Lande, Wilhelmina Elisabeth Maria van der (1915-2007)

 
English | Nederlands

LANDE, Wilhelmina Elisabeth Maria van der, vooral bekend als Wil Fruytier (geb. Deventer 14-1-1915 – gest. Amsterdam 13-6-2007), wandtapijtweefster en kunstnijveraarster. Dochter van Antonius Lebuïnus Maria van der Lande (1890-1981), fabrikant-koopman, en Elisabeth Maria Antonia van den Bogaert (1892-1971). Wil van der Lande trouwde op 9-11-1940 in Geldrop met Petrus Johannes Marie Fruijtier (geb. 1912), jurist. Uit het huwelijk, op 21-12-1966 ontbonden, werden 3 dochters geboren.

Wil van der Lande werd in Deventer geboren als oudste in een rooms-katholiek gezin met twee dochters en vijf zonen. Vanwege de werkzaamheden van haar vader, een fabrikant-koopman, verhuisde het gezin regelmatig, onder meer naar Heerlen, Kilchberg (Zwitserland), Den Haag en Helmond. Op haar vijftiende ging Wil voor twee jaar naar het katholieke meisjespensionaat Notre Dame des Anges in Ubbergen. Welke opleiding(en) ze volgde is niet bekend. Na tussendoor nog op kamers in Velp en Nijmegen gewoond te hebben trouwde ze in 1940 vanuit haar ouderlijk huis in Geldrop met de jurist Pieter Fruytier. Wil Fruytier en haar man vestigden zich in Amsterdam, waar ze tussen 1941 en 1947 drie dochters kregen. In 1949 verhuisde het gezin naar Nieuwer Amstel, het latere Amstelveen.

Beginjaren

Vanaf 1948 werkte Wil Fruytier jarenlang als mode-redactrice bij Vrij Nederland. Aangemoedigd door de naoorlogse belangstelling voor tapijtkunst begon zij in 1957 als autodidact ook haar artistieke loopbaan. Haar eerste werk was een lappenkleed, opgebouwd uit geometrische vlakken, dat ze een jaar later exposeerde bij De Kunstkring in Rotterdam. Het leverde haar onder meer een opdracht op van de Nederlandsche Bank in die stad voor een geweven gobelin, dat ze liet uitvoeren door Weverij De Uil in Amsterdam – daar werden veel van haar vroege gobelins gemaakt. In de jaren vijftig werd Fruytier lid van de Gebonden Kunsten Federatie (GKf), de beroepsvereniging van kunstenaars uit allerlei disciplines, waaronder ontwerpers en fotografen, en van Kunstenaarsvereniging Sint Lucas. Vanaf deze tijd exposeerde ze regelmatig in binnen- en buitenland.

Experimentele jaren

In 1960 maakte Wil Fruytier haar eerste verre reis: ze bezocht Japan, Thailand en India. In de loop der jaren volgden onder meer reizen naar Peru en opnieuw naar India en Japan, waar de strakke eenvoudige architectuur haar boeide – ook de natuur en koptische weefsels waren voor haar een inspiratiebron. Terug in Amsterdam begon ze te experimenteren met verschillende soorten en diktes touw, waarvoor ze in haar atelier De Drietand in Ouderkerk aan de Amstel aparte weeftoestellen ontwikkelde. Het was zwaar werk en ze had er stevige handschoenen bij nodig. Het materiaal bepaalde de structuur en de weeftechniek de vorm. Het resultaat waren non-figuratieve, golvende touwkleden die als zelfstandige weefsels in de ruimte functioneerden. Haar gobelins weefde ze voortaan ook vaak in haar eigen atelier, hoewel ze eveneens gebruik bleef maken van andere weverijen. In 1961 had Fruytier in Galleria del Cavallino in Venetië haar eerste solotentoonstelling. Twee jaar later kreeg ze in Amsterdam de Thérèse Schwartze Prijs, bedoeld voor veelbelovende kunstenaressen.

In 1965 werd Fruytier artdirector bij de fameuze weverij De Ploeg in het Noord-Brabantse Bergeijk. Na twee jaar vertrok ze alweer – ze bleek te vooruitstrevend. In die periode scheidde zij van haar man, maar zij bleef als kunstenares wel zijn naam gebruiken. Ze ging verder met haar touwkleden, gemaakt van allerlei materialen uit de haven. In 1967 stapte ze over op volledig witte reliëfkleden, waarbij de schaduw van de dikke kabels voor de donkere nuance zorgde. In haar zoektocht naar licht-donker effecten ontstonden zogeheten ‘spleten’-kleden, met zowel horizontale als verticale inkepingen. Eind jaren zestig werd haar vormgeving strakker. Ze ging ook gekleurd materiaal gebruiken, zoals synthetisch polypropeen naast katoen, wat een grote contrastwerking teweegbracht en de kleden bovendien tweezijdig maakte. In 1968 exposeerde ze op de Biënnale van Venetië.

