Aelders, Etta Lubbina Johanna (1743-1799)

 
English | Nederlands

AELDERS, Etta Lubbina Johanna, vooral bekend als Etta Palm (ged. Groningen 3-5-1743 - gest. Den Haag 28-3-1799), informante voor de Republiek en Frankrijk en vroege feministe. Dochter van Jacobus Aelders (gest. 1749), pachter van de stadsbank van lening en eigenaar van een papiermolen, en Agatha Petronella de Sitter (1705-1767?), eigenaresse van een papiermolen en vanaf 1751 pachtster van de stadsbank van lening. Etta Aelders trouwde op 29-8-1762 in Arnhem (otr. Groningen 31-7-1762) met Christiaan Ferdinand Lodewijk Palm, student. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Etta Aelders werd net als haar jongere broer Willem Peter (1746-?) geboren in Groningen. Ze was zes jaar oud toen haar vader, pachter van de plaatselijke stadsbank van lening en eigenaar van een papiermolen, overleed. Haar moeder, een dochter uit de aanzienlijke familie De Sitter, nam de zaken van haar overleden echtgenoot over. Etta groeide op tot een zeer aantrekkelijke vrouw – in 1831 herinnerden oude mensen zich nog haar ‘buitengewone schoonheid en bevalligheid’ (Groninger Archieven, archief De Sitter). Op haar negentiende trouwde Etta Aelders met Christiaan Ferdinand Lodewijk Palm, student in de letteren. Vermoedelijk was dit een huwelijk op wens van de familie De Sitter, naar aanleiding van contacten van Etta met een getrouwde man, Assuerus Johan Veldtman (1734-1781), postmeester-generaal van Groningen en Drenthe (Koppius, 15). Later zou ze verklaren dat zij was ‘sacrifiée dès l’enfance à l’interêt d’une famille puissante’ (sinds mijn jeugd opgeofferd aan de belangen van een machtige familie) (Appel aux Françoises, ‘Au lecteur’). Het echtpaar betrok een woning aan de Grote Markt, en ruim een jaar na de huwelijksvoltrekking, in oktober 1763, werd een dochtertje Henrietta Christina geboren, over wie verder niets bekend is. Intussen was Christiaan Palm alweer vertrokken. Etta verklaarde later dat haar echtgenoot ongeveer een half jaar na hun huwelijk naar Oost-Indië was gegaan en dat zij sindsdien nooit meer contact hadden gehad. Het semi-pornografische smaadschrift Klugtige zoomer-togt (1770) verspreidde later een ander verhaal: het huwelijk zou zijn stukgelopen omdat Etta talloze seksuele avontuurtjes had (‘zij was de gemene rij-knol van al de studenten’) en Christiaan zou bij zijn ouders zijn gaan wonen. Over een formele echtscheiding van het paar is niets bekend.

Naar Frankrijk

In 1767 of 1768 vertrok Etta Palm naar Amsterdam. Daarvandaan reisde ze in juni 1768 samen met de advocaat Johannes Munniks (1741-1815), die tot consul op Sicilië was benoemd, richting Italië. Wat er vervolgens gebeurde is onduidelijk. Volgens Etta’s verklaring uit 1795 werd zij in Zuid-Frankrijk ziek en reisde ze later naar Parijs om daar haar geluk te beproeven. Volgens Klugtige zoomer-togt reisde het tweetal samen heen en weer naar Sicilië, totdat Etta vlak voor thuiskomst in Breda een andere man ontmoette bij wie ze zich aansloot. Wellicht was dit Douwe Sirtema van Grovestins (1710-1778), een vroegere vertrouweling aan het stadhouderlijk hof en op dat moment luitenant-generaal van de cavalerie te Brussel. Mogelijk introduceerde hij Etta in kringen rond het hof (Hardenberg, 5).

