Hadewijch (actief ca. 1250-?)

 
English | Nederlands

HADEWIJCH (actief Antwerpen ca. 1250), schrijfster van mystieke werken.

Over het leven van Hadewijch zijn geen getuigenissen bewaard. Wat we over haar weten, is afgeleid uit haar werk. Dat bestaat uit 31 brieven, 16 rijmbrieven, 45 liederen, 14 visioenen en de ‘Lijst der volmaakten’. In laatstgenoemd document somt Hadewijch min of meer chronologisch een reeks mensen op die zij in haar ‘dertiende visioen’ als volmaakte minnaars van God had geschouwd. Het is vooral deze tekst geweest die de Vlaamse jezuïet Jozef van Mierlo (1878-1958) in staat stelde haar literaire activiteit te dateren vóór of omstreeks het midden van de dertiende eeuw. Cruciaal in zijn argumentatie was de vermelding, als laatste in een reeks van gestorven volmaakten die ze tot haar tijdgenoten rekent, van ‘een begijn die door meester Robbeert werd terechtgesteld om haar waarachtige liefde’. Ongetwijfeld doelde ze met ‘meester Robbeert’ op de beruchte dominicaan Robert le Petit alias ‘le Bougre’, die in 1236 en 1239 als pauselijk inquisiteur zo’n 260 mensen uit het noorden van Frankrijk en uit de Nederlanden op de brandstapel bracht. Hadewijch moet haar ‘Lijst’ dus vrij kort na de executie van deze anonieme begijn hebben opgesteld.

Begijn?

Dat Hadewijch een terechtgestelde begijn in haar ‘Lijst der volmaakten’ opnam, is veelbetekenend. Ook onder de andere volmaakte tijdgenoten die zij noemt, zijn er velen die zich in de marge van de institutionele Kerk bevonden: kluizenaars en kluizenaressen, begijnen, ‘een manneke dat niemand kent’, ‘een verstoten priester’, ‘een vergeten magistertje alleen in een celletje’. Opvallend is verder dat vrouwen in de meerderheid zijn. Op grond van deze vaststellingen kwam Van Mierlo tot de conclusie dat Hadewijch gesitueerd moest worden in de religieuze vrouwenbeweging van de dertiende eeuw: vooral in de Brabants-Luikse gewesten kozen vrouwen uit alle standen, geïnspireerd door de spiritualiteit van de cisterciënzers, voor een leven als bruid van Christus. Lang niet al deze vrouwen konden of wilden intreden in de cisterciënzerinnenkloosters die toen als paddestoelen uit de grond schoten. Ze leefden als religieuzen ín de wereld en werden ‘mulieres religiosae’ genoemd. Hun reguliere levenswijze zonder regel riep wantrouwen op, en daarom probeerden de religieuze en wereldlijke overheden deze beweging te kanaliseren in begijnhoven.

Niets wijst er echter op dat Hadewijch ooit in een begijnhof heeft geleefd. Uit haar brieven kan worden opgemaakt dat zij leiding gaf aan een groepje vriendinnen, dat ze daarbij tegenwerking ondervond en ook in haar eigen kring met onbegrip en verdeeldheid af te rekenen had. Ook lijkt zij op een bepaald ogenblik van haar vriendinnen gescheiden te zijn geweest, en één keer maakt ze gewag van de mogelijkheid dat ze gevangen zou worden gezet. Het is in deze context van een charismatisch leiderschap over een kleine groep gelijkgestemde vrouwen dat haar werk moet zijn ontstaan.

Waar Hadewijch geleefd heeft, is niet bekend. Volgens een aantekening in een register dat omstreeks 1487 in het Leuvense klooster Sint-Maartensdal vervaardigd werd, zou zij uit Antwerpen afkomstig zijn. Onwaarschijnlijk is dat niet, als men in aanmerking neemt dat zij in haar 'Lijst' ook melding maakt van een ‘heer Hendrik van Breda’. De heren van Breda waren eigenaar van het nabij Antwerpen gelegen Ekeren en een deel van Schoten en lijken in de dertiende eeuw vooral in het laatstgenoemde dorp te hebben geresideerd.

