Hatterman, Hendrika Petronella (1899-1984)

 
English | Nederlands

HATTERMAN, Nola Henderika Petronella (geb. Amsterdam 12-8-1899 gest. Paramaribo 8-5-1984), actrice en beeldend kunstenares. Dochter van Johan Herman Rudolf Hatterman (1861-1929), boekhouder, en Elisabeth Hendrika Christina Verzijl (1867-1944). Nola Hatterman (1) trouwde op 15-4-1931 in Amsterdam met Maurits de Vries (1885-1946), acteur en regisseur (het huwelijk werd op 4-9-1940 ontbonden); (2) had van 1936 tot 1953 een relatie met Arie Jansma (1907-1992), kunstenaar. Huwelijk en relatie bleven kinderloos.

Nola Hatterman groeide op als enig kind. Haar vader werkte als boekhouder bij de Indische handelsfirma Mirandolle, Voûte & Co te Amsterdam. Diverse familieleden waren in Indië werkzaam en een oudoom was plantage-eigenaar geweest in Suriname. Het gezin woonde in een grote woning op de Middenweg (nr. 127) in de Watergraafsmeer en leidde dankzij de erfenis van Nola’s grootmoeder Hatterman een comfortabel leven.

Acteren en schilderen

Van jongs af aan schilderde en tekende Nola. Ze volgde enkele jaren gymnasiumonderwijs en ging in 1915 naar de toneelschool. Nog voor haar examen, in juni 1918, werd ze geëngageerd door het Rotterdamsch Tooneel. Een jaar later keerde ze terug naar Amsterdam, waar ze in een paar jaar tijd bij verschillende toneelgezelschappen en ook kort bij de film werkte. In 1920 kreeg ze de rol van Door in het matrozenstuk De Jantjes. Zij viel voor de charmes van de veertien jaar oudere, getrouwde regisseur Maurits de Vries. In 1923 ging het stel samenwonen – ze kregen onderdak bij het acteursechtpaar Jan Lemaire en Anna Anken.

Naast het acteren bleef Hatterman schilderen. Vanaf 1919 was ze lid van kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken, later ook van Sint Lucas en De Brug, en exposeerde regelmatig. Ze schilderde aanvankelijk romantisch-sentimentele volkstaferelen. Na negatieve recensies van haar werk nam ze les bij de kunstschilder Charles Haak. Op de zolder van het huis van haar ouders, die inmiddels in de Falckstraat (nr. 9) woonden, richtte ze een atelier in. Het acteren gaf ze in 1925 definitief op.

Haar bekendste schilderij maakte Hatterman in 1930: Op het terras (Stedelijk Museum, Amsterdam). Het werk, in de trant van de nieuwe zakelijkheid, was waarschijnlijk bedoeld als bierreclame maar werd niet geaccepteerd door de Amstel Brouwerij. Voor de zwarte man op het schilderij stond de Surinaamse acteur Jimmy van der Lak model. Vanaf de jaren dertig schilderde en tekende Hatterman vaak donkere mensen – al in haar jeugd voelde zij een grote verwantschap met hen. In ‘zwarte’ jazzclubs deed ze inspiratie op voor werken als Jazz (1935) en De trompettist (1936).

Na zeven jaar te hebben samengewoond trouwden Hatterman en De Vries, maar het huwelijk strandde na vijf jaar omdat Hatterman een nieuwe geliefde had: Arie Jansma, kunstenaar en kaderlid van de CPN. Met hem zette zij zich in voor The Negro Worker, het maandblad van de International Trade Union of Negro Workers en voor Surinamers in Nederland, het bondsorgaan van Surinaamse Arbeiders in Nederland. Hatterman maakte de illustraties, Jansma hielp mee de bladen te verspreiden. Zo leerde ze Surinaamse communisten als Otto en Hermine Huiswoud en Anton de Kom kennen.

In 1939 had Hatterman bij de Vereniging Oost en West haar eerste solotentoonstelling. Tijdens de oorlog woonde ze in de Falckstraat, maar ze was ook regelmatig bij Jansma, die zich vanuit Putten (Veluwe) inzette voor de illegale Kommunistische Partei Deutschland (KPD). Vanaf 1941 kon Hatterman niet meer exposeren omdat ze weigerde zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer. In de herfst van 1945 deed ze mee met de tentoonstelling Kunst in Vrijheid in het Rijksmuseum.