Vanaf circa 1773 verbleef Etta Palm in Parijs. Ze wist daar al snel tot welstand te geraken: vanaf 1778 woonde ze in luxueuze appartementen in het centrum. Ondertussen transformeerde ze zichzelf tot barones: ze presenteerde zich als ‘baronesse d’Aelders’ of als de weduwe van ‘mr. Palm, baron d’Aelders’ (maar of Palm inderdaad overleden was, is ongewis). Ze had goede betrekkingen met Hollanders op belangrijke posten, zoals de diplomaat Gerard Brantsen, maar ook met Franse hoogwaardigheidsbekleders: ‘elle manie tous les verrous du cabinet des ministres et sait parfaitement bien ce qui se passe’ (ze kan alle grendels op het kabinet der ministers openen en is uitstekend op de hoogte van wat er gebeurt), schreef iemand in 1789 (gecit. Colenbrander, 156). Wat haar middelen van bestaan betreft, verklaarde ze zelf dat ze in 1773 via relaties een groot jaargeld had weten te bemachtigen. Algemeen wordt aangenomen dat ze zich door aanbidders liet onderhouden en zich liet belonen als ze gunsten voor iemand wist te verwerven.

Ook verdiende Etta Palm geld als informante. Volgens haarzelf maakte zij in 1778 in opdracht van de eerste minister van Lodewijk XVI een korte reis naar Amsterdam om te peilen hoe de Republiek tegenover de Amerikaanse Vrijheidsoorlog stond. Zeker is dat zij in het najaar van 1788 de geheime correspondente werd van raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel, de hoogste bestuurder van de Republiek onder stadhouder Willem V. Tegen betaling hield ze hem vier jaar lang zo’n twee keer per week op de hoogte van de politieke verwikkelingen in Parijs. Van de Spiegel prees haar ‘charmantes lettres’ waarin zij ‘avec toute la naïveté et tout l’intérêt possible’ beschreef wat er in Parijs gebeurde. In 1790 stuurde hij vier ervan door naar de de stadhouder. Dit zijn de enige brieven die bewaard zijn gebleven, de rest is naderhand door Van de Spiegel verbrand. In deze vier brieven schreef ze over plannen van de Nederlandse patriotten in Parijs en van de Franse regering, zoals die haar ter ore waren gekomen.

Tegen de patriotten

Toen deze geheime correspondentie in 1788 begon, was in de Republiek net de patriotse opstand tegen de stadhouder neergeslagen. Palm heeft later verklaard dat zij de Franse regering toen persoonlijk had gesmeekt de patriotten niet te hulp te komen. Zeker is dat ze zich in 1788 tegen de patriotten keerde. Toen de Franse publicist Mirabeau in een pamflet Aux Bataves sur le stadhoudérat (1788) de stadhouder bestempelde als vijand van de democratische vrijheid, schreef zij een tegen-pamflet, dat al snel ook in het Nederlands verscheen. Hierin verdedigde ze de stadhouder en maakte ze de naar Frankrijk gevluchte patriotten uit voor mislukkelingen en luie aristocraten die zich schaamteloos door een buitenlandse regering lieten onderhouden.

Geïnspireerd door de Franse Revolutie werd Etta Palm na 1789 wat kritischer over de Nederlandse staatsinrichting, maar ook toen bleef ze zich onverminderd fel tegen de gevluchte patriotten keren. Ze had met name een afkeer van de aristocratische stroming, die volgens haar alleen uit was op machtsvergroting ten koste van de stadhouder, helemaal niet was geïnteresseerd in de vrijheid van het volk en zich had verkocht aan Frankrijk. Ze verbreidde dat tegengeluid via haar contacten met Franse politici en journalisten. Voor de journalist Marat bijvoorbeeld was ze zo overtuigend dat hij in 1790 een artikel van die strekking schreef in zijn blad Ami du Peuple. Op de revolutionaire vernieuwing in Frankrijk reageerde Etta Palm enthousiast. In 1790 bezocht ze bijeenkomsten van de net opgerichte Amis de la Vérité, een gezelschap waarin vergaande maatschappelijke hervormingen werden besproken. Een jaar later werd ze lid van de aan de jacobijnen gelieerde Société Fraternelle des Patriotes des deux Sexes. Ze had goede contacten met revolutionairen als de journalist Jean Louis Carra en de journalist-politicus Pierre Brissot. Ook was ze in 1791-1792 intiem bevriend met de politicus Claude Basire.

