Schreuder, Françoise-Jacqueline (1750-voor 1838)

SCHREUDER, Françoise-Jacqueline, vooral bekend als Charlotte Frederic (geb. Den Haag 17-10-1750 – gest. Frankrijk? voor 1838), danseres en zangeres. Dochter van Frederik Schreuder (gest. na 1773), toneelmeester en theaterentrepreneur, en Antoinette Malterre (1727-?), danseres. Een huwelijk van Françoise-Jacqueline Schreuder is niet bekend.

Françoise-Jacqueline, de tweede dochter van het echtpaar Schreuder-Malterre, werd op 26 oktober 1750 gedoopt in de Haagse waalse kerk. Over haar vader is weinig meer met zekerheid bekend dan dat hij toneelmeester was en zich bezighield met de organisatorische kanten van het theater. Haar moeder kwam uit een familie van dansers en was geboren in Lyon (Frankrijk). Françoise-Jacqueline had een oudere zus, Louise, en drie jongere broers, Jacques-François (1752-1832), Frédéric-Pierre (1758-?) en Louis-Frédéric (1760-1763). Begin jaren vijftig woonde de familie in Den Haag, waar de moeder aan de Franse Comedie verbonden was. Daarna verbleven ze waarschijnlijk enige jaren in Frankrijk: onder de naam Charlotte danste Françoise-Jacqueline, een peuter van net vier jaar, eind 1754 in Parijs bij de Comédie Française. In 1758 was de familie terug in de Republiek, waar vader Schreuder de operatroep oprichtte die bekend staat als ‘de kinderen van (mon)sieur Frederic’ en die tot begin 1763 bestond. ‘Frederic’ was de artiestennaam van Frederik Schreuder, en zijn dochters Françoise-Jacqueline en Louise waren in de republiek uitsluitend bekend onder hun artiestennamen: respectievelijk Charlotte en Caroline Frederic.

De meisjes Schreuder alias Frederic in de Republiek

Vermoedelijk bestond de operatroep aanvankelijk slechts uit Schreuder, zijn vrouw en hun twee dochters, maar ze werd al gauw uitgebreid met andere kinderen en met volwassenen, onder wie een muziekmeester (De Launay) en een balletmeester (Saint Leger). Het repertoire bestond voornamelijk uit komische opera’s en was uitsluitend Franstalig. Het vroegst bekende optreden van ‘de kinderen van monsr. Frederic’ vond plaats in de Amsterdamse Schouwburg, waarschijnlijk in december 1758. Dat is af te leiden uit een advertentie van toneelspeler-graveur Jan Punt voor zijn prent van ‘Pygmalion, of het beeld bezield door liefde, zo als het zelve door Carolina en Charlotta Frederic, oud 9 en 7 jaren, op de Amsterdamse Schouwburg, in ’t laatste des jaars 1758, gedanst is’ (Amsterdamse Courant 10-3-1759) (zie ill.). De prent ging vergezeld van een vierregelig vers: ‘Aanminnig zusterpaar, zo kunst- zo vindingrijk!/ ’t Welk, dansend, lauwren wint, u door geen nijd te ontroven!/ Uw zwier, uw houding, die uw jaren streeft te boven,/ Maakt elk, die u beschouwt, Pygmalion gelijk’.

Tot de zomersluiting van 1759 moeten de ‘kinderen van monsieur Frederic’ regelmatig opgetreden hebben op de Amsterdamse Schouwburg en ook elders in het land, maar gegevens over die periode zijn er nauwelijks. De Zweedse geleerde Bengt Ferrner, op rondreis door de Republiek, bezocht in dat jaar maar liefst drie voorstellingen van de kinderen, in Amsterdam en in Leiden. Hij sprak van een ‘menigte toeschouwers’ (Ferrner, 339). Aan het eind van het toneelseizoen, in mei 1759, waren er de gebruikelijke benefietvoorstellingen voor de acteurs en actrices, en deze keer ook een ‘voor de dansende kinderen in ’t bijzonder’. Volgens het blad De Philantrope waren de toeschouwers bij de benefieten voor de acteurs en actrices ‘dun gezaaid’, ‘daar integendeel die van de kinderen pompeus en talrijk waren’ (gecit. De Haas, 147).

