Elsenhout, Johanna Isidoro Eugenia (1910-1992)

 
English | Nederlands

ELSENHOUT, Johanna Isidoro Eugenia, vooral bekend als Johanna Schouten-Elsenhout (geb. Paramaribo 11-7-1910 – gest. Paramaribo 23-7-1992), dichteres. Dochter van Johan Alexander Elsenhout (?-?), eigenaar goudconcessie en voorman van balataboomtappers, en Gerarda Rosalina Triel (?-?). Johanna Elsenhout trouwde in de jaren zestig met Wim Schouten (?-1975) aannemer. Dit huwelijk bleef kinderloos. Zij kreeg eerder 2 zoons en 1 dochter.

Johanna Elsenhout werd in Paramaribo geboren als jongste van zes kinderen in een katholiek gezin. Haar vader was vaak afwezig omdat hij op zijn goudconcessie werkte en later op de Tafelberg, als voorman van de ‘balatableeders’ (die rubber uit de balataboom tapten). Zo werd Johanna vooral opgevoed door haar moeder Gerarda, kind van een slavin. Johanna’s moeder sprak alleen in het Sranantongo en maakte daarbij rijkelijk gebruik van ‘odo’s’ (Surinaamse spreekwoorden). Johanna ging naar de ulo.

Moeilijke jaren

De informatie over het leven van Johanna Elsenhout is beperkt. Wel is zeker dat ze op haar achttiende moeder werd van de tweeling Lucien en Eugenie – het meisje stierf binnen een jaar. Drie jaar na de tweeling werd zoon Rudy geboren. Over de vader(s) van de kinderen is niets bekend. Omdat ze last kreeg van psychoses werd Elsenhout omstreeks 1933 opgenomen in ’s Lands Psychiatrische Inrichting (LPI) in Paramaribo, het tegenwoordige Psychiatrisch Centrum Suriname. In die periode kampte zij bovendien met financiële problemen die haar tot de prostitutie dreven. Uiteindelijk ging zij met haar zoons bij haar ouders wonen en vond ze werk als wasvrouw. Na de dood van haar vader bleek zij, zijn favoriete dochter, de enige erfgename.

Johanna Elsenhout begon rond haar 46ste te dichten. Zij deed dat in het Sranantongo, de taal van haar moeder. Haar dichterschap nam serieuze vormen aan toen haar gedicht Kotomisi in 1958 positief ontvangen werd in het radioprogramma Nanga opo doro van de taalkundigen Jan Voorhoeve en Hein Eersel. Zij stimuleerden haar om haar poëzie te publiceren. In 1962 – Elsenhout was de vijftig al gepasseerd – werden vier van haar gedichten in het toonaangevende tijdschrift Soela geplaatst. Kort daarna volgden twee eigen bundels: in 1963 verscheen Tide ete (Vandaag nog) en in 1965 Awese (Begeesterd).

In de loop van de jaren zestig leerde Johanna Elsenhout de Nederlandse aannemer Wim Schouten kennen. Ze trouwden en vertrokken in 1968 naar Groningen. In Nederland hield ze onder meer spreekbeurten op de universiteiten van Leiden en Groningen en op avonden van de Stichting Culturele Samenwerking (Sticusa) in Amsterdam. In De Vrije Stem van 27 april 1972 is te lezen hoe zij bij Sticusa haar gedichten afwisselend staand en zittend voorlas, getooid met ‘verscheidene hoofddoeken’ en ‘telkens andere kleurige kledij’. Onvermoeibaar en vol fantasie ging zij met de aanwezigen in discussie. In de daaropvolgende jaren publiceerde Schouten-Elsenhout de bundel Surinaamse gedichten (1973), ingeleid en vertaald door Jan Voorhoeve, en Sranan Pangi (Surinaamse omslagdoek) (1974), een verzameling van meer dan duizend odo’s. In 1974 ontving zij een literaire prijs van Sticusa voor haar hele oeuvre. Behalve in Nederland trad zij als dichteres op in onder andere Duitsland, Frankrijk en Rusland.

‘Dipi kulturu’ – een diepe cultuur

Autodidact Johanna Schouten-Elsenhout schreef haar gedichten in Sranantongo op in schoolschriftjes en lette daarbij niet op versvorm of interpunctie. Terwijl bekende voorgangers, zoals Trefossa en Michael Slory, en de meeste van haar generatiegenoten allen beïnvloed werden door andere culturen, schreef zij haar poëzie vanuit een homogeen culturele, creoolse achtergrond – een ‘dipi kultura’ (een diepe cultuur). Door Trefossa werd ze vermoedelijk wel geïnspireerd. Voor het volledig verstaan van haar taal is kennis van de gewoontes van de creoolse gemeenschap eigenlijk onontbeerlijk. Haar gedichten bevatten veel odo’s – of verwijzingen daarnaar – en uitdrukkingen ontleend aan de winti-cultuur. Taal en authenticiteit en de verbintenis daartussen waren voor de dichteres een hoogstpersoonlijke kwestie. Ze meende dat je geen ‘kra’ (ziel) meer hebt als je de taal hebt verloren.

