Hingst, Jacoba (1871-1950)

 
English | Nederlands

HINGST, Jacoba (geb. Amsterdam 15-12-1871 – gest. Nijmegen 12-4-1950), oprichtster van de eerste tuinbouwschool voor meisjes in Nederland. Dochter van Sijbrand Jan Hingst (1834-1890), jurist, en Margaretha Catharina Müller (1840-1897). Jacoba Hingst bleef ongehuwd.

Jacoba Hingst werd geboren als tweede dochter in een doopsgezind gezin in Amsterdam, waar haar vader griffier en later rechter was bij de arrondissementsrechtbank. Ze groeide er op met haar zusters Adelaïde (1871-1945) en Maria (1873-1893) en broer Jelle (1875-1927) totdat haar vader in 1883 lid werd van de Hoge Raad en het gezin naar Den Haag verhuisde. In het ouderlijk huis in de Celebesstraat (nr. 93) bleef Jacoba na de dood van haar ouders met Adelaïde wonen.

In 1897 werd Jacoba Hingst lid van de ‘rubriekcommissie Bloemenvak’ van de Nationale tentoonstelling van vrouwenarbeid die in 1898 in Den Haag werd gehouden. Cornelia Pompe was vicepresidente van deze commissie – later zou zij Jacoba’s compagnon worden. De commissie richtte een eigen expositieruimte in met planten, bloemen en accessoires die tuinminnende buitenstaanders hadden ingestuurd. Ook was de commissie verantwoordelijk voor het tuinontwerp van het tentoonstellingsterrein. In de congreszaal van de tentoonstelling organiseerde de commissie lezingen over de wenselijkheid van een vakopleiding voor meisjes in de tuinbouw. Zo sprak onder anderen Amy de Leeuw over een dergelijke opleiding in Berlijn, waar zij als dagbladcorrespondente werkte.

Tuinbouwschool voor meisjes

Na afloop van de tentoonstelling ging Jacoba Hingst biologie studeren in Leiden. Kennelijk mislukte deze eerste poging, want in september 1902 liet ze zich opnieuw voor dezelfde studie inschrijven. Ze was inmiddels dertig jaar. Samen met Cornelia Pompe, die acht jaar ouder was en eveneens biologie ging studeren, woonde ze op Apothekersdijk 32, bekend als het Leids Volkshuis, dat tevens in een aantal appartementen voorzag; Emilie Knappert, directrice van het Volkshuis, woonde er ook.

In 1904 behaalde Jacoba Hingst haar lesbevoegdheid in dier- en plantkunde (akte K4 Biologie). Nog datzelfde jaar gebruikte ze haar vermogen – ze was zeer bemiddeld – door van de gemeente Rijswijk ruim drie hectare grond aan de Van Vredenburchweg te kopen. Daarop liet ze door het architectenduo Samuel de Clercq (zwager van broer Jelle) en Jan Gratama een villa bouwen die onderdak moest bieden aan een tuinbouwschool voor meisjes – de bestaande tuinbouwscholen lieten alleen jongens toen. Het complex kreeg de naam Huis te Lande. Behalve een woongedeelte voor Hingst en Pompe had de villa een leslokaal, bibliotheek en laboratorium. Beneden was voorzien in een koffiekamer en een eetkamer die tevens als spreekkamer was bedoeld. De kwekerij bij het huis werd voorzien van broeikassen, schuren en zelfs een druivenkas. Midden op het terrein kwam een assistenten- of tuinmanswoning en niet ver daarvandaan een oranjerie met een groenten- en vruchtenkelder. In 1909 liet Hingst bovendien een ‘praktijkloods’ bouwen, die het buiten werken van leerlingen ook bij slecht weer mogelijk maakte.

De – particuliere – Middelbare Tuinbouwschool voor Meisjes Huis te Lande opende in 1907 haar deuren. Het lesgeld per leerling was toen driehonderd gulden, in die tijd een flink bedrag. In een interview met het weekblad Buiten verwoordde Jacoba Hingst wat haar voor ogen stond met haar school: ‘Hoeveel jonge meisjes zijn er niet, die verloofd zijn met een aanstaand predikant of notaris. Zij zullen allen in het bezit komen van een grooteren of kleineren tuin. […] Voor zulke meisjes is onze inrichting bestemd’ (Buiten, 168). Er meldden zich dat eerste schooljaar twee leerlingen. Ook de jaren erna liep het niet storm.

Huis te Lande

Jacoba Hingst en Cornelia Pompe ontwikkelden hun eigen lesmateriaal. Hingst verzorgde de theoretische vakken natuurkunde, plantkunde, dendrologie, scheikunde en tuintekenen, Pompe verzorgde de praktische vakken, zoals het kweken van groenten, fruit en bloemen en het oculeren of enten, totdat zij in 1911 ziek werd. Ze moest zich terugtrekken uit de school en stierf op 17 januari 1913 in Soest. Met de dood van Pompe werd het draagvlak van de organisatie dermate smal dat Hingst in 1914 tuinbouwstichting Huis te Lande oprichtte. Daarin bracht ze al het zelf gefinancierde roerend en onroerend goed onder. Als stichtingsleden trok zij wetenschappers en praktijkmensen aan, onder wie Johanna Westerdijk. De Raad van Bestuur besliste voortaan over het reilen en zeilen op Huis te Lande. Jacoba Hingst kwam als directrice in dienst van de stichting en had nu voor het eerst van haar leven een betaalde baan. Ze verzorgde zelf het secretariaat en er werden nieuwe docenten aangetrokken.

