Esaiasdr., Anneke (ca. 1509-1539)

ESAIASDR., Anneke, vooral bekend als Anneke Jans of Anneke van Rotterdam (geb. Brielle ca. 1509 – gest. Rotterdam 24-1-1539), op beschuldiging van ketterij veroordeeld tot de verdrinkingsdood. Zij trouwde vóór juni 1534 in Brielle met Arent Jansz. van der Lint, barbier. Uit dit huwelijk werd ten minste 1 zoon geboren. 

Over de afkomst van Anneke Esaiasdr., alias Anneke Jans, is niets bekend. Waarschijnlijk waren haar ouders gegoede ingezetenen van Brielle, en zeker is dat zij daar in 1534 met haar echtgenoot Arent Jansz. woonde in de Cappoenstraat (tegenwoordig Voorstraat). Begin dat jaar lieten Anneke en Arent zich in hun huis herdopen door Meindert van Emden, een volgeling van David Jorisz. Het was het jaar waarin Jan Beukelsz. van Leiden zijn doperse koninkrijk in Münster had gesticht en sympathisanten werden opgeroepen om de stad gewapenderhand te verdedigen. Op tal van plaatsen in Holland kwamen zij onder verdenking te staan, en velen moesten vluchten. Waarschijnlijk is Anneke Jans in 1536 haar man nagereisd die al vanaf juni 1534 als vluchteling in Londen zat, en is zij de vrouw in Delft geweest bij wie David Jorisz. in het jaar 1536 inwoonde en op wie hij verliefd werd terwijl haar echtgenoot afwezig was. In zijn biografie, vermoedelijk een autobiografie, wordt verhaald hoe hij en de vrouw tot God baden om hulp tegen de vleselijke verleidingen (Packull, 338; Waite, 68). Vermoedelijk is Anneke Jans ook de vrouw geweest die David Jorisz. in een brief aanspoorde om gehoor te geven aan zijn roeping en zijn denkbeelden te verkondigen. Ook zou zij gedeeltelijk zijn geschriften hebben gefinancierd.

In december 1538 keerde Anneke Jans in gezelschap van een Leuvense geloofsgenote terug uit Londen, om te Delft enige zaken te verrichten – waarschijnlijk omdat zij daar David Jorisz. wilde ontmoeten. In Rotterdam werden zij opgepakt toen zij op de boot naar Delft wilden stappen. Vlak daarvoor hadden zij op de wagen van IJsselmonde naar Rotterdam geestelijke liedjes gezongen. Een man uit Brielle herkende haar en gaf haar aan. Na enkele verhoren werd zij op 23 januari 1539 veroordeeld en de volgende dag, samen met haar reisgenote, door verdrinking ter dood gebracht bij de Delftse Poort. Zij werd begraven in de ongewijde grond van het Rode Zand bij Rotterdam. Waarschijnlijk door haar bekentenis werden nog datzelfde jaar 27 dopers in Delft ter dood veroordeeld, waaronder Marietje Jan de Gortersdr., de moeder van David Jorisz.

Reputatie

Een aangrijpend element in het verhaal van de dood van Anneke Jans is de aanwezigheid van haar veertien maanden oude zoontje, Esaias van der Lint. Op weg naar haar dood zou zij de omstanders hebben gevraagd of iemand de zorg voor dit kind op zich wilde nemen. Een andere versie van het verhaal wil dat zij het kind in een korfje, samen met wat geld en haar geestelijk testament, op het dak van een pothuis had gelegd. Uiteindelijk was een bakkersknecht, zelf vader van zes kinderen die hij nauwelijks kon voeden, bereid het kind onder zijn hoede te nemen. Niet lang hierna raakte de knecht in goede doen. Hij opende een brouwerij en kon zijn kinderen, inclusief zijn aangenomen zoon, later een groot fortuin nalaten. De zoon van Anneke Jans bracht het zelfs tot burgemeester van Rotterdam, later tot ontvanger van Rotterdam vanwege de Staten van Holland en West-Friesland, en verkeerde in hoge kringen – zo was hij bevriend met Oldenbarnevelt. In schril contrast hiermee staat het lot van de man uit Brielle die Anneke Jans had verraden: één variant van het verhaal is dat hij in het gedrang van toeschouwers rond Annekes dood door een bruggetje zakte en verdronk, een andere variant is dat zijn huis afbrandde en hij tot grote armoede verviel. Dat Esaias van der Lint in 1602 vanwege een faillissement Rotterdam moest verlaten, wordt in deze opmerkelijke vergelijking meestal niet vermeld (Engelbrecht 41-42).

