Fopsdr., Meynau Pieters (?-1613)

 
English | Nederlands

FOPSDR., Meynau Pieters (? - gest. Amsterdam? 1613), medestichteres van het Maagdenhuis te Amsterdam. Dochter van Pieter Fopsz. (gest. 1599), regent van het St. Pietersgasthuis en zuivelkoper, en Janneken Opkendr. Voorzover bekend bleef Meynau Fopsdr. ongehuwd.

Meynau Fopsdr. groeide op in een groot gezin aan de Amsterdamse Middeldam (tegenwoordig de Dam). Haar vader was zuivelkoper en koopman op Bergen (Noorwegen). Ook was hij regent van het Sint-Pietersgasthuis. Onbekend is wanneer Meynau is geboren. Vanaf 1570 worden haar naam, die zij zelf spelt als ‘Mayna’, en die van haar zus Aaltje genoemd in verband met de stichting van het rooms-katholieke Maagdenhuis van Amsterdam. Nog vóór de oprichting van het Maagdenhuis hadden de goed katholieke Fopsdochters zich al over een aantal meisjes ontfermd. Onduidelijk is of zij hen bij zich in huis hadden genomen, of ondergebracht in een gehuurd pand waar zij zelf ook introkken. Financiële steun kregen Meynau en Aaltje aanvankelijk van hun eigen vader.

Nadat de zusters Fopsdr. rond 1570 in contact waren gekomen met Mary Spiegel en haar schatrijke vader, konden zij een aanzienlijk bedrag besteden aan een nieuw weeshuis voor meisjes. Zelf legden zij jaarlijks vijftig gulden in. Met de honderdvijftig gulden per jaar van vader en dochter Spiegel was dit een aardig inkomen voor het meisjesweeshuis, dat werd gegarandeerd door de vorming van een kapitaal van huizen en grondbezit. Voor het beheer en bestuur hadden de zusjes en Mary Spiegel de brouwer en ervaren regent Jan Michiel Loeffsz. aangetrokken. In de dagelijkse praktijk van het meisjeshuis hadden de Fopsdochters echter nog altijd de teugels stevig in handen.

In 1574 kwam het tot een botsing tussen de Fopsdochters en Mary Spiegel, die kritiek had op de manier waarop het huis werd bestuurd. Zij staakte de uitkering van het geld en trok zich terug. Van het katholieke stadsbestuur kregen de Fopsdochters evenmin steun. Toen zij in november 1575 vroegen om vrijstelling van accijnsbelasting, wat gebruikelijk was voor liefdadigheidsinstellingen, wees de vroedschap dit verzoek van de hand – een reden werd niet gegeven.

De Alteratie van 1578 gaf tijdelijk nieuwe kansen: de Amsterdamse kloosters werden opgeheven, en zo kwamen er gebouwen vrij. De Fopsdochters en Jan Loeffsz. konden hun weeskinderen nu onderbrengen in het Margarethaklooster in de Nes. De overeenkomst duurde zolang de nonnen zelf geen gebruik van de ruimten mochten maken. Toen het stadsbestuur in 1584 het Margarethaklooster wilde verkopen, bleken de weesmeisjes er nog steeds te wonen. De Fopsdochters en Loeffsz. hadden zelfs een koopcontract, maar de vroedschap achtte de koop onwettig en de meisjes moesten eruit.

Na het gedwongen vertrek uit het Margarethaklooster hebben Meynau en Aaltje Fopsdr. hun wezen tijdelijk ondergebracht in een huis aan de ‘Plaetse’ (Dam). Dit kan het huis zijn geweest waar zij in 1585 zelf woonden, zoals blijkt uit het belastingkohier (Van Dillen, 159). Nog in datzelfde jaar konden de weesmeisjes terecht in een huurhuis op de Nieuwezijds Voorburgwal, bij de Lijnbaanssteeg. De zusters Fopsdr. hadden op 2 mei 1582 al notarieel laten vastleggen dat hun kapitaal voor het meisjeshuis was bestemd zolang zij zelf of hun familieleden de regentessen waren. Mocht de Amsterdamse magistraat de religie van het Maagdenhuis veranderen – bedoeld werd: protestants maken – dan diende het geld twintig jaar lang te worden vastgehouden, in afwachting van betere tijden. Als de situatie helemaal niet verbeterde, dan werd het kapitaal bestemd voor twee jongere familieleden om opgeleid te worden in de katholieke theologie.