‘Feministe’

Etta Palm mengde zich ook in de discussie over de positie van de vrouw. Zo is ze bekend geworden als de eerste vrouw die in een politieke club het woord nam: op 31 oktober 1790 maakte ze bij de Amis de la Vérité furore toen ze de rumoerige zaal opriep beter te luisteren naar de spreker, die een lezing over vrouwenrechten hield. Twee maanden later werd bij de Amis een redevoering van haarzelf over dit onderwerp voorgelezen – om onbekende redenen droeg zij de tekst niet zelf voor. Daarin roept ze de mannen van de Revolutie op om de vrouwen te laten delen in de nieuwe vrijheid en rechtvaardigheid. Ze wijst erop dat de wetten vrouwen slechts een ondergeschikte plaats geven in de maatschappij, terwijl ze gelijkwaardige kameraden zouden kunnen zijn. De tekst werd door de Amis gedrukt en rondgestuurd. Vervolgens ontving Palm eerbewijzen uit verschillende plaatsen, zoals het erelidmaatschap van de vrouwelijke compagnie van de Garde Nationale van Creil-sur-Oise en de burgerkroon van Bordeaux.

In maart 1791 richtte Etta Palm vanuit de Amis de la Vérité een apart vrouwengezelschap op. Deze Société Patriotique et de Bienfaisance des Amies de la Vérité heeft waarschijnlijk ruim een jaar bestaan. Het gezelschap schreef onder meer een brief aan de Assemblée Nationale over verbeteringen in de positie van vrouwen in bijvoorbeeld de erfeniswetgeving en de wetgeving betreffende huwelijkstrouw. Ook bekostigde het gezelschap voor enkele meisjes een opleiding tot naaister of kantkloster.

Datzelfde jaar werd Palm hard aangevallen door de patriotsgezinde journalist-uitgever Antoine Marie Cerisier. Ze had hem in het openbaar beschuldigd van corruptie, waarna hij haar uitmaakte voor nep-barones en ‘catin intrigante’ (konkelende hoer) met ongeloofwaardige politieke opvattingen: ‘On sait qu’elle soutient la liberté démocratique à Paris, où elle est étrangère, et la rejette pour la Hollande, sa patrie’ (Men weet dat zij de democratische vrijheid ondersteunt in Parijs, waar zij vreemdelinge is en haar verwerpt voor Holland, haar vaderland) (Blanc, 219). Ook anderen zagen haar als buitenlandse ‘intrigante’ met orangistische en ook Pruisische banden en trokken haar loyaliteit aan Frankrijk en de revolutie in twijfel. Rond die tijd werd Palm samen met acht andere vreemdelingen gearresteerd, nu juist op verdenking van ultrarevolutionaire sympathieën, nadat op 18 juli 1791 vanuit de kringen waarin zij verkeerde een antiroyalistische demonstratie was georganiseerd. Na drie dagen werd ze vrijgelaten, omdat ze niets met de demonstratie te maken had gehad.

Om haar reputatie te verdedigen, publiceerde Palm kort hierop een Appel aux Françoises sur la régénération des moeurs, et nécessité de l’influence des femmes dans un gouvernement libre, waarin onder meer haar rede voor de Amis de la Vérité is opgenomen. Begin 1792 bood ze de Assemblée haar Nederlandse vertaling van Condorcets beroemde Déclaration de l’Assemblée aux puissances de l’Europe aan. Op 1 april van dat jaar leidde ze een vrouwendelegatie die bij de Assemblée gelijkstelling van man en vrouw eiste. De delegatie vroeg onder meer om gelijk onderwijs, politieke vrijheid en gelijke rechten.

Terug naar de Republiek

In oktober 1792 kwam haar Parijse tijd ten einde. Etta Palm vertrok naar Den Haag, wellicht om het politieke geweld in Parijs te ontlopen. Met minister Lebrun van Buitenlandse Zaken kwam zij overeen dat zij hem, tegen betaling, vanuit Holland op de hoogte zou houden van wat haar zoal ter kennis kwam. In Den Haag bezocht ze Van de Spiegel en het prinselijk paar en naar eigen zeggen spande ze zich in ‘voor een rechtstreekse en loyale correspondentie tussen de beide Republieken’. Maar toen Frankrijk op 1 februari 1793 de Republiek de oorlog verklaarde, nam Van de Spiegel afstand van haar en enkele maanden later werd ook vanuit Frankrijk haar correspondentschap beëindigd.

