Hardenbroeck, Margrieta (1637?-1691?)

HARDENBROECK, Margrieta (geb. Ervervelt? 1637? – gest. 1691?), koopvrouw in Nieuw-Nederland, grondlegster van Philipsburg Manor, New York. Dochter van Adolphus Hardenbroeck, koopman, en Marritje Caterberg. Margrieta Hardenbroeck trouwde (1) op 10-10-1659 in Nieuw-Amsterdam met Pieter Rodulphus de Vries (ca. 1603-1661), koopman; (2) op 28-10-1662 in Nieuw-Amsterdam met Frederick Philipse(n) (gest. 1702), timmerman. Uit huwelijk (1) werd 1 dochter geboren; uit (2) 3 zoons en 1 dochter.

Margrieta Hardenbroeck groeide op in Amsterdam, samen met haar broers Abel (geb. 1635?) en Andries (geb. 1639?). Volgens de Records of the Reformed Dutch Church in New Amsterdam and New York zou zij in Ervervelt zijn geboren. Haar vader handelde op Nieuw-Amsterdam en West-Indië. Tussen 1655 en 1659 ging Margrieta met haar broer Abel naar de West. Zij vestigden zich in Nieuw-Nederland, waar Margrieta fungeerde als bemiddelaarster tussen Hollandse kooplieden en lokale partijen: zij vertegenwoordigde onder meer haar neef Wouter Valck en koopman Daniel de Messieres voor de rechtbank. In 1659 trouwde Margrieta Hardenbroeck, ongeveer 22 jaar oud, met de 56-jarige Pieter de Vries, Hollands koopman in Nieuw-Amsterdam. Samen met haar man zette zij een trans-Atlantische handel op in hout, papier, tabak, azijn en meubelen. Nog geen twee jaar later overleed Pieter de Vries en bleef Margrieta achter met dochter Maria (ged. 3-10-1660). Na de dood van De Vries behield Margrieta de handelsonderneming, met vier handelsschepen en talloze handelscontacten, en kwam zij in het bezit van de uitgestrekte landerijen van haar overleden man in Nieuw-Nederland.

In 1662 hertrouwde Margrieta Hardenbroeck met Frederick Philipsen, een timmerman uit Nieuw-Amsterdam, oorspronkelijk afkomstig uit Bolsward. In het huwelijkscontract liet ze haar bezittingen nauwkeurig vastleggen. In samenwerking met de weesmeesters van Nieuw-Amsterdam regelde Margrieta de adoptie van haar twee jaar oude dochter Maria door Philipsen: Maria de Vries heette voortaan Eva Philipsen. Daarmee stond Maria als erfgenaam op gelijke voet met de vier kinderen die later werden geboren – Philip (1664), Adolphus (1665), Annetje (1667) en Rombout (1670). Voor haar handelsonderneming reisde Margrieta door de Atlantische wereld; zij handelde in rum, wijn, tabak en slaven met West-Indië en Virginia. In de omgeving van Albany dreef ze een bloeiende bonthandel met indianen. Vaak reisde ze zonder haar man en voerde ze zelf de onderhandelingen. Tevens zette Margrieta de handel met Nederland voort, waar zij onder meer zaken deed met Trijntje Willems, een Amsterdamse koopvrouw in stoffen. Door de nieuwe Britse handelsbepalingen na de overname van Nieuw-Nederland (1664) werd de handel op Amsterdam lastiger, maar Margrieta en haar man wisten de regels te omzeilen door hun goede relatie met gouverneur Andros. Zij verlegden hun handel naar het Caribisch gebied, waar zij betrokken raakten bij illegale praktijken zoals smokkel en piraterij.

Margrieta Hardenbroeck was een doorgewinterde zakenvrouw die de touwtjes stevig in handen hield. Zij stierf in 1691, waarschijnlijk op een van haar vele reizen. Zij liet een handelsonderneming na ter waarde van $ 2610. De uitgestrekte landerijen met een oppervlakte van 210 km² lagen zeer gunstig aan de Hudson. De pakhuizen werden in 1693 door haar man verbouwd tot herenhuis. Frederick Philipsen en zoon Adolph organiseerden van hier uit een bloeiende slavenhandel waardoor de familie in de achttiende eeuw een van de grootste slavenhandelaars van Noord-Amerika werd. Het Philipsen-landgoed en herenhuis staan sedert 1961 op de monumentenlijst en hebben sinds 1966 een museale functie. De Amerikaanse journaliste Jean Zimmerman baseerde haar roman The women of the house. How a colonial she-merchant built a mansion, a fortune, and a dynasty (2006) op het leven van Margrieta Hardenbroeck.

Archivalia

  • Stadsarchief Amsterdam: Notarieel Archief, inventaris nr. 2735, 5075.

Literatuur en gedrukte bronnen

  • Jasper Dankers en Peter Sluyter, ‘Journal of a voyage to New York, 1679-1680’, Memoirs of the Long Island Historical Society, Henry Murphy ed. (Brooklyn 1867).
  • Records of New Amsterdam from 1653-1674, Berthold Fernow ed. (New York 1897).
  • ‘Baptisms, 1639-1730.’ New York Genealogical and Biographical Record 32 (New York 1901).
  • Howard Randolph, ‘The Hardenbroeck Family’, New York genealogical and biographical record 70, 2 (New York 1939).
  • Books of general entries of the colony of New York, 1664-1673, Peter R. Christoph en Florence A. Christoph ed. (Baltimore 1982) deel 1.
  • Linda Briggs Biemer, Women and property in colonial New York. The transition from Dutch to English law, 1643-1727 (Ann Arbor 1983) 33-43.
  • Cathy Matson, Merchants and empire. Trading in colonial New York (Baltimore 1998) 63.
  • Michael E. Gherke, ‘Philipse, Margaret Hardenbrook’, American National Biography Online (February 2000). http://www.anb.org.libproxy.cc.stonybrook.edu/articles/01/01-01093.html.
  • Dorothy Mays, Women in early America. Struggle, survival, and freedom (Santa Barbara 2004) 295-296.
  • Records of the Reformed Dutch Church in New Amsterdam and New York: marriages from 11 December 1639, to 26 August 1801, Samuel S. Purple ed. (New York [1890] 2007) 24, 28.

Auteur: Annette M. Cramer van den Bogaart

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 324

laatst gewijzigd: 13/01/2014