Gaskelyte, Sofia Alexandrovna (1904-1974)

GASKELYTE, Sofia Alexandrovna, vooral bekend als Sonia Gaskell (geb. Vilkaviškis, Litouwen 14-4-1904 – gest. Parijs, Frankrijk 9-7-1974), balletpedagoge en choreografe. Dochter van Sliomas Gaskel (gest. voor 1940), graanhandelaar, en Chaja Karnauskaité (gest. 1944). Sofia Gaskelyte trouwde (1) in 1922 met Abraham Goldenson (1870-1931), wiskundige en filosoof. Dit huwelijk werd ontbonden op 9-5-1936; (2) op 11-1-1939 in Amsterdam met Philipp Heinrich Bauchhenss (1894-1948), binnenhuisarchitect. Beide huwelijken bleven kinderloos.

Sofia (Sara) Gaskelyte groeide op als de op een na oudste van vijf dochters in een welgesteld joods-Russisch gezin. Haar vader was een graanhandelaar die veel van huis was. In het ouderlijk huis namen kunst en cultuur een belangrijke plaats in. Zo speelde de moeder piano en volgde Sara vanaf haar achtste met veel succes balletles. In 1914 verhuisde het gezin Gaskelyte naar Charkov in de Oekraïne. Sara bezocht er het lyceum, sloeg een klas over en deed daarom al op haar vijftiende eindexamen. Op school ontwikkelde zij een talent voor schrijven, en het was dan ook haar droom schrijfster te worden.

Palestina en Parijs

Al op vroege leeftijd voelde Sara zich aangetrokken tot het zionisme, vooral omdat het gezin Gaskelyte veel te lijden had van antisemitisme. De Oktoberrevolutie van 1917 en de daaropvolgende burgeroorlog brachten hierin geen verandering: geweld tegen joden bleef aan de orde van de dag. In 1919 probeerde Sara naar Palestina te komen, maar ze kwam niet verder dan de Kaukasus omdat de route was geblokkeerd. Uiteindelijk zou zij pas in 1921 in Palestina arriveren. Gaskelyte werkte er onder primitieve omstandigheden in de pas gestichte kibboets Ein Harod aan het meer van Tiberias, waar ze hielp bij het droogleggen van moerasgebied. Hier ontmoette ze omstreeks 1922 de wiskundige en filosoof Abraham Goldenson, die ervan droomde hoogleraar te worden aan de Sorbonne in Parijs. Gaskelyte had veel bewondering voor zijn intellectuele capaciteiten en trouwde met hem.

In 1924 vertrok het echtpaar per vrachtschip naar Frankrijk. In Parijs pakte Goldenson zijn studie weer op en voorzag Gaskelyte in hun beider levensonderhoud. Aangezien zij de Franse taal nog onvoldoende beheerste, leek het haar beter dat met dansen te doen dan met schrijven. Sonia Gaskell – zoals zij zich waarschijnlijk omstreeks die tijd ging noemen – begon op te treden bij allerlei gezelschappen, maar ook in nachtclubs. Samen met een vriendin had zij een acrobatiek-act, onder de naam ‘Ariane et Ariëlle’, waarmee zij tot aan de Côte d’Azur en in Italië optraden. Tegelijk volgde ze danslessen bij Ljubov Egorova, een voormalig prima ballerina van het Mariinsky Ballet in Sint-Petersburg, en Léo Staats, de leider van het Parijse Opera Ballet.

Nadat Gaskells huwelijk met Goldenson in 1936 was uitgelopen op een echtscheiding, stortte ze zich op het dansen. Om zo slank mogelijk te blijven hield zij zich aan een streng dieet. Hierdoor verzwakte haar weerstand en kreeg ze tuberculose. Ruim een jaar verbleef zij in een sanatorium even buiten Parijs. Na haar herstel opende Gaskell aan de Champs Elysées haar eigen balletstudio: ‘Les ballets de Paris’. Weldra werd zij opgenomen in het artistieke milieu van Parijs. Zo bezocht de Franse schilder en beeldhouwer André Derain geregeld haar studio en kwam zij in contact met de kring rond de dichter en schrijver Jean Cocteau. Naast het lesgeven maakte zij verschillende choreografieën en – met Staats – enkele filmballetten.

In 1937 ontmoette Gaskell op de Wereldtentoonstelling in Parijs de Amsterdamse binnenhuisarchitect Heini Bauchhenss. Begin 1939 trouwden zij, en zo kreeg Gaskell de Nederlandse nationaliteit. Nog voor de Tweede Wereldoorlog verhuisde het echtpaar naar Amsterdam. Daar begon Gaskell weer les te geven: aanvankelijk in een studio aan de Kerkstraat en vanaf 1940 aan de Zomerdijkstraat. Zij en haar man betrokken een appartement boven de balletstudio.