Qua leerlingenaantal maakte de school in 1915 een sprong voorwaarts, met elf leerlingen in de eerste en twee in de tweede klas. Deze plotselinge stijging in het aantal leerlingen had vermoedelijk te maken met de oorlog: nu de grenzen van het neutrale Nederland waren gesloten, kon de elite zijn dochters minder makkelijk naar het buitenland sturen. Huis te Lande was een aantrekkelijk alternatief. In deze tijd werd het ook mogelijk voor de leerlingen om ‘intern’ te gaan. Het jaargeld voor internen bedroeg zevenhonderd gulden. De villa werd verbouwd om slaapgelegenheid en leefruimte voor de internen te creëren. Achterin het terrein liet Jacoba Hingst voor zichzelf de villa Huis te Velde bouwen. Vanaf 1920 werden de leerlingen in een A- en een B-groep ingedeeld. A stond voor meisjes ‘die geen gebruik wenschten te maken van hun kennis dan voor eigen terrein’ en B betrof ‘meisjes die hun boterham zouden gaan verdienen in het tuinbouwvak’, bijvoorbeeld in bloemisterijen, kwekerijen, gemeentelijke plantsoenendiensten en een enkele keer zelfs een proeftuin (Jaarverslag, NA 2.11.35, inv.nr. 441).

Jarenlang probeerde het bestuur voor Huis te Lande rijkssubsidie te krijgen. Daarbij nam Jacoba Hingst als secretaresse én belanghebbende het voortouw. Ze hield stug vol, en wist zo in 1921 bij het ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel een subsidie van ƒ 9.175 binnen te halen (KB 15-4-1921, nr. 52). Vanaf 1922 werden de salarissen door het ministerie gegarandeerd en zeven jaar later gelijkgesteld aan die in het nijverheidsonderwijs. Het toezicht van de Inspecteur van het Landbouwonderwijs werd stringenter en natuurlijk stelde het ministerie ook eisen: het lesgeld moest aangepast worden aan het inkomen van de ouders. Vanaf 1934 werd het diploma van Huis te Lande door het ministerie erkend. Jacoba Hingst heeft dit als een kroon op haar werk ervaren.

Toen in 1932 het 25-jarig bestaan van Huis te Lande werd gevierd, werd Jacoba Hingst geëerd als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1937 nam ze afscheid als directrice en pas in 1945 legde ze haar functie als secretaris van de Raad van Bestuur neer. Dankbaar voor het pionierswerk dat zij had verricht, doopte het bestuur de stichting in 1947 om in de Jacoba Hingst Stichting. Jacoba overleed op 12 april 1950 te Nijmegen.

Betekenis

Het door Jacoba Hingst opgerichte Huis te Lande was de eerste én de laatste middelbare tuinbouwschool voor meisjes in Nederland. Met de invoering van de Mammoetwet (1968) nam het aantal leerlingen snel toe. Vanaf 1985 was de school ook toegankelijk voor jongens en vanaf 2000 is Huis te Lande een locatie van het Wellant College. De drie hectaren grond die Jacoba indertijd kocht, betekenen voor de leerlingen een zee van ruimte. De Jacoba Hingst stichting bestaat nog steeds en beheert een fonds voor bijzondere projecten voor leerlingen van de locatie Rijswijk.

 

Archivalia

  • Nationaal Archief, Den Haag: toegang 2.11.35, Archief ministerie Landbouw etc., inv.nrs. 439-446: Tuinbouwschool voor Meisjes Huis te Lande te Rijswijk.
  • Archief Delft: toegang 753, Archief Jacoba Hingst Stichting en Middelbare Tuinbouwschool Huis te Lande.

Literatuur

  • E.Th. Witte, ‘Huis te Lande. Een tuinbouw-inrichting voor meisjes’, Buiten 1 (1907) 167-168.
  • ‘De Tuinbouwschool voor Meisjes “Huis te Lande” te Rijswijk’, Panorama, 11-4-1917 [fotoreportage].
  • H.H. Huitsing, Tachtig jaar Huis te Lande 1907-1987, themanummer van Kroniek. Orgaan van de Historische Vereniging Rijswijk (1988).
  • Frans Holtkamp, ‘Tien pioniersjaren op “Huis te Lande”’, Jaarboek Historische Vereniging Rijswijk (2017) 160-177 [ingekorte versie van het blog https://fransholtkamp.files.wordpress.com/2017/05/tien-pioniersjaren-op-huis-te-lande.pdf].

Illustratie

Jacoba Hingst, door onbekende fotograaf, 1931 (particuliere collectie)

 

 

Auteur: Frans Holtkamp

laatst gewijzigd: 28/11/2017