Gerlings, Arnolda Constantia Eliana (1875-1942)

 
English | Nederlands

GERLINGS, Arnolda Constantia Eliana (geb. Arnhem 13-5-1875 − gest. Noordwijk 11-5-1942), eerste gepromoveerde theologe van Nederland. Dochter van Pieter Ericus Gerardus Gerlings (1836-1881), jurist, en Geertruida Elbertina Buddingh (1838-1888). Constance Gerlings bleef ongehuwd.

Constance Gerlings was afkomstig uit een patriciërsfamilie. Met haar drie broers groeide ze op in Arnhem, waar haar vader substituut-officier van justitie was bij de arrondisementsrechtbank. Al vroeg verloor ze haar ouders: haar vader toen ze zes, haar moeder toen ze dertien jaar oud was. Mogelijk nam grootmoeder van moederszijde, die ook in Arnhem woonde, daarna de zorg voor de kinderen op zich.

Theologiestudie

Na de mms in Arnhem en een verblijf aan een kostschool in Hilden bij Düsseldorf ging Constance Gerlings naar Lausanne, waar ze het onderwijsdiploma Frans behaalde. In kerkelijk opzicht voelde ze zich aangetrokken tot de ‘Église évangelique libre’. Eenmaal terug in Arnhem deed Gerlings op 21-jarige leeftijd belijdenis in de Nederlandse-hervormde Kerk en begon ze aan de opleiding tot godsdienstonderwijzeres. In 1898 behaalde ze haar akte, waarna ze drie jaar catechisatielessen gaf in Arnhem. Haar ambities reikten echter verder.

In 1902 werd Gerlings toehoorster aan de Utrechtse universiteit om zich voor te bereiden op het staatsexamen. Naar alle waarschijnlijkheid kon ze haar studie financieren dankzij de erfenis van haar ouders. In 1905 begon ze – inmiddels dertig jaar – met theologie. Tijdens haar studie werd ze lid van de Nederlandsche Christen-Studenten Vereniging (NCSV). Hierbinnen gaf ze leiding aan een aantal meisjeszomerclubs en zette zij zich als voorzitster van de interuniversitaire Nederlandsche Vrouwelijke Christen-Studentenvereniging (NVCSV) in voor de oprichting van een clubhuis voor meisjes in Lunteren. Van 1906 tot 1908 was zij redactiesecretaris van Eltheto, het orgaan van het gelijknamige Utrechtsche Studenten Zendingsgezelschap.

Al in haar eerste studiejaar (1905) vroeg Constance Gerlings de Synodale Commissie van de kerk om inschrijving in het kerkelijk album. Ze verzocht de commissie om – indien nodig – hiervoor bij de synode een wijziging van de reglementen in te dienen. Haar verzoek werd afgewezen. Hierop diende ze zelf tussen 1906 en 1913 maar liefst zevenmaal een beargumenteerd verzoek bij de Algemene Synode in om de reglementen die de openstelling van het ambt voor vrouwen belemmerden, te wijzigen. Na haar kandidaatsexamen (1908) kon ze ook niet door naar de kerkelijke opleiding omdat vrouwen het kerkelijk examen niet mochten afleggen. Daarom koos ze voor de doctoraalopleiding godgeleerdheid in Groningen – Utrecht was haar ongetwijfeld te orthodox en Leiden bood haar onvoldoende mogelijkheden zich te specialiseren in Bijbelse theologie en de geschiedenis van het vroege christendom. In 1910, na op haar vierde verzoek weer een afwijzing te hebben ontvangen, besloot ze een proefschrift te schrijven over de positie van vrouwen in de vroege kerk. In 1911 behaalde ze haar doctoraal.

