Etten, Susanna van (ca. 1549-1634)

 
English | Nederlands

ETTEN, Susanna van (geb. Antwerpen ca. 1549 – gest. Leiden 5-10-1634), religieuze in Leeuwenhorst die onderhandelde met geuzenleider Lumey, vanaf 1611 abdis-titulair. Dochter van Hendrik Hendriksz. van Etten (gest. 1571), burgemeester van Antwerpen, en Anna (van) Triapijn (gest. 1585).

Susanna van Etten groeide op in Antwerpen in een patriciërsgezin met zes kinderen: ze had één oudere broer en vier jongere zusters. De vader vervulde in Antwerpen onder meer de functie van schepen, burgemeester en tresorier-generaal. In november 1563 trad de toen veertienjarige Susanna in de cisterciënzinnenabdij Leeuwenhorst bij Noordwijkerhout in – een klooster waar meer adellijke en patricische dochters uit Brabantse steden door hun ouders werden ondergebracht. De familie Van Etten had al langer banden met deze abdij. Susanna’s grootmoeder van moederszijde was bijvoorbeeld verwant met Adriana van Roon, die hier tot 1527 abdis was (De Moor, 35, 48-49).

In 1571 vluchtte Susanna van Etten met de zusters van Leeuwenhorst voor het geweld van de geuzen naar Leiden, waar zij in het Sint Michielsklooster trokken. Erg veilig was die stad echter niet voor katholieke geestelijken. Zo liet de geuzenleider Willem Lumey van der Mark in december 1572 de Delftse priester Cornelius Musius (neef van Cornelia van Adrichem) in Leiden doodmartelen. Het bericht dat de geuzen weigerden om Musius in gewijde grond te laten begraven, veroorzaakte een golf van ontzetting. Susanna van Etten trok de stoute schoenen aan en bezocht Van der Mark, wiens moeder een bekende van haar eigen familie was, in zijn hoofdkwartier in Leiden. In het Frans, dat de aanwezige lijfwachten niet verstonden, onderhandelde zij met hem over de begrafenis, die na betaling van een aanzienlijk losgeld op 11 december 1572 te Leiden plaatsvond (De Moor, 48).

Na de verwoesting van Leeuwenhorst in 1573 bleven de gevluchte zusters in Leiden wonen. In augustus 1574 verhuisden zij naar een woning bij het Huis Lokhorst en vervolgens naar de Steenschuur. Daar stond in 1581 als hoofdbewoonster Adriana van Nassau ingeschreven met als huisgenoten Johanna van Nassau, Susanna van Etten, hun gezamenlijke nicht Anna van Lier, de met Musius uit Delft gevluchte non Cornelia van Nassau en twee huishoudsters. Het jaar daarop kochten de vier eerstgenoemden het Huis van Zessen aan de Papengracht. De rentmeester van Leeuwenhorst stond borg (Cortenbach, 76-77). Van de Ridderschap van Holland en Zeeland, het college dat na de verwoesting en opheffing van Leeuwenhorst het beheer over het kloostergoed voerde, mocht Johanna van Nassau de titel van abdis blijven voeren. Na haar dood in 1611 viel dit voorrecht – waaraan geen verdere rechten waren verbonden – toe aan Susanna van Etten.

Intussen had de nieuwe hogeschool Susanna’s broer Hendrik ook naar Leiden gelokt. Deze stond van 1582 tot 1584 ingeschreven als rechtenstudent en als kostganger van ‘jkvr. van Merwe’ (lees: Adriana van Nassau-Merwe). Zijn zwager Carel van der Heyden trad in 1615 voor hem en Susanna op bij de scheiding van de onverdeelde boedel van hun ouders (Boeren, 78; De Moor, ‘Antwerpenaar’). Susanna van Etten overleed op 5 oktober 1634 te Leiden als laatste abdis-titulair van Leeuwenhorst. Zij is er begraven in de Pieterskerk (Kneppelhout, nr. 308). Haar testament vermeldt haar aangetrouwde neef, ridder Maximiliaan Tseraerts te Antwerpen, een zwager van haar zuster Anna, als haar enige erfgenaam.

De reputatie van Susanna van Etten, gebaseerd op haar moedige optreden na de dood van Musius, is vooral in katholieke kring levend gehouden. Daarbij werd benadrukt dat zij tot haar dood religieuze bleef – anders dan bijvoorbeeld Anna van Lier, die in 1590 trouwde en daarom uit het Leidse zusterhuis trad (Cortenbach, 77). In 1918 deed de Leidse stadshistoricus P.J. Blok Van Etten af als een anonieme non die toevallig met Van der Mark in gesprek raakte (Blok, 44). Daarna is zij in ere hersteld door de protestantse kerkhistoricus J. Fruytier in het NNBW, in de Musius-biografie van P. Noordeloos en in de Leeuwenhorst-dissertatie van G. de Moor. In Noordwijk, niet ver van de voormalige abdij, is een straat genoemd naar deze ‘laatste abdis van Leeuwenhorst’ (Meijer, 205). Als zodanig was zij ook afgebeeld op een schilderij in het bezit van de Antwerps-Leidse drukkersfamilie Pratanus, dezelfde die in 1700 het levensverhaal van Musius uitgaf (Van Heussen, 520). Dit portret, dat later abusievelijk voor dat van abdis Johanna van der Does is aangezien, is nu verdwenen (NNBW).

Naslagwerken

Van der Aa; NNBW.

Archivalia

  • Nationaal Archief, Den Haag: toegang 3.18.17.01 en 3.18.17.02 (abdij Leeuwenhorst).
  • Stadsarchief Antwerpen: genealogische collectie Bisschops en Donnet.

