Grebber, Maria de (ca. 1602-1680)

GREBBER, Maria de (geb. Haarlem ca. 1602 – begr. Enkhuizen 25-11-1680), schilderes. Dochter van Frans Pietersz. de Grebber (1572/3-1649), schilder, en Hillegont Fredericxdr. van Lijnhoven (gest. 1643). Maria de Grebber trouwde op 11-10-1629 in Haarlem met Wouter Coenraetsz. de Wolff (1590-1636), pottenbakker. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Maria de Grebber groeide op in Haarlem als oudste dochter in een katholiek gezin van zes of zeven kinderen. Haar vader was historie- en portretschilder, twee van haar broers (Pieter en Albert) werden ook kunstschilder en een derde broer (Maurits) werd zilversmid. Maria heeft het vak ongetwijfeld samen met haar broers van haar vader geleerd. Er is geen werk uit haar Haarlemse tijd bekend, maar Samuel Ampzing noemt haar, samen met Judith Leyster, in zijn stadsbeschrijving van Haarlem (1628). De passage is als volgt: Nu moet ik Grebber noemen,/ Den vader ende zoon, en ook de dochter roemen./ Wie zag ooit schilderij van eene dochters hand?/ Hier schildert er nog een met goed en kloek verstand (gecit. Van Thiel-Stroman, 228). In de kantlijn bij deze passage licht Ampzing toe dat het gaat om Fransz. Grebber, zijn zoon Pieter en dochter Marietje, en Judith Leyster. Omdat de twee schilderessen hier in één adem worden genoemd, is wel verondersteld dat zij samen het vak van vader De Grebber hebben geleerd.

Na haar huwelijk met de uit Utrecht afkomstige Wouter de Wolff verhuisde Maria de Grebber naar Enkhuizen, waar haar echtgenoot zich in dat jaar als pottenbakker had gevestigd. Daar schilderde zij in 1631 de twee portretten van haar zwager, pastoor Augustinus de Wolff. Eén ervan is in het bezit van het Rijksmuseum Het Catharijneconvent in Utrecht, het andere is in 1935 in Londen geveild. Het is overigens onduidelijk of Maria de Grebber in Enkhuizen als zelfstandig schilderes werkzaam is geweest. Als het door Gabriël Metsu geschilderde portret van een oude schilderes inderdaad, zoals wordt aangenomen, Maria de Grebber voorstelt, dan zou dit erop kunnen duiden dat zij in ieder geval een eigen atelier had. Van Thiel-Stroman suggereert dat zij ook aardewerk voor haar mans pottenbakkerij heeft beschilderd.

Toen Wouter de Wolff in december 1636 overleed, bleef Maria de Grebber samen met dochter Isabella (1631/2-1718) in Enkhuizen wonen. Zij nam twee alleenstaande vrouwen en een weduwnaar in huis, waarschijnlijk als een vorm van kostwinning. Of zij toen nog schilderde, is twijfelachtig. Schrevelius besteedt in zijn Harlemias (1648) wel aandacht aan deze Haarlemse schilderes, die in het perspectief zeer vast en bedreven was, maar hij schrijft in de verleden tijd – iets dat ook verband kan houden met het Haarlemse perspectief, de stad die zij al in 1629 had verlaten. Hij stelt dat zij zeer geestig [: talentvol] heeft geschilderd (gecit. Van Thiel-Stroman, 229).

In 1658 trouwde dochter Isabella met de eerder genoemde schilder Gabriël Metsu en vertrok naar Amsterdam, maar in 1667 keerde zij na een kinderloos huwelijk als weduwe terug naar Enkhuizen. In 1678 lieten moeder en dochter een testament opmaken waarin zij elkaar als erfgenaam benoemden. Twee jaar later werd Maria de Grebber in de Westerkerk van Enkhuizen begraven. Haar dochter zou haar 28 jaar overleven.

Naslagwerken

Van der Aa; Elck zijn waerom; Immerzeel; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; Regt; Wurzbach.

Werk

Slechts twee werken van de hand van Maria de Grebber zijn bekend. Het gaat om twee portretten van haar zwager, pastoor Augustinus de Wolff, die allebei in 1631 zijn geschilderd. Zie Ekkart, 80-82 en de entry in Judith Leyster, 230-233.

Literatuur

  • Rudolf E.O. Ekkart, Portretten in de gouden eeuw. Tentoonstellingscatalogus Zuiderzeemuseum (Zwolle/Enkhuizen 1990) 80-81 .
  • Irene van Thiel-Stroman, Maria de Grebber, in: James E. Welu en Pieter Biesboer red., Judith Leyster. Schilderes in een mannenwereld. Tentoonstellingscatalogus Frans Halsmuseum, Haarlem (Zwolle/Haarlem 1993) 228-229 [ook verschenen in het Engels].

Illustratie

Portret van een schilderes (wellicht Maria de Grebber) door Gabriël Metsu (particuliere verzameling). Uit: Judith Leyster.

Redactie

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 239

laatst gewijzigd: 13/01/2014