Over Hadewijchs biografie zijn in recente jaren ook nog andere hypotheses geopperd: de ‘Lijst’ zou pas na 1272 gedateerd moeten worden (Hendrix); Hadewijch zou pas in het begin van de veertiende eeuw actief zijn geweest en mogelijk identiek zijn met de Brusselse begijn Heilwijch Bloemaerts (Scheepsma); ze zou in de jaren dertig van de dertiende eeuw de eerste abdis geweest zijn van het cisterciënzerinnenklooster ’s-Hertogendaal te Hamme-Mille (Faesen) of omstreeks 1220 als kluizenares geleefd hebben in de omgeving van Luik en later in die van de cisterciënzerabdij te Villers (Wilbrink). Geen van deze veronderstellingen heeft in het Hadewijch-onderzoek veel aanhang verworven.

Werk

Alle werken van Hadewijch hebben één gemeenschappelijk onderwerp: de minne, de mystieke liefde tussen God en mens. En allemaal zijn ze geschreven voor vriendinnen, die net als zijzelf door de minne gegrepen waren.

Dat komt het best tot uiting in haar beide brievenbundels. De brief is in de Middeleeuwen bij uitstek het genre van de vriendschap, en dat blijkt al uit de wijze waarop Hadewijch de geadresseerde aanspreekt: als ‘suete’ of ‘lieve minne’, als ‘hertelike lieve’ of ‘lieve herte’, maar vooral als ‘suete’ of ‘lieve kint’. Deze laatste aanspreking hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat de geadresseerde nog piepjong was: ‘kind’ is immers een gangbare aanspreking in belerende teksten, waarin het gezag van diegene die onderwijst, samengaat met genegenheid jegens diegene die onderwezen wordt. Hadewijch zelf verschijnt in de brieven als een zusterlijke vriendin en een moederlijke leidster, maar vooral als een hartstochtelijke minnares. Dit geeft haar het gezag om haar vriendinnen tot even radicale minnedienst op te roepen: zij doet zelf wat ze anderen aanraadt.

Veel concrete informatie over de schrijfster is er in de brieven niet te vinden. Middeleeuwse brievenbundels zijn geen toevallige verzamelingen van privébrieven zonder meer, maar bewust opgezette ‘literaire’ edities, die ook een breder publiek moesten bereiken. Sporen van een redactieproces zijn vooral in de 31 prozabrieven duidelijk zichtbaar. Zo is de zeer uitvoerige en retorische groet waarmee de eerste brief begint duidelijk ook bedoeld als proloog op de bundel. Verder zijn (bijna) alle eigennamen weggelaten, zijn van sommige brieven slechts gedeeltes opgenomen, is de openings- of de afscheidsgroet verdwenen enzovoort. Tekenend voor de belerende functie van brievenbundels en ook voor Hadewijchs verzameling is dat de grens tussen brief en traktaat vaak nauwelijks te trekken is.

Voor wie Hadewijch haar visioenen schreef, is op het eerste gezicht minder duidelijk. Pas in het veertiende en laatste visioen spreekt ze haar lezeres rechtstreeks aan: ‘En dat ik jou zo liefhad en je geen uur kon vergeten en je nog niet vergeten kan’ (Visioen 14, 57-59). Ook hier was de geadresseerde dus een vriendin, van wie ze in dezelfde passage bovendien zegt dat ze leeft in ‘dood’ en in ‘ongenade vanwege de minne’. Beide termen hebben in Hadewijchs werk een specifieke betekenis: de mens ervaart ‘ongenade’ vanwege de minne, wanneer hij beseft dat hij niet op eigen kracht tot bij God kan komen; hij is ‘dood’, wanneer zijn liefde door vertwijfeling is verlamd. De vriendin voor wie Hadewijch schreef, leefde in wanhoop. Haar liefde was nog onvolgroeid.

Niet toevallig noemt Hadewijch in het allereerste visioen zichzelf ook ‘te jong en te onvolwassen’. Zij merkt op dat zij toen wel uit was op het genot om één te zijn met God, maar dat zij daarvoor nog lang niet genoeg had gewerkt en geleefd. Vervolgens beschrijft zij – visioen na visioen – haar eigen mystieke groei van kindsheid tot volwassenheid, totdat zij in het dertiende visioen de hoogste hemel, die van de serafijnen, heeft bereikt. Deze mystieke groei is ook een leerproces: geleidelijk komt Hadewijch tot het inzicht dat volmaakte minne vereist dat zij haar eigen wil volledig met die van God in overeenstemming brengt. In die eenheid van wil, naar het voorbeeld van de lijdende Christus, en niet in het genot van de extase, ligt de ware liefde.