Amsterdam en Den Haag

Gaskell was een veeleisende docente en stond bekend om haar discipline en perfectionisme. Ze werkte hard en verwachtte hetzelfde van haar dansers. Omdat ze joods was, moest ze tijdens de Duitse bezetting onderduiken. Ze bleef echter lesgeven in haar balletstudio, die tijdelijk op naam van iemand anders stond. In 1942 had ze een joodse leerlinge in de klas die vanwege spanning en vermoeidheid huilend op de grond bleef zitten na een val. Gaskell eiste dat ze de oefening zou herhalen: ‘Wil jij danseres worden na de oorlog? Bedenk wel, dat niemand zal vragen wat je geleden hebt. Men zal eisen dat je goed danst’ (Haagse Post, 14-3-1959). Na de bevrijding richtte Gaskell een klein balletgezelschap op, met twaalf dansers en danseressen: Studio ’45. Wegens geldgebrek werd het gezelschap al na een half jaar opgeheven. Gaskell maakte vervolgens een aantal studiereizen, onder andere in 1947 naar New York.

Na de dood van Bauchhenss (maart 1948) stortte Gaskell zich nog meer op haar werk. Toen ze in januari 1949 in Rotterdam haar lezing ‘Drie eeuwen danskunst’ afsloot met een aantal dansen, oogstte ze zoveel succes dat ze besloot het concept uit te werken tot een volwaardige balletgroep – compleet met orkest – onder de naam Ballet Recital I. Geldgebrek dwong haar de voorstellingen te staken, maar in 1952 blies ze het gezelschap nieuw leven in onder de naam Ballet Recital II. Intussen was in Nederland de ‘balletoorlog’ uitgebroken: de overheid wilde een eind maken aan de versnippering van de Nederlandse balletwereld en een nationaal balletgezelschap oprichten. Toonaangevende balletdansers streden om het hardst om de leiding over dit nieuw op te richten gezelschap. Uiteindelijk trok Gaskell aan het langste eind. Op voorspraak van een commissie van buitenlandse deskundigen kreeg ze op 1 september 1954 de artistieke leiding van het Nederlands Ballet, met Den Haag als vestigingsplaats. Het gezelschap bestond uit 32 dansers en danseressen, voornamelijk afkomstig uit Ballet Recital.

Gaskell wilde van het Nederlands Ballet ‘een springlevend dansmuseum’ maken (Utrecht, 162) en zowel klassieke romantische balletten als modern werk op de planken brengen. Zij breidde het repertoire dan ook in hoog tempo uit: tussen oktober 1954 en juni 1961 werden alleen al zestien klassieke meesterwerken ingestudeerd. Ook gaf Gaskell jonge Nederlandse choreografen als Rudi van Dantzig en Jaap Flier de kans eigen werk te presenteren. Ze bleef zelf lesgeven, maar nodigde ook toonaangevende buitenlandse gastdocenten uit. Haar gedrevenheid paarde ze aan veeleisendheid en onbuigzaamheid, met als gevolg dat zij in die jaren verscheidene ernstige conflicten had met haar dansers. Ook vijf zakelijk leiders verlieten het balletgezelschap na onenigheid met Gaskell. In 1959 barstte de bom: na een hevig conflict verliet een aanzienlijk aantal dansers het Nederlands Ballet en richtte een eigen gezelschap op: het Nederlands Dans Theater. Onder hen waren Hans van Manen, Alexandra Radius en Rudi van Dantzig – laatstgenoemde zou overigens na één seizoen weer bij het Nederlands Ballet terugkeren.

Bij Het Nationale Ballet

Voor Gaskell was de oprichting van het Nederlands Dans Theater een klap, zowel emotioneel (zij beschouwde haar leerlingen als haar kinderen) als praktisch (ruim een derde van alle dansers vertrok). De opengevallen solistenplaatsen werden bezet door onervaren dansers als Olga de Haas. Volgens sommigen was deze plotselinge promotie er debet aan dat veel van hen voortijdig opbrandden (Van Schaik, 96).

In 1961 fuseerden het Amsterdams Ballet en het Nederlands Ballet tot Het Nationale Ballet, met Amsterdam als vestigingsplaats en Gaskell als artistiek leider. Haar beleid veranderde niet wezenlijk: traditie in combinatie met vernieuwing. Het verschil was de schaal: het Nationale Ballet was aanzienlijk groter dan het Nederlands Ballet, en zo kon Gaskell het repertoire blijven uitbreiden. Zij bracht avondvullende klassieke balletten, zoals Het Zwanenmeer (1965), maar produceerde ook moderne stukken, zoals Shirah (1962) van de Amerikaanse choreografe Pearl Lang. Van Van Dantzig werd in 1967 Romeo en Julia uitgevoerd, het eerste avondvullende ballet van een Nederlandse choreograaf.