Anneke Jans is vooral bekend vanwege het geestelijk testament dat zij haar zoon naliet en vanwege het door haar geschreven Bazuinlied. Het testament heeft zij waarschijnlijk vlak voor haar dood in de gevangenis geschreven. Het document opent met de woorden ‘Hoort mijn zoon de onderwijzinge van uw moeder, opent uw oren om te horen de reden van mijn mond. Ziet, ik ga heden de weg van de profeten, apostelen en martelaren, en drink de kelk, die zij allen gedronken hebben.’ Zij roept hem op om de smalle weg te volgen en het Koninkrijk Gods te zoeken onder de armen en verworpenen. Het Bazuinlied, dat zij rond 1536 moet hebben geschreven, is strijdbaarder van toon: de zevende bazuin zal spoedig klinken, de tijd van vergelding is nabij. Beide teksten heeft David Jorisz. nog in het jaar van Annekes dood laten uitgeven, samen met een brief van hemzelf over de geloofsvervolgingen in Delft. Het testament dook niet veel later ook in liedvorm op. In de doperse martyrologie is het testament van Anneke Jans bekend geworden dankzij het feit dat het al in 1562 werd opgenomen in de eerste druk van het doopsgezinde Offer des Heeren. Details over haar arrestatie en vonnis, inclusief het verhaal van de bakkersknecht die zich over haar zoon ontfermde, werden voor het eerst vermeld in de Martelaarspiegel van Van Braght (1685). De documenten, waaronder een brief van Anneke Jans aan David Jorisz., had Van Braght toegestuurd gekregen van de kleinzoon van Esaias van der Lint.

Over de dood van Anneke Jans en haar afscheid van haar kind zijn verscheidene gedichten en een historische roman geschreven. Onder kerkhistorici speelt nog altijd de vraag of haar dood wel thuishoort in de doopsgezinde martelaarstraditie; als aanhangster van David Jorisz. hoorde zij immers bij de chiliastische variant waarmee de menisten juist hebben gebroken. Ook over haar testament en haar Bazuinlied zijn de meningen verdeeld. Vos en Ten Boom kwalificeren haar teksten als hysterisch of geëxalteerd, Packull betoogt dat haar teksten juist een afspiegeling zijn van de ontwikkeling die het vroege doperdom toen in de Nederlanden doormaakte, en Lowry veronderstelt dat Anneke Jans tussen 1536 en 1539 afstand had genomen van de radicale weg die David Jorisz. was ingeslagen.

Naslagwerken

BLGNP; Mennonite Encyclopedia.

Literatuur

  • Het offer des Heeren (1570), S. Cramer ed., Bibliotheca Reformatoria Neerlandica 2 (Den Haag 1904) 70-77.
  • Thieleman J. van Braght, Het bloedig tooneel of Martelaers spiegel der doop-gesinde of weereloose christenen 2 (Amsterdam 1685) 48-50 en 143-145.
  • A. Bogaers, ‘Het pleegkind’, in: Idem, Balladen en andere dichtstukjes (1862) 3-17.
  • A. de Jager, ‘Nagelaten letterkundige bijdragen: Bogaers’ pleegkind’, Tijdspiegel 2 (1877) 145-153 [over de dichtwerken van Claas Bruin, Jakob Kortebrand en Bogaers over Anneke Jans].
  • M. van der Staal, Anneke Jansz. Historisch verhaal uit den eersten tijd der hervorming (Urk 1976 [4e druk, oorspr. 1914]).
  • K. Vos, ‘Anneken Jans’, Rotterdamsch Jaarboekje 2de reeks, 6 (1918) 14-28.
  • H. ten Boom, De reformatie in Rotterdam 1530-1585 (z.p. 1987) 91-92.
  • Werner O. Packull, ‘Anna Jansz of Rotterdam, a historical investigation of an early anabaptist heroine’, Archiv für Reformationsgeschichte 78 (1987) 147-173 [een verkorte versie van dit artikel is opgenomen in C. Arnold Snyder en Linda A. Huebert Hecht ed., Profiles of anabaptist women. Sixteenth-century reforming pioneers (Waterloo, Ontario 1996) 336-351.
  • Gary K. Waite, David Joris and Dutch anabaptism 1524-1543 (Waterloo, Ontario 1990) 68-70.
  • J.W. Lowry, ‘Stierf Anna van Rotterdam als volgelinge van David Joris?’, Doopsgezinde Bijdragen 18 (1992) 113-118.

Illustratie

Anneke Jans, op weg naar haar terechtstellling, door Jan Luyken, 1685 (Universiteit van Amsterdam, Bijzondere Collecties).

Auteur: Els Kloek

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 104

laatst gewijzigd: 13/01/2014