Etta Palm had nu geen inkomsten meer en kon niet bij haar Franse bezittingen komen. Ze zocht vergeefs werk als gouvernante en bood zonder resultaat bij Van de Spiegel en de prins haar diensten aan als redacteur of als borduurlerares voor weesmeisjes. Wel kreeg ze een paar keer wat geldelijke steun van die kant. In deze tijd klaagde ze voor het eerst over ernstige ‘zenuwpijnen’, die haar ook in de jaren daarna zouden blijven plagen.

In mei 1795, enkele maanden na de inval der Fransen en de uitroeping van de Bataafse Republiek, liet Etta Palm nog één keer in het openbaar van zich horen, toen ze in de Oprechte Nationaale Courant een (anoniem) pleidooi hield voor het oprichten van vrouwenclubs naar Frans voorbeeld. Kort daarop werd ze gearresteerd op verdenking van orangistische sympathieën. Uiteindelijk besloot men om haar, ‘uit aanmerking van de verregaande intriges dezer vrouwe’, vast te zetten ‘tot hare vrijheid niet meer nadelig kan zijn aan de politieke toestand van dit land en van de Franse republiek’ (gecit. Colenbrander, L). In februari 1796 werd ze overgebracht naar het kasteel van Woerden, waar ze ruim tweeënhalf jaar gevangen zat.

Bij een algemene amnestie voor politieke gevangenen werd Etta Palm op 20 december 1798 vrijgelaten. Drie maanden later, op 28 maart, overleed ze in Den Haag aan een ontsteking op de borst. De volgende dag werd ze in Rijswijk begraven. Een buurman betaalde de begrafeniskosten.

Reputatie

Etta Palm heeft ook na haar dood uiteenlopende reacties opgeroepen. J. Michelet beschreef ‘madame Palm Aelder’ in de Histoire de la Révolution Française (1847) als ‘une Hollandaise de bon coeur et de noble esprit, [...] l’orateur des femmes, qui prêche leur emancipation’ (een Hollandse met een goed hart en edele geest, [...] spreekster namens vrouwen, die hun emancipatie predikt). Rond 1900 inventariseerden de Franse historici Alphonse Aulard en Marc de Villiers haar activiteiten als ‘orateur des femmes’ uitgebreider en sindsdien wordt zij altijd genoemd in beschrijvingen van de proto-feministische beweging rond de Franse Revolutie. In Nederland heeft zij dankzij H.E. van Gelder (1907) en Koppius (1927) een reputatie gekregen als ‘eerste Nederlandse feministe’, vooruitstrevender dan al haar Hollandse tijdgenotes. Colenbrander echter, die in 1905 als eerste haar briefwisselingen met Van de Spiegel en Lebrun bestudeerde en uitgaf, karakteriseerde haar als ‘politieke intrigante te Parijs’. De meest uitvoerige monografie over Palm, ‘Een Hollandse Parisienne’ (1962) van H. Hardenberg, schetst op soms neerbuigende toon een overwegend negatief beeld van Palm als een zeer intelligente maar in wezen ijdele vrouw, een maintenée met een zucht tot intrige, op wier woorden niemand kon afgaan en wier politieke en feministische uitingen nauwelijks serieus genomen hoeven worden. Judith Vega heeft in reactie daarop Palm juist neergezet als belangrijke proto-feministe, die in haar politieke opvattingen als democratie-gezinde en anti-aristocratische orangiste wel degelijk consequent was. Simon Schama (1977) ziet in haar ‘a double agent of consumate craft’, die zich slechts voordeed als sympathisante van de Revolutie, maar Gérard Arboit (2008) beschouwt haar als een intelligente courtisane, voor wie de harde politiek en geheime diplomatie toch te hoog gegrepen waren. De enige roman die over Palm verscheen, Het zesde bedrijf van P.F. Thomése (1999), leunt sterk op het werk van Hardenberg.

Naslagwerken

NNBW.