Deze schaalvergroting was voor Gaskell niet gemakkelijk. Had ze zich eerder een moederrol kunnen aanmeten, nu moest ze leiding geven aan een bedrijf. Gaskell kon of wilde niet delegeren, en dat gaf veel problemen. Afgesproken werd dat zij in twee jaar haar beoogde opvolgers Rudi van Dantzig en Robert Kaesen zou inwerken, maar in 1968 kregen ze een zo hooglopend conflict, dat Gaskell voortijdig vertrok. ‘Het weggaan van het ballet heeft me erg veel ellende gekost. Ik had me er wel op voorbereid, maar toen het eenmaal zover was, kreeg ik een inzinking die maanden duurde’, zei ze later (gecit. Boswinkel, 1969). Op 9 oktober 1969 werd Gaskell groots geëerd. De feestelijkheden konden niet verhullen dat de verhoudingen binnen Het Nationale Ballet grondig waren verstoord. Zo repte Gaskell in haar dankrede met geen woord over haar opvolgers.

Na haar vertrek vestigde Gaskell zich in Parijs, waar zij freelance lesgaf aan dansdocenten. Op uitnodiging werkte zij ook af en toe in Rome, Israël en Florence. Het opleiden van dansers beschouwde zij als het ‘van generatie op generatie doorgeven van een boodschap, het besef dat je drager bent van iets dat groter is dan jezelf’ (gecit. Boswinkel, 1972). In 1969 werd Gaskell bestuurslid van de dansafdeling van UNESCO. In opdracht van de NCRV regisseerde zij verder een aantal televisiestukken op basis van Bijbelboeken, zoals Job (1969) en Hooglied (1970). Sonia Gaskell stierf in juli 1974 in een ziekenhuis in Parijs. Zij werd gecremeerd in Amsterdam-Osdorp. Haar as werd samen met die van haar tweede echtgenoot uitgestrooid over zee.

Waardering

Sonia Gaskell heeft veel betekend voor het naoorlogse Nederlandse danstheater, dat in belangrijke mate door haar inzet tot stand kwam. ‘Mevrouw kon mensen uit de grond stampen. Ze heeft mij ook uit de grond gestampt’, aldus Rudi van Dantzig (Utrecht, 163). Door haar veeleisende persoonlijkheid kwam zij vaak in conflict met haar omgeving. Tegelijkertijd stelde haar gedrevenheid haar juist in staat haar doel te bereiken. Over haar kunde waren de meningen verdeeld. Sommigen zagen haar als een genie, anderen vonden dat ze vooral een ‘met harde hand regerende balletmeesteres’ was, maar het lijdt geen twijfel dat ze een ‘niets en niemand sparende hartstocht voor de dans als kunst’ had (Hofstra).

Naslagwerken

BWN.

Archivalia

Theater Instituut Nederland, Amsterdam: documentatie over Sonia Gaskell.

Werk

Voor een overzicht van Gaskells choreografieën zie: L. Utrecht e.a., Het Nationale Ballet 25 jaar, 166-167.

Voor een overzicht van werken die onder leiding van Gaskell bij Nederlandse groepen op het repertoire kwamen zie: C. van de Weetering, ‘Geloof in wat je danst’, 101-107.

Literatuur

  • W. Boswinkel e.a., Het Nederlands Ballet (Haarlem 1958).
  • C. van Vliegen, in: Haagsche Courant, 27-1-1966.
  • L. Jacobs, in: Het Vrije Volk, 2-11-1968.
  • W. Boswinkel, in: Algemeen Handelsblad, 2-10-1969.
  • B. Dull, in: Het Parool, 3-10-1969.
  • Dag Mevrouw, NCRV 12-12-1969 [televisieportret].
  • W. Boswinkel, NRC Handelsblad, 14-1-1972.
  • C. van de Weetering, ‘Geloof in wat je danst’. Sonia Gaskell (Zutphen 1976).
  • E. van Schaik, Op gespannen voet. Geschiedenis van de Nederlandse theaterdans vanaf 1900 (Haarlem 1981).
  • L. Utrecht e.a., Het Nationale Ballet 25 jaar. De geschiedenis van het Nationale Ballet van 1961 tot 1986 (Amsterdam 1987).
  • J. Dekker, Sonia Gaskell: Mevrouw, NPS 4-10-2009 [televisiedocumentaire].
  • Diverse necrologieën in dag- en weekbladen.
  • Rudi van Dantzig, Herinneringen aan Sonia Gaskell (Amsterdam 2013).

Illustratie

Portretfoto, door D.G. Lanting, 1950 (Theater Instituut Nederland, Amsterdam).

Auteur: Liesbeth Sparks

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 908

laatst gewijzigd: 13/01/2014