Opvolging

De broers van Mary Spiegel waren het niet eens met het eigenzinnige bestuur van de Fopsdochters. In 1585 vielen deze Jan en Hendrick schreeuwend het Maagdenhuis binnen om Aaltje Fopsdr. de sleutel afhandig te maken, zo getuigde zij later zelf. Zowel de Spiegels als bestuurder Jan Loeffsz. zetten Meynau en Aaltje Fopsdr. vervolgens onder druk om het beheer van het weeshuis af te staan. In 1590 riepen de zusters de hulp in van de vicaris-generaal van het bisdom Haarlem om te bemiddelen. Tijdens een vergadering bij hen thuis stelden Meynau en Aaltje Fopsdr. de bezittingen van het weeshuis in handen van de bemiddelaar, die tot de instelling van een geheel mannelijk regentencollege overging. Jan Loeffsz. was een van de eerste regenten. Aaltje Fopsdr. waarschuwde dat oprichting van een officiële organisatie op weerstand kon stuiten van het stadsbestuur. Zij dreigde ook het door haar ingelegde kapitaal terug te trekken.

Het conflict escaleerde, en Aaltje Fopsdr. trok zich terug uit de wezenzorg. Meynau bleef wel betrokken bij het Maagdenhuis. Nog in 1610 was zij regentes, wat inhield dat zij zich met het dagelijks bestuur bezighield. Op 4 mei van dat jaar schreef Meynau Fopsdr., tijdelijk in Haarlem verblijvend, over het overlijden van Jan Loeffsz. aan Marten Jelisz. Deyman, de andere regent van het meisjeshuis. Zij stelde hem voor haar neef Jan Gerritsz. Boont als opvolger van Jan Loeffsz. aan te stellen, maar dat is om onbekende redenen niet doorgegaan. In 1613 is Meynau Fopsdr. gestorven (Rijckevorsel, 25).

Archivalia

Stadsarchief Amsterdam. Toegang 5075 (Archief van de Vroedschap), inv. nr. 3, fol. 16v (Archief van de Notarissen), inv. nr. 3C (not. Jan Jansz. Pilorius) [volmacht aan Pieter Dircxz. Vlaming d.d. 11-9-1595, fol. 273v-274].

Literatuur

  • J. ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, deel 6 (Amsterdam 1886) 357-358.
  • T.C.M.H. van Rijckevorsel, Geschiedenis van het R.C. Maagdenhuis te Amsterdam, 1570-1887 (Amsterdam 1887).
  • G. Coops, De opheffing der satisfactie van Amsterdam (Amsterdam 1919) 257-260.
  • A.J. van de Ven, ‘De schenking van Aaltje en Meynau Pieter Fopsdochteren aan het Maagdenhuis te Amsterdam’, Bijdragen voor de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem 42 (1923) 249-276.
  • J.G. van Dillen, Amsterdam in 1585: het kohier der capitale impositie van 1585 (Amsterdam 1941).
  • Johan E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795, deel 1 (Amsterdam 1963) 80 [hier staan slechts zes van de tien kinderen van Pieter Fopsz. vermeld; Meynau ontbreekt].
  • H.C. de Wolf, De Kerk en het Maagdenhuis. Vier episoden uit de geschiedenis van katholiek Amsterdam (Utrecht 1970) 268-282.

Auteur: Maarten Hell

laatst gewijzigd: 13/01/2014