Archivalia

  • Nationaal Archief, Den Haag: toegang 3.01.26 (Collectie Laurens Pieter van de Spiegel), inv. nrs. 49, 50 en 56 [brieven Van de Spiegel aan E.P.]; inv. nr. 254 [brieven Van de Spiegel en Willem V, 1792, over diplomatieke missie E.P.]. Toegang 3.02.01 (Provisionele Representanten), inv. nr. 492 [verslagen van de verhoren door het Comité van Algemene Waakzaamheid plus kladversies/kopieën van correspondentie E.P. met Van de Spiegel, Willem V en Deforgues]; inv. nr. 10 [resolutie Provisionele Representanten 27-1-1796 over opsluiting E.P.]. Toegang 3.02.02 (Provinciaal Bestuur 1796-1798), inv. nr. 426 [stukken uit 1796-1798 betr. het verblijf in kasteel van Woerden]. Toegang 3.02.04 (Intermediair Administratief Bestuur 1798-1799), inv. nr. 123 [stukken uit 1798 betr. het verblijf in kasteel van Woerden]. Zie ook de verwijzingen van Hardenberg naar het Algemeen Rijksarchief (nu Nationaal Archief).
  • Koninklijk Huisarchief, Den Haag: toegang A31 (Archief Willem V), inv. nr. 746 [brieven van E.P. aan Willem V, 1788, 1793-94]; inv. nr. 986 [brieven van E.P. aan Van de Spiegel en Willem V, 1794]; inv. nr. 1070 [brieven van E.P. aan Van de Spiegel, brief van EP aan Loustalot, brieven van Loustalot en De Coulon aan E.P., 1790].
  • Regionaal Historisch Centrum Groninger Archieven: toegang 817 (Collectie kaarten, prenten en tekeningen), inv. nr. 10500 [miniatuurportret van E.P. en haar echtgenoot (?), z.d.]. Toegang 124 (DTB), inv. nr. 181, 309v [otr.]; inv. nr. 120 [doop dochter Henrietta Christina, 7-10-1763]. Toegang 694 (Archief Familie De Sitter), inv. nr. 60 [o.a. brief uit 1831 over E.P.’s schoonheid en avonturen].
  • Gelders Archief, Arnhem: RBS Arnhem 140, fol. 46 [huwelijk].
  • Regionaal Historisch Centrum Delft: toegang 707 (DTB Rijswijk), inv. nr. 17 [overlijden].
  • Haags Gemeentearchief: RBS, toegang 0377-01, inv. nr. 168 [begraven].
  • Archives Nationales, Parijs: AF II 48 en 49; AF III 446/2501; F7 4590 en 4659 [corresp. met Claude Basire, 1791-1792; grotendeels gepubliceerd in: Albert Mathiez, Autour de Danton (Parijs 1926)]; F17 1198/120 [EP staat op een lijst van ‘geëmigreerde personen’ van wie de bibliotheek in beslag is genomen]; T 363/5 en 364 [na haar vertrek uit Frankrijk in beslag genomen papieren]; T 1601 [proces-verbaal van inbeslagname papieren]; T 1686/926 [financiële papieren]; Minutier central des notaires de Paris ET/LXVII/758 [E.P. verkoopt in 1780 haar meubels]; ET/XLIV/576, 577, 585 en ET /XLIV/616 [geschil tussen E.P. en Heurtault de Lammerville].
  • Archives du Ministère des Affaires Etrangères: Correspondance politique, Hollande, vol. 584 [brieven aan Lebrun en Clavière, 1792-1793]; Correspondance politique, Hollande, vol. 585 [brieven aan Lebrun en Deforgues, 1793].
  • Bibliothèque Historique Ville de Paris: MS 755, fol. 273 [brief aan Pierre-François Palloy waarin EP steun vraagt voor haar feministische werk].