Proefschrift

Op 9 juli 1913 promoveerde Constance Gerlings in Groningen bij professor Hajo Uden Meyboom op het proefschrift De vrouw in het oud-christelijk gemeenteleven. Daarmee was ze de eerste vrouw in Nederland met een doctorsgraad in de godgeleerdheid. Met haar historische en exegetische studie hoopte ze de dogmatische argumentatie tegen de openstelling van het ambt voor vrouwen te weerleggen. Gelijkstelling van man en vrouw in het kerkelijk leven was volgens haar in overeenstemming met de eerste christelijke principes. In de beginperiode van het christendom hadden ook vrouwen functies in het kerkelijk leven vervuld, maar daarna was hun positie in de kerk verslechterd, aldus Gerlings. De zestiende-eeuwse kerkhervormers hadden zich wel laten inspireren door het vroege christendom met hun these van het ‘algemeen priesterschap der gelovigen’, maar hadden verzuimd de oorspronkelijke situatie te herstellen. Hierdoor was het ambt van predikant voor vrouwen gesloten gebleven.

Nog voor haar promotie was Gerlings voorzitter geworden van de subcommissie godsdienst van de Tentoonstelling ‘De Vrouw, 1813-1913’. Een van de tentoongestelde voorwerpen op de tafel in de afdeling Godsdienst was haar proefschrift. Gerlings verzorgde tijdens de tentoonstelling ook een lezing over de positie van de vrouw in het oud-christelijk gemeenteleven. In 1914 behoorde ze tot de oprichters en redacteurs van het vrijzinnige periodiek Omhoog. Onafhankelijk-godsdienstig tijdschrift.

Passende werkkring

In 1913 ondernam Gerlings een laatste poging de ‘Mannen Broeders’ op grond van haar academische studie ervan te overtuigen dat ook vrouwen het recht hadden om het ambt te bekleden. Het was haar zevende verzoek, maar ook ditmaal bleef het zonder resultaat. Noodgedwongen moest ze op zoek naar een voor een vrouwelijke theoloog passende werkkring buiten de kerk. Ze solliciteerde in 1914 met succes naar de functie van directrice van het ziekenhuis in Noordwijk aan Zee. In deze functie verzorgde Gerlings catechisatielessen en leidde ze in 1916 de godsdienstoefeningen voor Duitse kinderen die daar om gezondheidsredenen verbleven. In 1917 werd ze benoemd tot godsdienstonderwijzeres bij de hervormde gemeente van Zandvoort en kreeg ze ook de mogelijkheid te preken. In 1921 verhuisde Gerlings naar Den Haag, waar ze ‘voorgangster’ werd van de jeugdkerk in de Duinoordkerk in Den Haag.

Met steun van een aantal vrouwenorganisaties richtte Gerlings in 1922 opnieuw een verzoek aan de synode. Dit keer drong ze erop aan vrouwelijke doctoren in de theologie toe te laten tot het hulppredikantschap wanneer zij ook in bezit waren van de akte godsdienstonderwijs. Haar verzoek sorteerde effect, want in 1924 besloot de synode het kerkelijk examen open te stellen voor vrouwen. Onmiddellijk schreef de inmiddels 49-jarige Gerlings zich in aan de Leidse universiteit om de kerkelijke colleges te volgen en nog hetzelfde jaar behaalde ze het kerkelijk examen. Vanaf 1925 was ze ‘particulier jeugdpredikante’ van een eigen jeugdkerk in haar nieuwe woonplaats Noordwijk aan Zee.

In 1927 werd Gerlings lid van de eerste Nederlandse Soroptimistenclub in Den Haag. Een jaar later werd ze gekozen in het bestuur. In 1932 trok ze zich terug omdat zij de zondagmiddagbijeenkomsten niet meer kon combineren met haar kerkelijke werkzaamheden. Tot 1933 bleef Gerlings als jeugdpredikante verbonden aan de Haagse Duinoordkerk. Haar werk voor de jeugdkerk in Noordwijk bleef ze doen tot haar dood.

Op 11 mei 1942, twee dagen voordat ze 67 zou worden, overleed Constance Gerlings. Ze werd begraven in Noordwijk.

