Kampana, Foelke (ca. 1355-1417/1419)

 
English | Nederlands

KAMPANA, Foelke, ook bekend als Fokelt tom Broke (geb. Hinte, Oostfriesland ca. 1355 – gest. Aurich, Oostfriesland tussen 16-8-1417 en 4-8-1419), wegens legendarische wreedheid bekend als 'kwade Foelke'. Dochter van Kempo von Hinte, hoofdeling op de Westerburg van Hinte. In 1377 trouwde Foelke Kampana met Ocko Kenisna tom Brok (gest. 1389), ridder en heer van de Oldeborg, hoofdeling in Brockmerland, Auricherland en Emsigerland in Oostfriesland. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Foelke wordt op 12 december 1376 voor het eerst genoemd bij de stichting van het vrouwenklooster Dykhusen. In een oorkonde betreffende de overdracht van een kapel komt ‘Fokeldis Kampana, puella [: jonge vrouw] in Hynte’ voor, samen met onder anderen Ocko tom Brok(e), haar latere echtgenoot en een bijzonder machtige en onafhankelijke edelman. Priores van het nieuwe klooster werd Foelkes zuster Heba, weduwe van Ocko’s jong gestorven broer. Kort daarop, tussen 13 december 1376 en 5 juli 1377, trouwden Foelke en Ocko.

Uit contemporaine bronnen komt Foelke naar voren als een eerbare en vrome vrouw. Na het huwelijk tussen Foelke en Ocko verleende paus Gregorius XI het echtpaar een volledige aflaat. Tevens kre­eg het paar het recht een draagaltaar te bezitten, dat hen in staat stelde overal – ook buiten kerken en kapellen – de mis op te laten dragen. Foelke schonk ook landerijen aan het premonstraten­zer­klooster Aland en het cisterciën­zer­klooster Ihlo, dat door Ocko was gesticht. Uit open brieven en oorkonden blijkt dat ze ernaar streefde een scheids­rech­terlijke en bemiddelende rol te spelen in (familie)conflicten.

Politiek

De Friese landen werden in de veertiende en vijftiende eeuw verscheurd door partijstrijd in Westerlauwers Friesland. Er heerste de zogenaamde ‘Friese vrijheid’: het gebied was niet aan een lands­heerlijk gezag onderworpen. Door de inmenging van buitenlandse vorsten werd het conflict steeds grootschaliger. Op zoek naar bondgenoten kwam Ocko tom Brok in contact met Albrecht van Beieren, graaf van Holland, die Friesland wilde veroveren en zijn steun aanbood. In 1381 gaf Ocko zijn landen aan Albrecht in leen en raakte zo directer betrokken bij de strijd in het Friesland ten westen van de Eems.

In 1389 belegerde een van Ocko’s tegenstanders, de hoofdeling Folk­mar Allena, het slot te Aurich. Tijdens de onderhandelingen op 7 au­gustus van dat jaar werd Ocko op lafhar­tige wijze vermoord. Foelke zocht direct hulp bij bond­genoten van haar man. Gedurende haar afwezigheid probeerde een andere vijand van Ocko, de machtige hoofdeling Edo Wiemken van Rüstrin­gen, de burcht in Aurich te veroveren en verschans­te zich in de kerk. Foelke keerde terug met hulptroepen en slaagde erin de kerk te hero­ve­ren. Twee­honderd gevangenen werden ter plek­ke onthoofd.

Omdat hun zoon Keno nog minderjarig was, kwam het regentschap over Brockmerland in handen van Widzel, een oudere bas­taard­zoon van Ocko. Spoedig bleek dat Widzel aspiraties koesterde om Ocko’s erfenis naar zich toe te trekken. Hij verbond zich met Folkmar Allena, maar in april 1399 werd Widzel in een vete doodgeslagen. Zo kwam de weg vrij voor Foelkes inmiddels vol­wassen zoon Keno (II) om de macht over te nemen. Foelke bleef nauw bij de regering betrokken. Toen Keno in 1400 door de Hanzesteden in gijzeling was genomen omdat hij steun had verleend aan zeerovers, wist Foelke hem uit zijn benarde positie te krijgen met steun van hertog Willem van Gulik en Gelre. Op 13 november 1400 kwam haar zoon als vazal van hertog Willem op vrije voeten en sloot hij een bondgenootschap met de Hanzesteden.