De ‘kinderen van monsieur Frederic’ traden op in komische opera’s die op de Amsterdamse Schouwburg als tweede spel werden geprogrammeerd, maar dansten ook in toneelstukken als het Beleg en ontzet van de stad Leiden (oktober 1759) en De bruiloft van Kloris en Roosje (januari 1760). Met ingang van het seizoen 1759/60 traden ze veel op in zogeheten ‘ballets pantomime’, divertissementen en ‘serieuze’ dansen – kleine genres die als intermezzo’s tussen het eerste en het tweede toneelstuk opgevoerd werden. Slechts een enkele keer werd gespecificeerd wie van beiden wat danste. Zo danste ‘het jongste kind’, Françoise-Jacqueline dus, in augustus 1759 een ‘serieuze’ dans. De verbintenis van ‘de kinderen’ met de Schouwburg werd op 6 mei 1760 afgesloten met een benefietvoorstelling ‘ten hare voordele’, waarbij de komische opera’s Raton et Rosette en Les ensorcelés op het programma stonden. Hun opvolgers bij de Schouwburg waren de dansers Girolama Monti en Pietro Nieri.

Het gezelschap van Frederic reisde ook door het land. Er zijn optredens bekend in Utrecht en Vlissingen. In juni 1759 speelden de meisjes Frederic in Leiden en in mei 1760 stonden ze in Den Haag met een van de populaire stukken uit hun repertoire, Les ensorcelés. De thuisbasis bleef Amsterdam, of eigenlijk: Nieuwer-Amstel. Daar kreeg Frederik Schreuder in oktober 1760 toestemming om een theater te openen aan de Overtoomseweg (nu: Overtoom), dat er als ‘Franse opera’ tot begin 1763 op verschillende adressen gevestigd was. Aanvankelijk woonde het gezin Schreuder op het Spiegelpleintje in Amsterdam, tegenover het huidige Rijksmuseum, toen aan de rand van de stad. In 1761 verhuisden ze naar de Overtoomseweg. Ze woonden er naast hun ‘Franse opera’, waar de kindertroep een of twee keer per week optrad. In dat jaar speelde Françoise-Jacqueline ofwel Charlotte onder andere de rol van Suson in La veuve indecise en Zelmire in Le cadi dupé.

Tussen februari en mei 1762 lag in Amsterdam de schouwburg van Frederik Schreuder stil vanwege een verbouwing van de toneelzaal en wellicht ook omdat de zus van Françoise-Jacqueline ziek was. Ondertussen trad de troep op buiten Amsterdam, bijvoorbeeld in Haarlem (maart 1762). Bij de heropening van hun theater op de Overtoomseweg in mei speelden de gezusters La servante maîtresse en Blaise le savetier. Een criticus schreef dat ‘de kleine Charlotte’ – Françoise-Jacqueline dus – opmerkelijk was vooruitgegaan in haar ‘zang en expressie’ en ook had ze in Blaise de twee (volwassen) eerste dansers perfect ‘gesecondeerd’: in alle opzichten was ze haar leeftijd ver vooruit (Observateur 2, 185-186). In de zomer gaf Frederics troep samen met de Haagse troep van de Franse Comedie een reeks voorstellingen op de Overtoomseweg.

Françoise-Jacqueline stond op 26 februari 1763 zonder haar zus in de Franse Comedie in Den Haag, waar ze ter gelegenheid van de verjaardag van prinses Caroline een Italiaanse ‘ariette’ zong: met haar aangename en lichte stem won ze de gunst van het publiek (Fransen, 338; Lieffering, 345). In maart sloot ‘la troupe du sieur Frederic’ – zoals het gezelschap zich sinds een jaar afficheerde –  het seizoen aan de Overtoomseweg af met de ‘opéras bouffe’ Le cadi dupé en Annette et Lubin. Hierna verdween Frederics troep van het toneel. Het theater zou worden overgenomen door Brochard en d’Alainville, acteurs van de Franse Comedie in Den Haag. Beide zusjes Schreuder kregen een engagement bij dat nieuwe gezelschap, dat echter nooit van de grond is gekomen.

