Michele’, De Tijd 6-11-1947, 3.
  • G.H. ’s-Gravesande, De geschiedenis van De Nieuwe Gids (Arnhem 1956).
  • J. Meijer, Willem Anthony Paap. Zeventiger onder de Tachtigers (Amsterdam 1959) 211, 227, 228, 230-236.
  • H. Roland Holst-Van der Schalk, Het vuur brandde voort (Amsterdam 1979) 84, 112, 113.
  • Aegidius W. Timmerman, Tim’s herinneringen, Harry G.M. Prick ed. (Amsterdam 1983) 167-168.
  • R. van der Wiel, Eduard Karsen. Een droom van een scheidsgerecht. Een relaas (Amsterdam 1986).
  •  J. Engelman, ‘Saar de Swart 1861-1951. De muze der tachtigers gestorven’, in: E. Brunt samenst. en inl., Mevrouw, ik groet U: necrologieën van vrouwen (Amsterdam 1987) 101-107.
  • M. Everard, ‘Sporen van Saar de Swart, beeldhouwster (1861-1951)’, Lust & Gratie 29 (1991) 76-92.
  • F. Leeman en F. Sharp, ‘Vroege verzamelaars van Redon in Nederland’, Jong Holland 3 (1994) 16-28, aldaar 21-23, 26-28.
  • J. Versteegh, ‘Dichter op de saffische rots. Jan Engelman en Saar de Swart – hun vriendschap’, De Parelduiker 3 (1998) nr. 3, 42-51.
  • Rein van der Wiel, ‘De onbeantwoorde liefde van Eduard Karsen voor Saar de Swart’, Holland 30 (1998) nr. 4/5 (themanr. Liefde in Holland), 256-271.
  • E. Leijnse, Symbolisme en nieuwe mystiek in Nederland voor 1900. Een onderzoek naar de Nederlandse receptie van Maurice Maeterlinck (Genève 1995) 64, 112-114, 185.
  • J. Voeten, Het Witsenhuis (Amsterdam/Antwerpen 2003) 42, 67-69, 74, 87, 171, 174.
  • Jaap Versteegh, ‘De karmische band tussen Emilie van Kerckhoff en Sara de Swart’, Tijdschrift voor Biografie 4 (2015) nr. 3, 14-22.
  • Jaap Versteegh, Fatale kunst. Leven en werk van Sara de Swart (1861-1951) (Nijmegen 2016) [met transcipties van brieven en verwijzingen naar archivalia en literatuur].

Illustraties

  • Portret, door George Hendrik Breitner, 1880-1890 (Amsterdam Museum).
  • Balinese danseres, brons (Collectie Museum voor Moderne Kunst, Arnhem). Uit: Elck zijn waerom.

Auteur: Marloes Huiskamp

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 808

laatst gewijzigd: 30/03/2019

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.