Gallinat, Margaretha Maria (1894-?)

 
English | Nederlands

GALLINAT, Margaretha Maria (geb. Ragnit, Oost-Pruisen 16-10-1894 – gest. ?), bewaakster in concentratiekamp Ravensbrück en kamp Vught. Over haar ouders is niets bekend. Ze bleef ongehuwd, maar kreeg wel 1 zoon.

Margaretha Gallinat werd in 1894 geboren in een kleinburgerlijk gezin in het toen Oost-Pruisische Ragnit (tegenwoordig Neman), een plaats vlakbij Koningsbergen (tegenwoordig Kaliningrad). Tot haar vijftiende ging ze naar school, daarna vond ze werk als hulp in de huishouding. In 1916 werd ze tewerkgesteld als telefoniste in Rusland. Na de Eerste Wereldoorlog keerde ze terug naar huis, waar ze opnieuw als dienstmeisje aan de slag ging. In 1920 raakte ze ongehuwd zwanger en beviel van een zoon. Vier jaar later vond Gallinat een baan als verkoopster in een banketbakkerswinkel, maar toen zij deze baan in 1931 kwijtraakte, verhuisde ze noodgedwongen terug naar haar ouders. Bij hen woonde ze tot 1934, toen ze verkoopster werd in een stationskiosk in Rheine, nabij de Duits-Nederlandse grens. Tot begin 1940 heeft Gallinat hier gewerkt.

Bunkerdrama

In april 1940 las Margaretha Gallinat een krantenadvertentie waarin bewaaksters werden gevraagd voor ‘Frauenkonzentrationslager’ Ravensbrück. In dit concentratiekamp zaten vrouwen opgesloten die een overtreding tegen de samenleving hadden begaan en tegen wie de maatschappij beschermd moest worden, aldus de advertentietekst. Voor het bewakingswerk was geen speciale beroepsmatige kennis vereist. Gallinat solliciteerde. Na de oorlog verklaarde ze te zijn gezwicht voor het aantrekkelijke salaris, waardoor ze schulden kon afbetalen en beter voor haar zoon kon zorgen. In juni 1940 begon Gallinat aan een interne opleiding in Ravensbrück en kort daarna ging ze als bewaakster (‘Aufseherin’) aan de slag. Ze bleef tot augustus 1943 werkzaam in het kamp en wist op te klimmen tot plaatsvervangend ‘Oberaufseherin’ – hoofd van de bewaaksters.

Eind augustus 1943 werd Gallinat aangesteld als ‘Oberaufseherin’ van de vrouwenafdeling in kamp Vught, dat in mei van dat jaar was opgericht. Hier zaten zowel joodse als niet-joodse gevangenen opgesloten: tot september 1944 waren dat circa 1500 vrouwen. Toen Gallinat in Vught aankwam, werkten er al Nederlandse bewaaksters. Zij hadden hun dagindeling en taken altijd zelf kunnen bepalen, maar moesten zich voortaan aan Gallinats rooster en regels houden. Dit namen ze haar niet in dank af. Gallinat op haar beurt had moeite met het gebrek aan discipline bij de Vughtse bewaaksters. In Ravensbrück was ze het heel anders gewend. Er ontstond een wederzijdse antipathie.

Ook bij de vrouwelijke gevangenen had Gallinat een slechte reputatie en weinig gezag – ze gaven haar de bijnaam ‘Oberknol’. Toen een groep vrouwelijke gevangenen eens twee barakken moest schoonmaken maar dit verzaakte, ging Gallinat in haar eentje de vloer vegen. Op 15 januari 1944 vond het ‘bunkerdrama’ plaats: op bevel van de kampcommandant werden 74 vrouwen een nacht lang opgesloten in een kleine bunkercel, en daarbij kwamen tien vrouwen om het leven. Niet lang hierna – in mei 1944 – vroeg Gallinat ontslag aan. Haar aanvraag werd gehonoreerd en als reden vermeldde haar dossier: ‘hochgradiger, nervöser Erschöpfung’, een soort zenuwinzinking.

In december 1947 werd Margaretha Gallinat geïnterneerd en moest ze zich verantwoorden voor het Bijzonder Gerechtshof in Den Bosch. Ze hoorde twintig jaar tegen zich eisen, wat vooral samenhing met haar vermeende betrokkenheid bij het bunkerdrama. Suze Arts, een van de bewaaksters die bij de opsluiting in de bunker aanwezig was geweest, getuigde Gallinat daar te hebben gezien, de andere bewaakster zei van niet. Ook verklaringen van gevangenen spraken elkaar op dit punt tegen. In februari 1949 werd Gallinat veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Het Hof achtte niet bewezen dat ze bij het insluiten van de vrouwen was geweest. Daarbij toonde het Hof zich gevoelig voor het pleidooi van haar advocaat, die stelde dat Gallinat een typisch lid was geweest van de Duitse kudde: een bewaakster die haar baantje slecht aankon, hysterisch was en prikkelbaar. Ze was een weinig aangenaam mens in een weinig aangename positie. Maar, zo voegde haar advocaat toe, ze was niet sadistisch, alleen weinig humaan – iets wat van een Duits burgervrouwtje opgegroeid in de nazi-geest ook niet te verwachten was (NA, CABR, 73223, pleitnota).

In 1950 verleende koningin Juliana gratie aan Gallinat en werd ze naar Duitsland uitgewezen. Daarna verdween ze in de anonimiteit: zelfs haar overlijdensdatum is onbekend.

Archivalia

  • Nationaal Archief, Den Haag: CABR, inv. nr. 63557, S.S.M. Arts; inv. nr. 73223, M.M. Gallinat.
  • NIOD, Amsterdam: Hiemstra-Timmenga, A. (474), inv. nr. 4; Vught, Konzentrationslager Herzogenbusch (250g), inv. nr. 767, L.F. Verstegen.

Literatuur

  • Hans Olink, Vrouwen van Vught. Een nacht in een concentratiekamp (Amsterdam 1995).
  • B. Strebel, Das KZ Ravensbrück. Geschichte eines Lagerkomplexes (München 2003).
  • A. Pflock, Auf vergessenen Spuren. Ein Wegweiser zu Gedenkstätten in den Niederlanden, Belgien und Luxemburg (Bonn 2006) 87-122.
  • S. Erpel red., Im Gefolge der SS. Aufseherinnen des Frauen-KZ Ravensbrück. Begleitband zur Ausstellung (Berlijn 2007).
  • Marieke Meeuwenoord, Het hele leven is hier een wereld op zichzelf. De geschiedenis van kamp Vught (Amsterdam 2014).

Illustratie

Foto door onbekende fotograaf, 1944 (Nationaal Monument Kamp Vught).

Auteur: Marieke Meeuwenoord

laatst gewijzigd: 10/07/2015

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.