Publicaties

  • Réflexions sur l’ouvrage intitulé Aux Bataves sur le stadhoudérat, par le comte de Mirabeau (Paris 1788. Et en Hollande) [Knuttel Pflt. 21759].
  • Aanmerkingen op een werk betytelt: Aan de Batavieren over het stadhouderschap, van den heere graave de Mirabeau, door den schryfster vertaald (z.p. z.j. [1788]) [Knuttel Pflt. 21760].
  • De rechten van het stadhouderschap verdeedigd, tegen de listen en laage van eenige gebanne en gevluchte Hollanders, en byzonder tegen den heer M***** voornaam patriotje speelder (Brussel 1788).
  • Etta Palm née d’Aelders, Appel aux Françoises sur la régénération des moeurs, et nécessité de l'influence des femmes dans un gouvernement libre (z.p. [Parijs] z.j. [1791]) [bundeling redevoeringen en teksten uit 1790-91].
  • [ingezonden brief], Courrier des Quatrevingt-trois Départements, 25-7-1791 [verdediging tegen Cerisier].
  • [ingezonden brief], Patriote Français, 28-7-1791 [verdediging tegen Cerisier].
  • ‘Compte rendu par la Société patriotique de Bienfaisance’, Révolutions de Paris XI, no. 143 (april 1792).
  • [ingezonden brief], Oprechte Nationaale Courant, 6 mei 1795 [ondertekend met ‘Vriendinne van de waarheid’].

Literatuur

  • J. Mavidal red., Archives parlementaires de 1787 à 1860: recueil complet des débats législatifs & politiques des Chambres françaises, Première serie (1787 à 1799), deel 41, 63-64 [verslag van bezoek E.P. aan Assemblée Nationale Législative, 1-4-1792].
  • J. Michelet, Histoire de la Révolution Française, deel 2 (Parijs 1847) 311.
  • H.T. Colenbrander, Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840, deel 1 (Den Haag 1905).
  • H.E. van Gelder, ‘Feministische Bataven’, De Amsterdammer 10-11-1907 [herdr. in: Wantje Fritschy, Fragmenten vrouwengeschiedenis, deel 1 (Den Haag 1980] 68-83.
  • W.J. Koppius, Etta Palm (barones Aelders): Nederland’s eerste féministe tijdens de Fransche revolutie te Parijs (Zeist 1927).
  • M. Bolt, Feestrede uitgesproken bij gelegenheid van het vijf-en-twintigste lustrum van het Natuurkundig Genootschap te Groningen (Groningen z.j. [1926]).
  • H. Hardenberg, Etta Palm: een Hollandse Parisienne, 1743-1799 (Assen 1962) [met uitvoerige bibliografie].
  • Simon Schama, Patriots and liberators. Revolution in the Netherlands, 1780-1813 (New York 1977).
  • Nel Hofmeester, Etta Palm: feministe van Hollandse bodem (Amsterdam 1978).
  • Rudolf Dekker, ‘Revolutionaire en contrarevolutionaire vrouwen in Nederland, 1780-1800’, Tijdschrift voor Geschiedenis 102 (1989) 545-563.
  • Judith Vega, ‘Feminist republicanism. Etta Palm-Aelders on justice, virtue and men’, History of European Ideas 10 (1989) 333-351.
  • Judith A. Vega, ‘Luxury, necessity, or the morality of men. The republican discourse of Etta Palm-Aelders’, in: Marie-France Brive red., Les femmes et la Révolution Française, deel 1 (Toulouse 1989) 363-370.
  • Judith Vega, ‘Etta Palm, une Hollandaise à Paris’, in: Willem Frijhoff en Rudolf Dekker red., Le voyage révolutionnaire (Hilversum 1991) 49-57.
  • Olivier Blanc, Les libertines. Plaisir et liberté au temps des Lumières (Parijs 1997).
  • P.F. Thomése, Het zesde bedrijf (Amsterdam 1999) [historische roman].
  • Judith Vega, ‘Geschiedenis als fictie. Het geromantiseerde leven van Etta Palm’, Historica 22 (1999) nr. 3, 22-24.
  • Gérald Arboit, ‘“Souvent femme varie”, une espionne hollandaise à Paris’, op: www.cf2r.org - notes historiques - mars 2008.

Illustratie

Etta Aelders en een onbekende man (Christiaan Palm?), miniatuur, ongedateerd (uit: Hardenberg, Etta Palm).

Auteur: Willemien Schenkeveld

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 536

laatst gewijzigd: 29/09/2016