Topjaren

De jaren zeventig waren in artistiek opzicht Fruytiers topjaren. Haar weverij kon de vele opdrachten uit binnen- en buitenland bijna niet aan en omdat haar kleden steeds grotere afmetingen kregen, moest ze telkens naar een nog ruimer atelier omzien. In 1971 ging ze samenwerken met beeldend kunstenaar Raymond Both, vooral bekend van monumentale wandmozaïeken. Dat jaar had ze haar eerste overzichtstentoonstelling, in het Stedelijk Museum Schiedam. Fruytier bleef in beginsel het weefsel trouw, maar experimenteerde nu ook met nieuwe materialen zoals metalen kettingframes en perspex hulpconstructies waartussen ze draden spanden. Deze constructies paste ze toe in miniatuurkleden (van ongeveer 20 x 20 cm) die 1974 en 1980 op de tweejaarlijkse International Exhibition of Miniature Textiles in Londen te zien waren. Haar wandtapijten, die al eerder vrij hangende kleden waren geworden, ontwikkelde Fruytier in de jaren zeventig door tot autonome ruimtelijke objecten.

In 1980 hield Wil Fruytier in de Wetering Galerie in Amsterdam haar laatste eenmanstentoonstelling. In 1983 sloot ze haar atelier – vanaf 1977 zat dat in Amstelveen – en een paar jaar later verhuisde ze naar Amsterdam. In 1988 maakte ze met haar oudste kleindochter nog eenmaal een monumentaal touwkleed, op speciaal verzoek van de KLM. Het Nederlands Textielmuseum in Tilburg wijdde in 1996 een overzichtstentoonstelling aan Fruytiers oeuvre.

Wil Fruytier-van der Lande overleed in juni 2007 in Amsterdam, op 92-jarige leeftijd. Ze werd begraven op de rooms-katholieke begraafplaats Buitenveldert.

Architect in textiel

Wil Fruytier was in de jaren zestig en zeventig baanbrekend en toonaangevend op het gebied van wandtapijten en gobelins en geldt als pionierster van de textielkunst: ze haalde de textielkunst uit de conventionele sfeer van het toegepaste handwerk en gaf deze een plaats als autonome kunstvorm. Fruytier had een ongelooflijke energie en kreeg, hoewel autodidact, al snel (internationale) bekendheid. Ze werkte het liefst in opdracht en liet zich inspireren door de ruimte. Daarbij was ze zeer gesteld op overleg met de ontwerper (de architect) en de gebruikers van de betreffende ruimte, die ze met haar tapijten een zachtere en meer menselijke uitstraling wist te geven. Fruytier mag met recht ‘architect in textiel’ worden genoemd.

Het werk van Wil Fruytier is vooral te vinden in bedrijfscollecties, universiteiten en crematoria, maar haar kleden vonden ook hun weg naar (internationale) particulieren en Nederlandse musea. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bezit acht van haar werken.

Naslagwerken

Jacobs; Jacobs (2000); Saur; Scheen (1969).

Archivalia

  • Bevolkingsregisters Amsterdam; Den Haag; Deventer; Diepenveen; Geldrop; Helmond.
  • RKD, Den Haag: PDO [als Van der Lande].

Werk

Werk van Wil Fruytier bevindt zich onder meer in: Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen; Tilburg, Nederlands Textielmuseum en bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Zie voor een overzicht van het oeuvre: Wil Fruytier. Architect in textiel, 12-18.

Literatuur

  • Frans Megens, Wil Fruytier (Nijmegen 1991) [ongepubliceerde doctoraalscriptie Katholieke Universiteit].
  • Wil Fruytier. Architect in textiel (Tilburg 1996) [uitgave bij de gelijknamige tentoonstelling, Nederlands Textielmuseum Tilburg; met overzicht van tentoonstellingen en bibliografie].
  • Fransje Kuyvenhoven, ‘Acrobaat’, in: Uit de Rijkscollectie (Amersfoort/Zwolle z.j. [2014]), 30-31.
  • ‘De conservering van polypropyleen wandtapijten. Mag het licht aan?’, Nieuwsbrief ICN 10 (2007) nr. 3/4, 6.

Illustratie

Wil Fruytier, door onbekende fotograaf,jarien '70 (particuliere collectie via Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed).

Auteur: Fransje Kuyvenhoven, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (met dank aan Bianca Fruytier-van den Broeke en Cor Mulders)

laatst gewijzigd: 18/09/2017