Heinen, Marie (1881-1948)

 
English | Nederlands

HEINEN, Marie (geb. Amsterdam 3-11-1881 – gest. Den Haag 24-11-1948), feministe, directrice van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid. Dochter van Gerrit Hendrik Heinen (1851-1930), fotograaf en kunstschilder, en Marie Streuli (1859-1931). Marie Heinen bleef ongehuwd.

Marie Heinen groeide op als oudste van de negen kinderen in een kunstenaarsgezin: haar vader, afkomstig uit Aalten, was kunstschilder, haar moeder was de muzikale dochter van een Zwitserse kunstschilder. Behalve in kunst waren haar ouders ook geïnteresseerd in sociale vraagstukken. Het gezin was Nederlands-hervormd. Tot haar grote verdriet mocht Marie van haar vader niet naar het gymnasium omdat hij geen ‘blauwkous’ als dochter wilde. Toen zij bijna zestien was, werd zij naar een kostschool in Zürich gezonden, waar zij de enige Nederlandse leerlinge was en de grondslag voor haar talenkennis werd gelegd. Na ruim een half jaar op deze kostschool – een periode die zij als een ‘vrolijke tijd’ karakteriseerde – werd zij volontaire bij een zijdehandel in Zürich. Vervolgens werkte zij tussen 1902 en 1908 als correspondente Spaans in een borduurselfabriek in Herisau (Zwitserland) en als correspondente Spaans en Portugees in een papierwarenfabriek te Koblenz (Duitsland). Via dit werk kwam ze in aanraking met de zware levensomstandigheden van arbeidsters. Eind 1911 werd het huwelijk van haar ouders ontbonden. In hoeverre deze gebeurtenis Marie ertoe heeft gezet zich in te spannen voor het recht op arbeid van vrouwen, valt uit haar geschriften niet op te maken.

Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid

In 1907 solliciteerde Heinen als directrice van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid (NBV), een organisatie die in 1901 was opgericht ten behoeve van ‘het verkennen, verruimen en verbeteren van het arbeidsterrein der Nederlandse vrouw’. Omdat het NBV een juriste zocht, kreeg ze de baan niet maar vroeg men haar adjunct-directrice te worden. Op 1 april 1908 begon Heinen met deze nieuwe betrekking in Den Haag – het NBV was gevestigd aan de Van Speijkstraat. Enkele maanden later trad Anna Polak aan als directrice. De twee vrouwen zouden 28 jaar intensief samenwerken. Heinen schreef hierover: ‘Wij vulden elkaar meen ik zeer goed aan, zij kende de wereld meer van de studeerkamerzijde en ik vertegenwoordigde het element praktijk.’ Het NBV gaf individuele adviezen (vele honderden per jaar), deed onderzoek, schreef verzoekschriften en voorstellen aan koningin, parlement en gemeenteraden, en gaf publicaties uit over de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt en in officiële (advies)commissies en organen. In het kader daarvan stelde Marie Heinen tussen 1909 en 1920 het Vrouwenjaarboekje voor Nederland samen, met informatie over beroepen, opleidingen, de vrouwenbeweging en vakorganisaties. Het Vrouwenjaarboekje werd in 1921 opgevolgd door het Maandbulletin van het NBV, waaraan Heinen tot 1936 als redactrice meewerkte. Ze schreef voornamelijk biografische artikelen over ‘vrouwen van betekenis’.

Marie Heinen rekende ook het huishouden onder de ‘arbeid’ van vrouwen. Ze brak al in 1909 een lans voor het landbouwhuishoudonderwijs voor meisjes en bepleitte het oprichten van boerinnenkringen. Met Polak richtte ze in 1912 de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (NVvH) op. Het idee kwam van Heinen: ze vond dat huisvrouwen een vakvereniging nodig hadden vanwege hun gedeelde belangen als consument. Toch bleef haar werk voor het NBV het belangrijkste. Op 1 januari 1937 volgde ze Polak op als directrice van het NBV – ze was inmiddels 56 jaar oud. Als adjunct-directrice en later als directrice van het NBV zat ze in tal van raden en commissies. Heinen had een fabelachtig goed geheugen en beheerste zeven talen. Dat kwam haar goed van pas bij haar internationale contacten. Zij nam deel aan internationale vrouwencongressen in Berlijn, Boedapest, Wenen, Parijs, Dubrovnik, Edinburgh, Londen en Zürich.

