Gerhardt, Ida Gardina Margaretha (1905-1997)

 
English | Nederlands

GERHARDT, Ida Gardina Margaretha (geb. Gorinchem 11-5-1905 – gest. Warnsveld 15-8-1997), dichteres, vertaalster en lerares klassieke talen. Dochter van Dirk Reinier Gerhardt (1871-1953), schooldirecteur, en Grietje (ook wel: Ietje of Ida) Blankevoort (1873-1934). Ida Gerhardt woonde vanaf 1956 samen met Marie van der Zeyde (1906-1990), dichteres, vertaalster.

Ida Gerhardt (ook wel: Zus) was de middelste van drie dochters in een Nederlands-hervormd onderwijzersgezin: Truus (1899-1960) was vijf jaar ouder, Mia (1918-1988) dertien jaar jonger. Ida groeide op in achtereenvolgens Gorcum, Schiedam en Rotterdam. Van kinds af aan had ze last van gevoelens van minderwaardigheid: naar haar idee was zij voor haar moeder minder belangrijk dan haar oudere zus Truus en het vóór haar geboren broertje, dat slechts één dag bleef leven. De moeder, door de dood van haar kind geestelijk beschadigd, voedde op met harde hand. Ida’s vader was een zachtaardige, ontwikkelde man tegen wie Ida opkeek. Ida en Truus waren leergierige kinderen die veel van lezen hielden. De sfeer in huis werd meer dan eens verstoord door botsingen tussen Ida en haar moeder.

In 1916 ging Gerhardt naar het Erasmiaans Gymnasium, waar ze van 1920 tot 1923 Grieks had van J.H. Leopold. Deze dichter, die geen geheim maakte van zijn bewondering voor de hoogbegaafdheid van zijn leerling, maakte een onuitwisbare indruk op haar en zou haar altijd blijven boeien. Later zou ze ook gedichten over de grote meester schrijven.

Studente en dichteres

Geïnspireerd door Leopold ging Gerhardt in 1924 in Leiden oude talen studeren. Zij werd er lid van de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten te Leiden (VVSL) en had een kamer op de Hogewoerd. Het gezin Gerhardt was kort daarvoor verhuisd naar Wassenaar, waar de geestelijke gezondheid van haar moeder dermate verslechterde dat ze moest worden opgenomen in een inrichting. Ida vond afleiding in Leiden, maar het geluk was haar niet lang gegund. Na een bijna onvermijdelijke ruzie thuis werd zij gestraft: de toegang tot het ouderlijk huis werd haar ontzegd en ze werd gedwongen haar studie in Utrecht voort te zetten, zonder de financiële ondersteuning van thuis. Haar zwager Sidney van den Bergh zorgde voor een toelage. In Utrecht kwam Ida, murw geslagen door ruzie en tegenslag, Marie van der Zeyde tegen, een klasgenote uit haar Rotterdamse gymnasiumtijd die in Utrecht Nederlands studeerde. Zij ontwikkelden een vriendschap die een leven lang stand hield en het karakter van partnerschap aannam. Met Marie sprak ze veel over poëzie en aan haar liet ze haar eerste verzen lezen.

Op 6 juli 1933 slaagde Gerhardt voor haar doctoraal examen. Omdat ze door de crisis geen betaald werk kon vinden, brak er een periode van armoede aan die leidde tot uithongering en dubbelzijdige pleuritis. Zij werd verpleegd in het ouderlijk huis, waar zij vanaf augustus 1934 weer in genade was aangenomen. In hetzelfde jaar overleed haar moeder. Dit verlies was voor Gerhardt, voor wie de verhouding met de moeder tot een obsessie was geworden, ook een bevrijding.

In 1935 verscheen van Ida’s zus Truus de dichtbundel De engel met de zonnewijzer. Zelf debuteerde ze op 27 juni 1936 met het gedicht ‘Kinderspel’ in het tijdschrift Tijd en Taak, waar Van der Zeyde recensies voor schreef. In datzelfde jaar vond Gerhardt een betaalde baan bij het Stedelijk Gymnasium van Groningen en verhuisde naar die stad. De tweede dichtbundel van Truus Gerhardt, die in het najaar van1936 verscheen, werd door Van der Zeyde negatief gerecenseerd in Tijd en Taak. Dit leidde ertoe dat de relatie tussen de zussen Gerhardt, toch al niet goed, verder verslechterde.