Thematisch zijn de gedichten van Schouten-Elsenhout grofweg in vier categorieën in te delen: gedichten die in een trance van angst en lijden zijn geschreven, gedichten die de kracht van de mens – vooral van de vrouw – beschrijven, historische gedichten en gedichten over het alledaagse leven. Regelmatig combineerde Schouten-Elsenhout deze thema’s. In haar werk verwoordde zij op aangrijpende wijze de woede over het slavernijverleden. Naast gedichten schreef ze ook teksten in een meer traditionele liedvorm.

Toen Johanna Schouten-Elsenhout in 1975 in Suriname was om de onafhankelijkheidsfeesten bij te wonen, overleed haar echtgenoot. Ze besloot zich weer definitief in haar geboorteland te vestigen. Aanvankelijk woonde ze bij haar zoon Rudy, later in bejaardentehuis Huize Albertine. Men noemde haar Tante Jo. In 1987 werd ze benoemd tot Ridder in de Orde van de Gele Ster. Johanna Schouten-Elsenhout overleed op 23 juli 1992 in het Academisch Ziekenhuis van Paramaribo aan kanker, in de ouderdom van 82 jaar. Kort voor haar dood gaf de Nationale Vrouwen Beweging (NVB) in Paramaribo haar nieuwe bibliotheek en documentatiecentrum de naam Johanna Schouten-Elsenhout Documentatiecentrum.

Reputatie

Johanna Schouten-Elsenhout is een van de belangrijkste Surinaamse dichters die in het Sranantongo schreven. In de opkomende dichtersgeneratie van de vroege jaren zestig nam zij als vrouw een uitzonderlijke positie in. Zij is wel bestempeld als de ‘Grandma Moses’ van de Surinaamse literatuur: een natuurtalent. Haar vertaler Jan Voorhoeve noemde haar werk in 1973 ‘de meest werkelijke Surinaamse poëzie (…) die op dit moment geschreven wordt’ (Surinaamse gedichten, Ter inleiding).

Schouten-Elsenhout liet een klein maar veelzijdig oeuvre na dat van grote invloed was op de reputatie van het Sranantongo als literaire taal. Ze genoot ook enige bekendheid buiten Suriname en Nederland. Haar gedicht Sososkin (Naakt) werd vertaald in het Nederlands, Duits, Engels en Russisch. In 1999 begon Hillary Clinton haar toespraak op de bevolkingsconferentie van niet-gouvermentele organisaties in Den Haag met Schouten-Elsenhouts gedicht Uma (Vrouw; Tide ete, 20). De laatste strofe daarvan luidt in het Nederlands: ‘Vrouw je bent verheven/ Je schittert/ Je geeft niet op/ Te midden der strijd/ Van alledag’ (vert. Van Kempen 1993, 202). Op 8 maart 2011 werd aan de Henck Arronstraat in Paramaribo een borstbeeld van Johanna Schouten-Elsenhout onthuld, dat op initiatief van de NVB werd gemaakt door kunstenaar Erwin de Vries.

 

Naslagwerken

Atria.

Publicaties

  • Tide ete: fro sren singi (Paramaribo 1963).
  • Awese (Paramaribo 1965).
  • [met Jan Voorhoeve], Surinaamse gedichten (Rotterdam 1973).
  • Sranan Pangi (Paramaribo 1974).

Literatuur

  • Edgar Cairo, ‘Johanna Schouten-Elsenhout sprak over haar werk’, De Vrije Stem, 27-4-1972.
  • Hugo Pos, ‘Inleiding tot de Surinaamse literatuur’, Tirade 17 (1973), nr. 189, 396-409.
  • Silvia W. de Groot, ‘Sranan poëma’, NRC Handelsblad, 2-11-1973.
  • Hugo Pos, ‘Pracht-poëzie in assepoestertaal’, Het Parool, 3-11-1973.
  • Jan Voorhoeve en Ursy M. Lichtveld red., Creole Drum: an anthology of Creole literature in Surinam (New Haven/Londen 1975) 217-218.
  • Gerrit Borgers e.a., Schrijvers prentenboek van Suriname (Amsterdam 1979) 20-21.
  • Eddy van der Hilst, ‘Regel voor regel door Tante Jo’s winti’, De Ware Tijd, 25-8-1990 [Literair, nr. 239].
  • Eddy van der Hilst, ‘‘‘Grandma Moses of Creole literature’’. Suma na Johanna Isidoro Eugenia Schouten-Elsenhout’, De Ware Tijd, 1-8-1992 [Literair, nr. 239].
  • Eddy van der Hilst, ‘Johanna Schouten-Elsenhout: Letterkundige of filosofe?’, De Ware Tijd 15-8-1992 [Literair, nr. 241].
  • Michiel van Kempen, ‘In memoriam Granmisi Elsenhout (over Johanna Schouten-Elsenhout)’, in: idem, De geest van Waraku (Haarlem 1993) 201-208.
  • Michiel van Kempen, Spiegel van de Surinaamse poëzie (Amsterdam 1995).
  • Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur, deel 2 (Breda 2003) 805-810.
  • ‘Johanna Schouten-Elsenhout’, Werkgroep Caraïbische Letteren [URL: http://werkgroepcaraibischeletteren.nl/tag/schouten-elsenhout-johanna/page/2/; geraadpleegd 7-10-2017].

Illustratie

Johanna Schouten-Elsenhout, 1970-1975, door onbekende fotograaf (fotoarchief Sticusa Amsterdam). 

 

 

Auteur: Erik Lucassen (met dank aan Michiel van Kempen)

laatst gewijzigd: 27/11/2017