Heinen was ook op kerkelijk gebied actief. Zij sprak op conferenties en studiekringen van de Nederlandsche Christen Studenten Vereeniging (NCSV) en was in 1921 een van de oprichters van de Vereeniging van Academisch Gevormde Christenvrouwen (VACV). Ook was ze onder meer lid van de Zendingscommissie van de Haagse Duinoordkerk. Politiek was zij aangesloten bij de Liberale Staatspartij ‘De Vrijheidsbond’. Vanaf 1938 was ze lid van de Haagse afdeling van de soroptimisten.

In en na de oorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest zowel het NBV als Marie Heinen zelf verhuizen vanwege de aanleg van de Atlantikwall. Ze betrok een kamer in Wassenaar, waar zij met de voornaamste spullen van het NBV als het ware was ondergedoken. Na de oorlog vond ze het moeilijk om het werk weer op te pakken, maar desondanks werd zij kort na de oorlog lid van een commissie die de toekomst van het Bureau onderzocht. Ook nam zij in maart 1946 het initiatief tot herleving van het Comité tot Verdediging van de Vrijheid van Arbeid voor de Vrouw. Hiernaast was zij lid van de Commissie Richtlijnen Vrouwenlonen in de Industrie, ingesteld door de Stichting van de Arbeid (eind 1945), de Commissie Sociale Verzekering Huispersoneel (eind 1946) en van de Commissie van Advies voor de Arbeid van Vrouwen en Meisjes van het ministerie van Sociale Zaken. Zij publiceerde in bladen als Vrouwenbelangen, Contact en Elseviers Weekblad. In 1949 fuseerde het NBV met de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap, die haar toch al lange naam nu met ‘Vrouwenarbeid’ uitbreidde. Heinen nam afscheid als directrice van het NBV op 30 april 1947 in het Damesleesmuseum (Den Haag). Een jaar later stierf Marie Heinen in haar woonplaats Den Haag, 67 jaar oud.

Naslagwerken

Atria; BWSA.

Archivalia

  • Atria, Amsterdam: collectie Marie Heinen en archief Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid.
  • Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: brief aan Johanna Naber, 27-7-1937.

Publicaties

Behalve in genoemde NBV-publicaties schreef Marie Heinen in onder meer De Groene Amsterdammer, De Telegraaf, het Algemeen Handelsblad, De Economist, het Weekblad voor Christendom en Cultuur en diverse binnen- en buitenlandse vrouwenbladen. Verder:

  • ‘De vakopleiding der vrouw’, in: C.M. Werker-Beaujon, C. Wichmann, W.H.M. Werker red., De vrouw, de vrouwenbeweging en het vrouwenvraagstuk. Encyclopaedisch handboek 2 (Amsterdam 1918) 14-28.
  • ‘Naar welke beginselen behoort het vakonderwijs volgens het leerlingstelsel in Nederland te worden ingericht? Praeadvies’, in: Nationaal Congres voor Vakonderwijs ‘s-Gravenhage 1919. Rapporten en handelingen 111 (z.pl. 1919) 33-81.
  • Beknopte leidraad bij beroepskeuze voor meisjes (Den Haag 1938).
  • ‘De vrouwenbeweging in Nederland’, in: W.G. de Bas red., Officieel gedenkboek 1938 uitgegeven ter gelegenheid van het veertigjarig regeeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina (Amsterdam 1938) 173-180.

Literatuur

  • E.J .B., ‘Marie Heinen’, De Nieuwe Courant, 12-1-1923.
  • Vereeniging van Academisch Gevormde Christenvrouwen 1921-1931 (z.pl. 1931).
  • A.C.M.-L., ‘Afscheid van Marie Heinen, Vrouwenbelangen 12 (1947) 45-46.
  • L. Wijnberg, ‘Zij wil wat anders. Drang tot beroepswisseling bij de vrouw’, IRIS 1 (1947) nr. 4, 1-3.
  • F.J. van Gelder-Droste, ‘Herinneringen aan Marie Heinen’, Vrouwenbelangen 13 (1948) 117-118.
  • Ineke Jonker, Huisvrouwenvakwerk (Baarn 1987).
  • Francisca de Haan, Sekse op kantoor (Hilversum 1992).
  • Vrouwenstemmen (Zutphen 1994).
  • Corrie van Eijl, Het werkzame verschil. Vrouwen in de slag om arbeid 1898-1940 (Hilversum 1994).

Illustratie

Portretfoto door onbekende fotograaf, 192? (Collectie IAV-Atria Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis).

 

Auteurs: Francisca de Haan en Annette Mevis

laatst gewijzigd: 27/11/2017