In Parijs

Ergens in de eerste helft van 1764 vertrokken de Schreuders naar Parijs, waar het gezin uitgebreid werd met een meisje, Jeanne-Charlotte (1764-1850). In oktober van dat jaar debuteerde Françoise-Jacqueline, tegelijk met zus Louise, als danseres bij de Comédie Italienne, waar ze werd aangeduid als ‘Frédéric cadette’ ofwel ‘het jongste meisje Frederic’. Ze kreeg er een vaste aanstelling, maar hoe lang ze daar gespeeld heeft is niet bekend. Françoise-Jacqueline heeft minder naam gemaakt dan haar oudere zus, en zeker minder dan de jongste, Jeanne-Charlotte, die ook bij de Comédie Italienne terechtkwam en er als madame Saint Aubin beroemd werd. Het is niet bekend of Françoise-Jacqueline ooit getrouwd is en waar en wanneer ze is overleden.

Naslagwerken

Françoise-Jacqueline Schreuder komt uitsluitend voor in Franse naslagwerken, waar zij te vinden is in de lemmata van haar zussen, mme Moulinghen (Louise) en mme Saint Aubin (Jeanne-Charlotte). Voor die naslagwerken zie De Haas, ‘Het mysterie van de “enfans du sieur Frederic”’.

Archivalia

Haags Gemeentearchief: DTB, Dopen 356 (Waalse kerk), p. 358.

Voor verdere archivalische bronnen zie De Haas, ‘Het mysterie van de “enfans du sieur Frederic”’.

Rollen

Behalve de genoemde rollen speelde Françoise-Jacqueline Schreuder ofwel Charlotte Frederic ook Georgette in Georget et Georgette, Lise in On ne s’avise jamais de tout, Annette in Annette et Lubin. Voor het repertoire waarin de gezusters Schreuder/Frederic optraden zie de Amsterdamse Courant 1759-1762 (v/a okt. 1760 voor het repertoire aan de Overtoomseweg), de Oprechte Haarlemse Courant 1762-1763, en De Haas, Repertoire.

Literatuur

  • [François-Antoine] de Chevrier, L’Observateur des Spectacles (Den Haag 1762) dl. 1, 171; dl. 2, 106, 185-186, 320.
  • Théatre d’Amsterdam ou Receuil des operas comiques. Données depuis peu par la troupe du sr. Frederic (Amsterdam 1763) [hierin enkele rolverdelingen].
  • Schouwburgs almanac voor den jaare MDCCLXXXVI (Amsterdam z.j. [1785]) 66-69, aldaar 67 [samenstelling van de troep van d’Alainville en Brochard].
  • Bengt Ferrner, ‘Bengt Ferrner’s dagboek van zijne reis door Nederland in 1759’, G.W. Kernkamp ed., Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap 31 (1910) 314-509, aldaar 338-339, 386, 484.
  • J. Fransen, Les comédiens français en Hollande au XVIIe et au XVIIIe siècles (Parijs 1925) 338, 360-364 [geeft p. 360 abusievelijk ‘Sluyter’ als familienaam].
  • Rudolf Rasch, ‘Operatroepen in Amsterdam, 1750-1763’, De Achttiende Eeuw 29 (1997) 169-190, aldaar 178, 180-181, 187.
  • Aldo Lieffering, De Franse Comedie in Den Haag 1749-1793. Opera, toneel en het stadhouderlijk hof in de Haagse stedelijke cultuur (ongepubl. proefschrift Universiteit Utrecht 1999) 308, 316 [uitg. als The French Comedy 1749-1793. Opera, drama, and the stadholder court in The Hague urban culture (Utrecht 2007)].
  • Anna S. de Haas, Het repertoire van de Amsterdamse Schouwburg, 1700-1772 (Maastricht 2001) 12, 146-151, 256-257.
  • Cobi Bordewijk, Juliette Roding en Vic Veldhoven, Wat geeft die Comedie toch een bemoeijing! De Leidse Schouwburg 1705-2005 (Amsterdam 2005) 68-69.
  • Anna de Haas, ‘Kinderen op het toneel van de achttiende eeuw: wonderkinderen of toneelspelers in opleiding?’, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 32 (2009) 1-15, aldaar 6-8.
  • Anna de Haas, ‘Het mysterie van de “enfans du sr. Frederic”. Onthullingen over een toneelfamilie’, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 33 (2010) 52-68.
  • http://www.let.uu.nl/~Rudolf.Rasch/personal/dmh11.htm.

Illustratie

Françoise-Jacqueline en Louise Schreuder als Charlotte (links) en Caroline Frederic in het ballet Pygmalion. Gravure door Jan Punt naar G. van der Myn, 1759 (Stadsarchief Amsterdam, Collectie tekeningen en prenten).

Auteur: Anna de Haas

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 558

laatst gewijzigd: 13/01/2014