Ten slotte zijn er nog de 45 liederen van Hadewijch. Recent onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat Hadewijch de melodieën en dus ook de vorm vaak ontleend heeft aan liederen van Noord-Franse minnezangers (trouvères) uit de eerste helft van de dertiende eeuw, zoals Thibaut de Champagne, Moniot d’Arras, Rogeret de Cambrai of Gilbert de Berneville. Andere liederen zijn contrafacta van Latijnse religieuze lyriek: van de sequens ‘Mariae praeconio’, van de onder religieuze vrouwen zeer geliefde cisterciënzerhymne ‘Jhesu dulcis memoria’ of van rondelli (Latijnse refreinliederen), zoals die in de eerste helft van de dertiende eeuw gezongen werden in de Notre-Dame te Parijs.

Hadewijch heeft ook thema’s en motieven ontleend aan de profane minnelyriek, zoals het stereotiepe inleidende lente- of wintertafereel, de opvatting van de liefde als gevangenschap of als onderdanige dienst, de beschrijving van de minne als een wispelturige en hardvochtige meesteres, het leven tussen hoop en vrees, enzovoort. Maar deze thema’s combineert zij met elementen die uit andere genres en teksten afkomstig zijn: uit de hoofse ridderroman, uit de Latijnse mystieke traditie en vooral uit de Bijbel. Zo heeft zij een heel eigen idioom geschapen, waarmee zij in haar liederen voortdurend nieuwe variaties maakt.

Terwijl de hoofse minnezangers nagenoeg uitsluitend de liefde van een verlangend ‘ik’ bezingen en het publiek doorgaans buiten beeld blijft, richt Hadewijch zich wel steeds weer tot haar vriendinnen, en moedigt ze hen aan om als dappere ridders het minne-avontuur te doorstaan. De les die zij hun leert is ook hier dat de liefde zich niet tot onbekommerd genot kan beperken, maar dat de onuitputtelijke minne bij de ware minnaar een oneindig en pijnlijk verlangen oproept, in trouwe dienst en radicale overgave.

Invloed en receptie

Hadewijchs werken zijn gezamenlijk overgeleverd in drie veertiende-eeuwse handschriften. Daarmee is zij de eerste Nederlandstalige auteur van wie het verzameld werk in één band overgeleverd is. Een vierde handschrift, dat uit het begin van de zestiende eeuw dateert, bevat alleen de liederen, de rijmbrieven en de 'Lijst der volmaakten'.

Verder treft men in verschillende Middelnederlandse handschriften ook excerpten van Hadewijch aan, bijna altijd uit haar brieven. Haar tiende brief en enkele zinnen uit andere brieven komen ook in enkele Duitse handschriften onder de naam ‘sante Adelwip’ of ‘sant Adel’ voor. De mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381) was sterk door haar beïnvloed en zijn leerling Jan van Leeuwen (gest. 1378) schreef een uitvoerige lofprijzing over haar. Ook in het traktaat Van den XII doechden van Godfried van Wevel (gest. 1396) is haar invloed aan te wijzen. Het traktaat Een devoet boecxken vander volmaecster hoecheit der minnen van de vijftiende-eeuwse Hollandse mysticus Hendrik Mande (gest. 1431) is in feite een parafrase van een groot aantal brieven van Hadewijch. Ook het anonieme Twee-vormich tractaetken, dat overigens uitsluitend in twee van de Hadewijch-handschriften overgeleverd is, en een aantal veertiende-eeuwse mystieke gedichten zijn sterk door Hadewijchs werk beïnvloed. Na de Middeleeuwen lijkt haar ster echter te zijn uitgedoofd. Uit twee brieven, die de historicus Albertus Miraeus in 1622 aan de bollandist Heribert Rosweyde stuurde, valt af te leiden dat men haar niet meer kende, al kwam haar naam in 1600-01 nog een tweetal keren voor in een mystiek handschrift van Alexius van Brussel, een Antwerpse kapucijn met een uitgesproken interesse voor mystiek.