Betekenis

Het zou nog 25 jaar duren voordat het ideaal van Constance Gerlings werd gerealiseerd: pas in 1967 werd de kerkorde definitief aangepast en het predikambt in de Nederlandse-hervormde Kerk officieel voor vrouwen opengesteld. Dankzij de opkomst van de feministische theologie in de jaren negentig kreeg Gerlings erkenning als een ‘originele theologe’ die zich met de onderwerpskeuze van haar proefschrift had gemanifesteerd als een vroege representante van vrouwenstudies theologie.

Naslagwerken

BLGNP; Nederland’s Patriciaat.

Archivalia

  • Noord-Hollands Archief, Haarlem: 1406 Gerlings Stichting en Gerlings Vereniging te Haarlem (bevat o.a. een koker met diploma’s van dr. A.C.E. Gerlings).
  • Atria, Amsterdam: Archief Arnolda Contantia Eliana Gerlings, IIAV00000075, 1914,1917: Stukken betreffende door haar gehouden lezingen over het vrouwenkiesrecht in de kerken, 1914, 1917.

Publicaties

  • De vrouw in het oud-christelijk gemeenteleven (Amsterdam 1913) [diss].
  • ‘Overzicht van de Afdeeling “Godsdienst” op de Tentoonstelling “De Vrouw” in 1913’, in: Gedenkboek van de Tentoonstelling ‘De Vrouw 1813-1913’ (Amsterdam 1913) 44.
  • ‘Het aandeel van de vrouw in het openbaar godsdienstig leven’, in: Catalogus van de tentoonstelling ‘De Vrouw 1813-1913’ (Amsterdam 1913) 500.
  • ‘Eenige gedachten over den zondag’, Droom en Daad. Maandblad voor Jonge Meisjes 1 (1923) 187-189.
  • Zie voor overige artikelen en boekbesprekingen de Bibliografie (D) in Droës, ‘Dr. Constance Gerlings’, 165-166.

Literatuur

  • Inge de Wilde, ‘Arnolda Constantina Eliana Gerlings (1875-1942)’, in: idem, 249 Vrouwen na Aletta Jacobs. Vrouwelijke gepromoveerden aan de Rijksuniversiteit Groningen 1879-1987 (Groningen 1987) 24-28.
  • Freda Droës, ‘Dr. Constance Gerlings. De ontwikkeling van een geëngageerd theologe’, in: idem e.a. red., Proeven van vrouwenstudies theologie, deel 3 (Leiden/Utrecht 1993) 97-166.
  • Inge de Wilde, Nieuwe deelgenoten in de wetenschap. Vrouwelijke studenten en docenten aan de Rijksuniversiteit Groningen 1871-1919 (Assen 1998) 94-96.
  • K.K. Lim, Het spoor van de vrouw in het ambt. Een historische studie naar de openstelling van het ambt voor de vrouw in de Evangelisch-Lutherse Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden, de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland (Proefschrift Theologische Universiteit Apeldoorn 2001) 64-74.
  • Mirjam de Baar en Froukje Pitstra, ‘Van “een artikel in weelde” tot beroep. Discussies over de geschiktheid van vrouwen voor de theologiestudie en het predikambt, 1898-1913’, in: Mirjam de Baar e.a. red., Honderd jaar vrouwen op de kansel, 1911-2011 (Hilversum 2011) 15-36.
  • Froukje Pitstra, Ontelbare enkelvouden. Dr. A. Mankes-Zernike (1887-1972). Een biografie (Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen 2014) 58-60.
  • Marjet Derks, ‘Een glas-in-lood plafond? “De Vrouw 1813-1913” en andere verbeeldingen van vrouwen, religie en emancipatie’, BMGN 130 (2015) 123-145.

Illustratie

Constance Gerlings, door onbekende fotograaf, 1913 (Spaarnestad Photo).

Auteur: Mirjam de Baar

laatst gewijzigd: 27/02/2017