Literatuur en gedrukte bronnen

  • P. Opmeer, ’t Hollands Catholyk martelaars boek, ofte historie der Hollandse martelaren, welke om de Christen Catholijke gods-dienst, soo ten tijden van de woeste heidenen, als der Hervormde nieugesinden seer wreed sijn omgebragt (Antwerpen 1700; vert. van Historia martyrum Batavicorum, Keulen 1625).
  • H.F. van Heussen, Historia episcopatuum foederati belgii, utpote metropolitani Ultrajectini, nec non suffraganeorum Harlemensis, Daventriensis, Leovardiensis, Groningensis, et Middelburgensis (Leiden 1719).
  • K.J.F.C. Kneppelhout van Sterkenburg, De gedenkteekenen in de Pieterskerk te Leiden verzameld en beschreven (z.p. 1864).
  • P.J. Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad, deel 3: Eene Hollandsche stad onder de Republiek (Den Haag 1916).
  • C.T. Cortenbach, ‘Het Hof van Zessen (thans Rijksmuseum van Oudheden)’, Leidsch Jaarboekje 37 (1945) 74-94.
  • P. Noordeloos, Cornelis Musius (Mr Cornelius Muys), pater van Sint Agatha te Delft. Humanist, priester, martelaar (Utrecht 1965).
  • P.C. Boeren, ‘Suzanne van Etten, weldoenster van Cornelius Musius’, Leids Jaarboekje 64 (1972) 77-82.
  • A.H. Meijer, Straatnamenboek van Noordwijk (Hilversum 1992).
  • G. de Moor, ‘De Antwerpenaar Hendrik II Hendriksz. van Etten (1544-1622): een vluchteling die remigreerde’, Jaarboek der Economische en Sociale Geschiedenis van Leiden 6 (1994) 20-31.
  • G. de Moor, Geborgen en verborgen: het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574) (Hilversum 1994).
Illustratie

Afbeelding op de grafsteen van Susanna van Etten. Uit: Kneppelhout van Sterkenburg.

Auteur: Kees Kuiken

De reputatie van Susanna van Etten, gebaseerd op haar moedige optreden na de dood van Musius, is vooral in katholieke kring levend gehouden. Daarbij werd benadrukt dat zij tot haar dood religieuze bleef – anders dan bijvoorbeeld Anna van Lier, die in 1590 trouwde en daarom uit het Leidse zusterhuis trad (Cortenbach, 77). In 1918 deed de Leidse stadshistoricus P.J. Blok Van Etten af als een anonieme non die toevallig met Van der Mark in gesprek raakte (Blok, 44). Daarna is zij in ere hersteld door de protestantse kerkhistoricus J. Fruytier in het NNBW, in de Musius-biografie van P. Noordeloos en in de Leeuwenhorst-dissertatie van G. de Moor. In Noordwijk, niet ver van de voormalige abdij, is een straat genoemd naar deze ‘laatste abdis van Leeuwenhorst’ (Meijer, 205). Als zodanig was zij ook afgebeeld op een schilderij in het bezit van de Antwerps-Leidse drukkersfamilie Pratanus, dezelfde die in 1700 het levensverhaal van Musius uitgaf (Van Heussen, 520). Dit portret, dat later abusievelijk voor dat van abdis Johanna van der Does is aangezien, is nu verdwenen (NNBW).

Naslagwerken

Van der Aa; NNBW.

Archivalia

  • Nationaal Archief, Den Haag: toegang 3.18.17.01 en 3.18.17.02 (abdij Leeuwenhorst).
  • Stadsarchief Antwerpen: genealogische collectie Bisschops en Donnet.

Literatuur en gedrukte bronnen

  • P. Opmeer, ’t Hollands Catholyk martelaars boek, ofte historie der Hollandse martelaren, welke om de Christen Catholijke gods-dienst, soo ten tijden van de woeste heidenen, als der Hervormde nieugesinden seer wreed sijn omgebragt (Antwerpen 1700; vert. van Historia martyrum Batavicorum, Keulen 1625).
  • H.F. van Heussen, Historia episcopatuum foederati belgii, utpote metropolitani Ultrajectini, nec non suffraganeorum Harlemensis, Daventriensis, Leovardiensis, Groningensis, et Middelburgensis (Leiden 1719).
  • K.J.F.C. Kneppelhout van Sterkenburg, De gedenkteekenen in de Pieterskerk te Leiden verzameld en beschreven (z.p. 1864).
  • P.J. Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad, deel 3: Eene Hollandsche stad onder de Republiek (Den Haag 1916).
  • C.T. Cortenbach, ‘Het Hof van Zessen (thans Rijksmuseum van Oudheden)’, Leidsch Jaarboekje 37 (1945) 74-94.
  • P. Noordeloos, Cornelis Musius (Mr Cornelius Muys), pater van Sint Agatha te Delft. Humanist, priester, martelaar (Utrecht 1965).
  • P.C. Boeren, ‘Suzanne van Etten, weldoenster van Cornelius Musius’, Leids Jaarboekje 64 (1972) 77-82.
  • A.H. Meijer, Straatnamenboek van Noordwijk (Hilversum 1992).
  • G. de Moor, ‘De Antwerpenaar Hendrik II Hendriksz. van Etten (1544-1622): een vluchteling die remigreerde’, Jaarboek der Economische en Sociale Geschiedenis van Leiden 6 (1994) 20-31.
  • G. de Moor, Geborgen en verborgen: het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574) (Hilversum 1994).
Illustratie

Afbeelding op de grafsteen van Susanna van Etten. Uit: Kneppelhout van Sterkenburg.

Auteur: Kees Kuiken

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 141

laatst gewijzigd: 13/01/2014