Na de dood van Keno in 1417 trad Foelke weer korte tijd op als voog­des, nu voor haar minderjarige kleinzoon Ocko II. In een oorkonde van 16 augustus 1417, waarin Ocko een door zijn vader gesloten bondgenootschap met de stad Groningen vernieuwt, komt ‘frou Fokelt mynre oldermoder’ (vrouwe Foelke mijn grootmoeder) voor onder de personen die namens hem zweren. Kort daarna, blijkens een oorkonde, in elk geval voor 4 augustus 1419, is Foelke Kampana gestorven. Zij is begraven in de Lambertikerk te Aurich. Van haar grafsteen zijn in de negentiende eeuw nog tekeningen gemaakt, maar de steen zelf is nadien verloren gegaan.

Overlevering

Foelke is vooral bekend gebleven onder haar bijnaam ‘quade Foelck’. De Oostfriese hoof­de­ling en historieschrijver Eggerik Beninga (1490-1562), verwant aan de Allena’s, is hier voor een groot deel debet aan. Hij vermeldt in zijn Chronica der Fresen als eerste een aantal legenden over haar die beeld­bepalend bleken, hoewel ze onder meer een loopje nemen met de jaartallen.

Volgens de eerste legende maakte Ocko in 1379 bij een veldslag tegen zijn vijand Folkmar Allena twee hoofdelings­zonen krijgsge­van­gen: Folkmars zoon en de zoon van Ocko’s zuster. Ocko stuurde de gevangenen naar Foel­ke en droeg haar op goed voor de jongeman­nen te zorgen. Zij liet hen echter in de gevangenis van de honger omkomen. Om er zeker van te zijn dat niemand hun te eten zou geven, droeg ze zelf de sleutels van de kerker bij zich. Na­ hun hongerdood liet Foelke de lijken naar het klooster Ihlo bren­gen en beval de abt de lichamen in het moeras te gooien. Hij negeerde het bevel en gaf ze een christelijke be­gra­fenis. Deze legende bevat een historische kern. Rond 1409 had Foelkes zoon Keno namelijk de burcht van Folkmar Allena in Osterhusen veroverd en daar­­bij twee hoofde­lingen gevangengenomen. Ze werden op de burcht te Aurich vastge­hou­den, waar ze kort daarop onder verdachte omstandigheden stier­ven. Keno werd vanwege deze inbreuk op het veterecht in de ban gedaan. Foelkes betrokkenheid blijkt niet uit de bronnen. Waarom zij in de latere beschrijving van het gebeuren de schuld aangewreven kreeg, is niet duidelijk.

Volgens de tweede legende zou Foelke in 1397 haar schoon­zoon Lütet Attena, heer van Nesse, aangeraden hebben zijn vrouw, Foelkes eigen dochter Occa, te doden, als straf voor haar losban­digheid en buiten­echte­lijke relaties. Amper had de onge­lukkige echtgenoot zijn vrouw om het leven gebracht, of Foelke liet de burcht van haar schoonzoon aanvallen. Lütet vluchtte naar zijn vader Hero von Dornum, maar Foelke veroverde ook die burcht. Vader en zoon werden gevangengenomen en op bevel van Foelke ter plekke terechtgesteld: Hero op bruin, Lütet op groen Leids laken. Dit verhaal heeft dezelfde historische kern als het eerste. Na de inname van de burcht van de Allena’s zag Keno ook kans de burcht van zijn zwager Lütet in Nesse te veroveren. Hij werd daarbij gesteund door de Han­ze. In de Norder Annalen wordt onder het jaar 1411 ver­meld dat een groot aantal hoofdelingen, onder wie Lütet en zijn familie, door Keno is te­recht­ge­steld. De plotse­linge en voortijdige dood van Occa, juist toen haar man en broer als doodsvijanden tegenover el­kaar stonden, heeft waarschijnlijk geleid tot verhalen over een gewelddadige dood, waarbij Beninga er niet voor terugdeinst om de dochter minstens zo zwart te maken als de moeder. In de loop van de tijd kreeg Foelke een belangrijke rol in de legende, hoewel ze er volgens de feiten in het geheel niet bij betrokken was.