Toen Gerhardts – tijdelijke – betrekking in Groningen ten einde kwam, kreeg ze een baan aangeboden aan het Gemeentelijk Lyceum in Kampen. Het aftandse schoolgebouw en het feit dat de Kampense leerlingen minder ontwikkeld waren dan die in Groningen, deden haar aanvankelijk hevig naar Groningen terugverlangen, maar uiteindelijk raakte ze gehecht aan haar leerlingen en de stad. Ze verhuisde naar Kampen en zou er dertien jaar wonen. In de bundel Sonnetten van een leraar (1951) gaf zij de hoogte- en dieptepunten van het leraarschap (‘mijn prachtige, mijn hondse baan’) een klassieke vorm.

Op 9 mei 1940 verscheen haar eerste dichtbundel, Kosmos. De volgende dag brak de oorlog uit, met het gevolg dat de bundel nauwelijks aandacht kreeg. De titel staat voor haar overtuiging dat een gedicht geen chaos mag zijn. Net als de natuur kent een gedicht ‘wetten van wisseling en wederkering’: het moet een ‘zinvol geordend geheel’ zijn. Kosmos werd later opgenomen in de bundel Het veerhuis (1945), waarvan al snel een herdruk verscheen. Ook de bundels Buiten Schot (1947) en Kwatrijnen in opdracht (1949) waren zo succesvol dat ze werden herdrukt.

Gerhardts vroege werk wordt gekenmerkt door een sterke nadruk op de natuur. In de natuur zag zij symbolen die tegelijk naar een andere werkelijkheid en naar het eigen leven verwijzen. Het was volgens haar de taak van de dichter om zingeving te ontdekken. Zij zag haar dichterschap dan ook als een goddelijke opdracht. Gerhardts werk kan daarom worden gezien als laat- of postsymbolistisch. In 1942 promoveerde zij cum laude op een vertaling van Lucretius’ De rerum natura, een werk waarin de natuur de hoofdrol speelt. In december 1945 won Gerhardt voor haar werk de Van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De kwetsende reactie van de familie, die meende dat de prijs veeleer Truus toekwam, bevestigde Gerhardt in haar overtuiging, niet door haar familie begrepen te worden.

In 1951 verhuisde Gerhardt naar Bilthoven, waar ze de leiding kreeg over de gymnasiumafdeling van De Werkplaats, de progressieve onderwijsinstelling van Kees Boeke. Het onconventionele en muzische milieu trok haar aan. Bovendien kwam ze zo dichter bij Marie van der Zeyde te wonen, die in Utrecht woonde en werkte. Tot 1956 woonde Gerhardt er op kamers; daarna ging ze met Van der Zeyde samenwonen in een eigen huis in Bilthoven.

Relatief veel van Gerhardts gedichten gaan over haar familie. In 1955 verscheen de bundel Het levend monogram, waarin zij de moeizame relatie met haar moeder beschreef: ‘In memoriam matris’. Deze bundel luidde een nieuwe fase in haar dichterschap in: zij zou zich steeds meer gaan bezig houden met de mens, in plaats van met landschappen en de natuur. Voor Het levend monogram kreeg zij de poëzieprijs van de stad Amsterdam.

Latere jaren

In 1960 overleed haar zus Truus aan een darmbloeding. Een jaar later droeg Ida Gerhardt haar bundel De Hovenier op aan haar nagedachtenis. Ook deze bundel werd bekroond met de poëzieprijs van Amsterdam. Ondertussen begon het werk in Bilthoven haar steeds zwaarder te vallen – ze was enkele malen overspannen – en in 1963 werd ze afgekeurd. Ze ging Hebreeuws studeren om met Marie van der Zeyde de psalmen te kunnen vertalen. In 1964 rondde zij deze studie cum laude af. In 1967 verhuisden Gerhardt en Van der Zeyde naar Eefde, een plaats die ze vanwege de rust en het rivierenlandschap hadden uitgekozen. Intussen werkten ze vooral in een afgelegen huisje in Ierland aan hun psalmvertaling. Doordat ze rekening hielden met de ritmiek en de rijmsoort bleven ze dicht bij de oorspronkelijke tekst. In 1968 ontving Gerhardt voor de tot dan toe vertaalde psalmen en de herdruk van haar vertaling van Vergilius’ Georgica (1949) de prestigieuze Martinus Nijhoff-prijs. Hun voltooide psalmberijming verscheen in 1972 – het werd een ongekend succes.

Tot op hoge leeftijd bleef Gerhardt dichten. Vanaf haar zestigste schreef zij voornamelijk over de ouderdom, met een scherpe blik op het leven en de dood. Haar stijl werd steeds directer, haar versregels werden korter. In 1979 ontving zij voor haar oeuvre de P.C. Hooftpijs. Zelf vond ze dat ze deze prijs eerder had moeten krijgen. In 1980 verscheen ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag de bundel Verzamelde gedichten.