Naar Suriname

Nola Hatterman exposeerde na de oorlog regelmatig met zwarte kunstenaars, onder andere in Londen in 1950. Ze ging zich steeds meer identificeren met niet-blanken: zij voelde zich ‘van binnen een neger’ (gecit. De Vries, 95). Aan haar relatie met Jansma kwam in 1953 een einde. Datzelfde jaar exposeerde ze in Trinidad en in augustus reisde ze door naar Paramaribo. ‘Ik moest naar Suriname’, zei Hatterman later, ‘het was een artistieke en innerlijke noodzaak’ (gecit. Winter, 264). Ze besloot te blijven. Om wat geld te verdienen gaf zij in het pand van de Stichting Cultureel Centrum Suriname (CCS) privé-tekenles aan welgestelde Surinamers. Vanaf april 1954 mocht zij onder toezicht van het CCS cursussen tekenen, schilderen, anatomie en kunstgeschiedenis geven. Haar opleiding werd een succes en leverde vele talentvolle jonge mensen af. Twee van haar vroege leerlingen, Armando Baag en Ruben Karsters, beschouwde ze als haar pleegzonen.

In 1967 werd de school van Nola Hatterman in zijn voortbestaan bedreigd door de oprichting van de Academie voor Beeldende Kunsten en van nog drie concurrenten: Het Nationaal Instituut voor Kunst en Kultuur (NIKK), de Werkgemeenschap voor Kreatieve Expressie en een gouvernementsopleiding voor de lo-tekenakte. Na een reorganisatie kon Hatterman haar instituut voorzetten. Voortaan bood ze een mo-opleiding tekenen aan, met Ruben Karsters als onderdirecteur. In december 1970 kreeg Hatterman bij het CCS haar ontslag – ze had haar leeftijd altijd verzwegen en bleek de pensioengerechtigde leeftijd ruim te hebben overschreden. Ze gaf echter niet op en begon op 71-jarige leeftijd een nieuwe opleiding: Stichting Nieuwe School voor Beeldende Kunst. In 1978 verhuisde ze naar Brokopondo.

Nola Hatterman kwam op 8 mei 1984, op weg van Brokopondo naar Paramaribo door een auto-ongeval om het leven. Zij werd 84 jaar.

Betekenis

Hatterman hield haar leven lang vast aan haar realistische portretten, afgewisseld met landschappelijke thema’s. Enkele Nederlandse musea en het Surinaams Museum in Paramaribo bezitten werk van haar, maar het grootste deel van haar oeuvre bevindt zich bij particulieren. De betekenis van Hatterman ligt voornamelijk in haar onderwijsactiviteiten. Zij was de eerste kunstenaar die in Suriname jong talent opleidde in de beeldende kunsten. Na haar dood richtten oud-studenten in Paramaribo het Nola Hatterman Instituut (voor kunstonderwijs) op. In 1997 werd in Amsterdam de galerie van de Vereniging Ons Suriname naar Nola Hatterman vernoemd. In 2009 publiceerde Ellen de Vries een uitgebreide biografie van Hatterman: Nola. Portret van een eigenzinnig kunstenares.

Naslagwerken

Elck zijn waarom; Jacobs; Scheen.

Archivalia

Stadsarchief, Amsterdam: Bevolkingsregister (gezinskaarten H.P. Hatterman, J.H.R. Hatterman en M. de Vries) [zie voor meer archief-verwijzingen: De Vries, 205].

Werk

Werk van Hatterman bevindt zich o.a. in Stedelijk Museum, Amsterdam; Tropenmuseum, Amsterdam; Surinaams Museum, Paramaribo.

Literatuur

  • Myra Winter, ‘17 april 1953. Nola Hatterman vertrekt naar Suriname en ontwikkelt zich tot leermeesteres van een generatie Surinaams-Nederlandse beeldende kunstenaars’, in: Rosemarie Buikema en Maaike Meijer red., Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980 (Den Haag 2003) 257-274.
  • Frank Zichem, Nola Hatterman (en de konsekwente keuze), 1982 [tv-portret, uitgezonden bij Beeldspraak, NOS, op 19-1-1982; URL http://in.beeldengeluid.nl/collectie/details/expressie/183602/false/true; geraadpleegd 15-6-2017].
  • Carel Blotcamp e.a. red., Magie en zakelijkheid. Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945, tentoonstellingscatalogus Museum voor Moderne Kunst, Arnhem (Zwolle 1999) 164-167.
  • Ellen de Vries, Nola. Portret van een eigenzinnig kunstenares (Amersfoort 2009) [met uitgebreide bibliografie].

Illustraties

Nora Hatterman aan het werk in haar studio aan de Zwartenhovenbrugstraat in Paramaribo, door Ed Hogenboom, ca. 1967-1968 (collectie fotograaf).

Auteur: Annemieke Jurgens

laatst gewijzigd: 16/11/2017