Het beeld dat Eggerik Beninga ruim een eeuw later schetst van de strijd tussen zijn voorouders en de Tom Broks om de hegemonie in dat gebied, is gekleurd door de gruwelijke verha­len over Foelke, een bijzonder energieke vrouw die haar man en zoon in tijden van nood in daad­kracht overtrof. Blijkbaar leidde dat daadkrachtige optreden ertoe dat de wreedheden die haar zoon Keno had begaan aan de moeder werden toege­schreven.

In de negen­tien­de eeuw schreef de Oost­fries Willrath Dreesen een bal­lade over Foelke. Op slot Dornum hing een – overduidelijk onecht – portret van haar, waarop ze met sleutels wordt afgebeeld, een verwijzing naar de opsluiting van de beide jonge hoofde­lingen. Volgens een Oostfriese sage verschijnt zij in dat kasteel aan de slotheren wanneer die op sterven liggen. Doen ze boete, dan is Foelke (Fokeld) rustig, maar doen ze dat niet, dan gaat zij spoken. Volgens andere sagen verscheen ze in Aurich als het grafelijk gerechtshof op het punt stond een onschuldige te veroordelen of als de burgheer een ongeluk stond te wachten. Opmerkelijk is dat zij in deze sagen geen kwade geest is, en verschijnt als hoedster van deugd en recht.

De vermeende gruweldaden van Foelke Kampana inspi­reerden ook toneel­schrijvers: in 1842 werd er een historisch treur­spel uitgebracht, in 1912 gevolgd door een ‘Volks­­stück’. Ook in een ‘Hei­matspiel’ uit 1920 over de ondergang van de Attena’s kwam Foelke ten tone­le. In de twintigste eeuw ten slotte waren de verhalen over Foelke Kampana aanleiding voor twee historische romans. De eerste dateert van 1934, geschreven door de van oorsprong Friese schrijver Stef­­fen Bartstra, de tweede is van de hand van de Oostfriese Siever Johanna Meyer-Abich. Dit laatste boek werd voor het eerst uitge­bracht in 1943 en in 1967 en 1990 herdrukt.

Naslagwerken

Biographisches Lexikon Ostfriesland; Kok.

Literatuur en bronnenuitgaven

  • Ubbo Emmius, Rerum Frisicarum historia (2de druk; Leiden 1616) 254 e.v.
  • C.A. Beinhöfer, Die quade Foelke: historisches trauerspiel in fünf acten aus der Geschichte Ostfrieslands (Leer 1842; herdruk 1912).
  • M. Klinkenborg, Geschichte der ten Broks (Norden 1895).
  • Die Untergang der Attena: Heimatspiel in fünf Aufzügen: ein Spiel aus der Zeit der Quaden Foelke und des Seeräubers Klaus Störtebeeker (1395-1410) (Leer z.j. [ca. 1920]).
  • H. Reimers, Ostfriesland bis zum Aussterben seines Fürstenhauses (Bremen 1925).
  • H. Reimers, Das Geschlecht der quaden Foelke (Norden 1927).
  • H. Lübbing, Friesische Sagen von Texel bis Sylt (Jena 1928).
  • W. Tombrock, Uit de Friesche Middeleeuwen (Bergen op Zoom 1933) 192-299.
  • Steffen Bartstra, Quaede Foelck, de gebiedende vrouwe op Oldenborch: historische roman uit Oost-Friesland, ca. 1400 (Zutphen 1934).
  • Siever Johanna Meyer-Abich, Foelke Kampana (Norden 1943; heruitg. 1967 en 1990).
  • Eggerik Beninga, Cronica der Fresen, Heinz Ramm ed., deel 1 (Aurich 1961) 235, 321.
  • Antheun Janse, Grenzen aan de macht. De Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400 (Den Haag 1993).

Illustratie

Boekomslag van S. Bartstra, Quaede Foelck (1934).

Auteur: Martha Kist

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 31

laatst gewijzigd: 13/01/2014