Aan het eind van haar leven raakte Gerhardt steeds meer in de war. Ze werd bijna blind, en in haar paranoia dacht zij dat jongeren haar lastigvielen. Op 19 maart 1990 overleed Van der Zeyde en het jaar erop kwam ze terecht in een verzorgingstehuis. Daar overleed Ida Gerhardt op 15 augustus 1997, 92 jaar oud. Ze werd niet bij haar familie in Wassenaar begraven, maar gecremeerd. Haar as werd uitgestrooid over de Noordzee, zoals ook met Leopold was gebeurd.

Reputatie

Gerhardts gedichten zijn in hun vormvastheid traditioneel. Zij experimenteerde niet met de vorm, zoals de dichters van de Beweging van Vijftig dat deden. Altijd goot zij haar gedichten in vaste vormen, sonnetten, kwatrijnen en rondelen. Zij bleef trouw aan de dichtregels die zij had geleerd van Leopold. Haar traditionele poëzie en haar wat schuwe karakter hielden haar op grote afstand van het rumoerig literair leven.

In de literaire kritiek kreeg Ida Gerhardt niet altijd de waardering die zij zich gewenst had. Haar bundels vonden niettemin redelijk aftrek. Gedurende haar leven won zij vele prijzen en werd zij tweemaal koninklijk onderscheiden: in 1972 tot ridder en in 1981 tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Een bredere publieke bekendheid kreeg zij pas vanaf 1970, toen uitgever en classicus Johan B.W. Polak zich over haar had ontfermd en zich inzette voor uitgaven en heruitgaven van haar werk. Gerhardt heeft zich – ook nadat haar werk een groter publiek bereikte – altijd miskend gevoeld. Ergernis over negatieve oordelen over haar werk bracht haar meer dan eens op het oorlogspad, wat afbreuk deed aan haar reputatie. Haar werk kan echter worden geschaard in de traditie van Roland Holst, Bloem en Gossaert. Dat Gerhardts werk ook tegenwoordig nog wordt gewaardeerd, blijkt uit het feit dat in 2003 het Ida Gerhardt-genootschap werd opgericht, uit talloze herdrukken en de bijna onafgebroken stroom aan publicaties over haar werk en (schoorvoetend) haar leven.

Naslagwerken

BLGNP; Van Bork/Verkruijsse; Ter Laan.

Archivalia

  • Regionaal Archief Zutphen: Collectie Ida Gerhardt (1920-2000).
  • Letterkundig Museum, Den Haag: brieven van en aan Ida Gerhardt.

Publicaties

Behalve de hierboven genoemde publicaties:

  • De argelozen (1956).
  • De slechtvalk (1966).
  • Twee uur: de klokken antwoordden elkaar (1971).
  • Vijf vuurstenen (1974).
  • Dolen en dromen (1980).
  • De zomen van het licht (1983).
  • De adelaarsvarens (1988).
  • Verzamelde gedichten, 3 delen (1999).
  • Courage! Brieven, Ben Hosman en Mieke Koenen ed. (2005).

Literatuur

  • M.H. van der Zeyde, De hand van de dichter. Over Ida Gerhardt (Amsterdam 1974).
  • W. Spillebeen, Ida Gerhardt (Nijmegen 1981).
  • M.H. van der Zeyde, De wereld van het vers. Over het werk van Ida Gerhardt (Amsterdam 1986).
  • F. Berkelmans, Kwatrijnen, sonnetten en kleengedichtjes: over drie genrebundels van Ida Gerhardt (Egmond-Binnen 2000).
  • A. Reitsma, ‘Het woord te vondeling’, Ons Erfdeel 43 (2000) 3, 370-390.
  • M. de Groot, In gesprek met Ida Gerhardt: interview, brieven, gedichten en beschouwingen (Baarn 2002).
  • M. van den Berg en D. Idzinga, Trots en in zichzelf besloten. Ida Gerhardt. Afkomst en eerste deel van haar leven (Kampen 2005).
  • Mieke Koenen, Dwars tegen de keer. Leven en werk van Ida Gerhardt (Amsterdam 2014) [verschenen na publicatie van dit lemma].

Illustratie

Portret, onbekende fotograaf 1940 (Literatuurmuseum, Den Haag).

Auteur: Peter Altena (met dank aan Siddeq Qureshi)

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 911

laatst gewijzigd: 21/07/2017