Pas in 1838 werd Hadewijchs werk herontdekt. De Duitse geleerde Franz Joseph Mone maakte toen melding van de aanwezigheid van twee Hadewijch-handschriften in de Bourgondische (nu: Koninklijke) Bibliotheek te Brussel. Het waren echter de letterkundigen Gerrit Kalff (1856-1923) en vooral de al eerder genoemde Jozef van Mierlo die haar een plaats bezorgden in de canon van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Talrijke edities, studies, hertalingen in het hedendaags Nederlands en vertalingen in het Engels, Duits, Frans, Spaans, Italiaans, Hongaars en andere talen hebben er sindsdien voor gezorgd dat Hadewijch een van de meest gelezen en gewaardeerde Middelnederlandse auteurs is geworden, niet alleen in de Lage Landen, maar in toenemende mate ook wereldwijd.

Naslagwerken

Basse; Frederiks/Van den Branden; NBW.

Publicaties

  • De Visioenen van Hadewych, J. van Mierlo ed., 2 delen (Leuven 1924-1925).
  • Strophische gedichten, J. van Mierlo ed., 2 delen (Antwerpen 1942).
  • Brieven, J. Van Mierlo ed., 2 delen (Antwerpen 1947).
  • Mengeldichten, J. Van Mierlo ed. (Antwerpen 1952).
  • Visioenen, F. Willaert ed. en I. Dros vert. (Amsterdam 1996).
  • De brieven van Hadewijch, P. Mommaers vert. (Averbode 1999).
  • Liederen, V. Fraeters, F. Willaert en L.P. Grijp ed. (Groningen 2009).

Literatuur

  • Joris Reynaert, De beeldspraak van Hadewijch (Tielt 1981).
  • Frank Willaert, De poëtica van Hadewijch in de Strofische Gedichten (Utrecht 1984).
  • Paul Mommaers en Frank Willaert, ‘Mystisches Erlebnis und sprachliche Vermittlung in den Briefen Hadewijchs’, in: Peter Dinzelbacher en Dieter R. Bauer red., Religiöse Frauenbewegung und mystische Frömmigkeit im Mittelalter (Keulen 1988) 117-151.
  • Gertrud J. Lewis, Frank Willaert en Marie-José Govers, Bibliographie zur deutschen Frauenmystik des Mittelalters. Mit einem Anhang zu Beatrijs van Nazareth und Hadewijch (Berlijn 1989) 351-410.
  • Kurt Ruh, Geschichte der abendländischen Mystik, deel 2 (München 1993) 158-232.
  • Barbara Newman, From virile woman to woman-Christ. Studies in medieval religion and literature (Philadelphia 1995) 137-167.
  • Bernard McGinn, The presence of God. A history of western christian mysticism, deel 3 (New York 1998) 200-222.
  • Veerle Fraeters, ‘Visioenen als literaire mystagogie. Stand van zaken en nieuwe inzichten over intentie en functie van Hadewijchs Visioenen’, Ons Geestelijk Erf 73 (1999) 111-130.
  • Erik Kwakkel, ‘Ouderdom en genese van de veertiende-eeuwse Hadewijch-handschriften’, Queeste 6 (1999) 23-40.
  • Rob Faesen, Begeerte in het werk van Hadewijch (Leuven 2000).
  • Raymond Jahae, Sich begnügen mit dem Ungenügen. Zur mystischen Erfahrung Hadewijchs (Leuven 2000).
  • Paul Mommaers, Hadewijch. Schrijfster, begijn, mystica (2de druk; Leuven 2003).
  • Anikó Daróczi, Groet gheruchte van dien wondere. Spreken, zwijgen en zingen bij Hadewijch (Leuven 2007).
  • Daniel Devreese, ‘“Hadewid Greca” te Merksem in 1212

    Een historische reconstructie van de biografie van Hadewijch’, Ons Geestelijk Erf 81 (2010) 151-193.

Illustratie

Het begin van Hadewijchs 1e lied, ‘Ay, al es nu die winter cout, cort die daghe ende die nachte langhe’ (handschrift Gent UB 941).

Auteur: Frank Willaert

Auteur: Frank Willaert

Auteur: Frank Willaert

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 16

laatst gewijzigd: 13/01/2014