Hensbeek, Anna van (1750-1808)

 
English | Nederlands

HENSBEEK, Anna van (ged. Gouda 6-5-1750 – begr. Gouda 3-11-1808), vroedvrouw die weigerde ongehuwde moeders tijdens de bevalling naar de naam van de vader te vragen. Dochter van Dirk Hendriksz. van Hensbeek (1729-1765), koopman, en Alida Dirksdr. de Bruyn (1727-1788). Anna van Hensbeek trouwde op 26-10-1777 in Bodegraven met Maarten van der Pieck (gest. 1791). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren en 1 zoon die jong overleed.

Anna van Hensbeek werd geboren als tweede van vijf kinderen van Dirk van Hensbeek, koopman in hennep en vlas, en Alida de Bruyn. Zij groeide op in Gouda tot haar vader in 1764 op verzoek van zijn vrouw, moeder en schoonvader  wegens krankzinnigheid werd opgenomen in het verbeterhuis in Koudekerk, waar hij in januari 1765 overleed. Hierna vertrokken moeder en kinderen uit Gouda, maar zij keerden er in 1772 terug. Vijf jaar later trouwde Anna van Hensbeek met de weduwnaar Maarten van der Pieck. Het echtpaar vestigde zich in Bodegraven en kreeg daar twee kinderen: Trijntje (1778) en Dirk (1780), die echter jong stierf.

In 1788 verhuisde het gezin naar de Kattensingel in Gouda, waar Van der Pieck in oktober 1791 overleed. Anna van Hensbeek wilde weer als vroedvrouw gaan werken. Ze had het beroep ook in Bodegraven al uitgeoefend, maar voldeed nog niet aan de eisen en moest daarom in Gouda nog een opleiding volgen. In februari 1791 klaagde ze bij het College der Vroedkunde dat Goudse vroedvrouwen haar niet als leerling wilden aannemen. Van Hensbeek vertelde het stadsbestuur in 1793 echter dat ze na terugkomst in Gouda eerst een half jaar in de leer was geweest bij stadsvroedvrouw Rachel van der Hiel en verder was opgeleid door stadsvroedmeester Cornelis Bleuland. Het is echter onwaarschijnlijk dat Van Hensbeek inderdaad door Van der Hiel is onderwezen. Deze was al in 1784 overleden en Van Hensbeek woonde toen in Bodegraven. Hoewel Van Hensbeek de vereiste twee jaar leertijd nog niet had doorlopen, liet het stadsbestuur haar toch toe tot het examen. Ze slaagde op 10 januari 1794 en werd daarna als stadsvroedvrouw aangesteld.

Conflict

In 1796 kwam Anna van Hensbeek in conflict met het stadsbestuur en het College der Vroedkunde omdat zij tijdens de bevalling van een ongehuwde vrouw geweigerd had naar de naam van de vader te vragen. Vroedvrouwen waren daar in zulke gevallen toe verplicht, zodat de stad eventuele onderhoudskosten van het kind op de vader kon verhalen. Van Hensbeek kreeg een boete van 25 gulden, maar weigerde te betalen. Het stadsbestuur ontsloeg haar en verbood haar nog als vroedvrouw te werken.

Anna van Hensbeek ging nu zonder vergunning buiten de stad werken. Volgens Bik stond zij bekend als een bekwame verloskundige en werd zij zo gewaardeerd dat kraamvrouwen zelfs tijdelijk buiten de stad logeerden om door Van Hensbeek geholpen te kunnen worden. Waarop deze reputatie is gebaseerd, is onduidelijk. Twee stadsvroedvrouwen voelden zich door Van Hensbeeks praktijk benadeeld en dienden een klacht in: traditioneel werden bevallingen van vrouwen in het buitengebied immers onder alle stadsvroedvrouwen verdeeld. Het stadsbestuur zag kennelijk geen andere oplossing dan Van Hensbeek opnieuw aan te nemen. In 1798 werd zij weer toegelaten, opmerkelijk genoeg tot beoefening van de verloskunde ‘buiten de stad’. Het College der Vroedkunde echter verbood haar zich als vroedvrouw van het buitenkwartier te presenteren. Van Hensbeek moest de toevoeging ‘voor buiten’ van haar uithangbord verwijderen.

Ook na haar nieuwe aanstelling bleef Anna van Hensbeek weigeren ongehuwde vrouwen tijdens de bevalling naar de naam van de vader te vragen. Deze principiële houding kwam haar duur te staan: op 5 oktober 1798 werd haar akte definitief ingetrokken en ze moest haar vroedvrouwenuithangbord inleveren bij het stadhuis. Hoe zij hierna in haar levensonderhoud voorzag, is onbekend. Ze zou armlastig zijn geworden, maar dat lijkt niet waarschijnlijk. In 1797 had zij namelijk een legaat van twaalfhonderd gulden ontvangen, mogelijk uit de nalatenschap van haar grootmoeder. Na de dood van haar broer Dirk in 1801 kregen Anna van Hensbeek en haar zuster Adriana de beschikking over diens legaat voor ‘schamele vrienden’ hetgeen haar 52 gulden per jaar opleverde. Anna van Hensbeek overleed op 58-jarige leeftijd en werd op 3 november 1808 begraven.

Het uithangbord van Anna van Hensbeek werd jaren later teruggevonden op de zolder van het Goudse stadhuis. Na restauratie kwamen de woorden ‘vroedvrouw voor buyte’ tevoorschijn. Tegenwoordig bevindt het uithangbord zich in museum het Catharina Gasthuis. In 1977 werd in Gouda een straat naar haar vernoemd.

Archivalia

Streekarchief Midden Holland, Gouda: Oud Archief Gouda, toegang ac 1, inv. nr. 134 (Kamerboeken); inv. nr. 226 (Notulen van de vergaderingen van de municipaliteit); Archief van het chirurgijnsgilde 1660-1805, toegang ac 79, inv. nr. 18 (Resoluties 1756-1805); inv. nr. 19 (Ingekomen stukken 1796-1804 en z.j); Oud Notarieel Archief, toegang ac 43, inv. nr. 813, fol. 169 e.v.; inv. nr. 977, nr. 175.

Literatuur

  • J.G.W.F. Bik, Vijf eeuwen medisch leven in een Hollandse stad (Assen 1955).
  • C.J. Matthijs, De takken van de dorre boom: genealogie van de Goudse familie Van Hensbeeck [Gouda 1976].
  • J. Schouten, ‘Anna van Hensbeek (1750-1808). Een Goudse vroedvrouw om u tegen te zeggen’, in: Idem, Wie waren zij? Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten (Alphen a/d Rijn 1980) 129-134.
  • J.G.W.F. Bik, ‘Anna van Hensbeek, stadsvroedvrouw’, Tidinge van Die Goude 6 (1988) 86-88.
  • C. Gaemers, ‘Stadsvroedvrouwen in Gouda, 1756-1806’, De Schatkamer 16 (2002) 2, 33-60.

Illustratie

Uithangbord van Anna van Hensbeek (Catharina Gasthuis, Gouda).

Auteur: Ariadne Schmidt

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 556

laatst gewijzigd: 13/01/2014