Hoetink, Everardina Wilhelmina (1904-1945)

 
English | Nederlands

HOETINK, Everardina Wilhelmina (geb. Den Haag 11-1-1904 – gest. Ravensbrück, Duitsland 16-2-1945), juriste, als ambtenares EZ betrokken bij voedselvoorziening in oorlogstijd. Dochter van Hendrik Richard Hoetink (1863-1922), medicus, en Gijsbertha Anna Jongbloed (1871-1952). Everardina Hoetink bleef ongehuwd.

Everardina (Dien) Hoetink groeide met haar vier jaar oudere broer Henk op in Den Haag, waar haar ouders zich in 1902 hadden gevestigd na een langdurig verblijf in Nederlands-Indië. Dien werd geboren aan de Regentesselaan, maar van 1905 tot 1916 woonde het gezin aan de Stationsweg, daarna aan het Oranjeplein. Het was een welvarend gezin – de vader was arts. Van huis uit waren de ouders Nederlands-hervormd en ze gaven hun kinderen een liberale opvoeding. Omdat de Nutsschool alleen voor jongens was, ging Dien naar een particuliere lagere meisjesschool. Daarna zat ze op het Stedelijk Gymnasium, het latere Haganum. Vanaf 1921 studeerde ze rechten in Leiden. Ze deed dat als spoorstudent vanuit Rijswijk – het gezin woonde er sinds 1918 aan de Oranjelaan. Dien was lid van de Vereeniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden. Vlak voor haar kandidaatsexamen (1922) overleed haar vader.

Trage start loopbaan

Na haar doctoraal (1925) werkte Dien Hoetink eerst bij een graankantoor in Rotterdam en daarna als directiesecretaresse bij het verzekeringskantoor Blom en Van der Aa in Amsterdam. Met de directie van dit kantoor bracht zij in 1930 een werkbezoek aan Nederlands-Indië, dat zij combineerde met familiebezoek aan haar broer, die daar hoogleraar was aan de Rechtshoogeschool in Batavia (Jakarta). Vanwege een moeizame werkrelatie met haar directeur nam zij eind 1931 ontslag.

Bijna twee jaar (van januari 1932 tot november 1933) had Hoetink geen vaste betrekking. Ze werkte incidenteel als repetitor voor Leidse rechtenstudenten en schreef met de Haagse jurist H.F.A. Völlmar het handboek De wet op de omzetbelasting. Gids voor de praktijk (1933). Ook onderhield zij voor haar broer in Indië de contacten met de Nederlandse uitgever van zijn arrestenbundels voor burgerlijk recht en handelsrecht, die onder juristen grote bekendheid genoten. In deze periode moest zij verwerken dat de relatie met haar grote liefde, een getrouwde Haagse zakenman, werd verbroken.

Op 13 november 1937 trad Dien Hoetink in dienst van de Stichting Landbouw-Crisisbureau, een onderdeel van het departement van Economische Zaken. Deze betrekking had ze te danken aan de bemiddeling van Hans M. Hirschfeld, directeur-generaal op het ministerie van Economische Zaken en een voormalige Indische relatie van broer Henk. Onder de verantwoordelijkheid van secretaris-generaal Arie A. van Rhijn ontwierp ze nog datzelfde jaar het voorontwerp van de Landbouwordeningswet. Het ontwerp trok sterk de aandacht omdat het inhield dat via publiekrechtelijke ordening werd ingegrepen in de particuliere verhoudingen van het landbouwbedrijfsleven (de naoorlogse productschappen). Al snel werd duidelijk dat de tijd nog niet rijp was voor een dergelijke overheidsbemoeienis.

Voedselvoorziening in oorlogstijd

Na vanaf augustus 1939 werkzaam te zijn geweest bij de afdeling Landbouw-Crisis-Aangelegenheden op het departement werd Hoetink begin 1940 hoofd van de afdeling Algemene Zaken van het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd. Deze functie behield zij nadat de Duitsers in mei 1940 Nederland hadden bezet. Hoetink – de vertrouwelinge van Stephanus L. Louwes, directeur-generaal voor de Voedselvoorziening – kreeg nu de gelegenheid zelfstandig én met eindverantwoordelijkheid verder te werken aan regelgeving van overheidswege.

Hoetink schreef de regels voor de landbouwordening niet ten dienste van de Duitse autoriteiten, maar zette haar vooroorlogse werkzaamheden op dit gebied voort. Daarbij had ze vooral een toekomst zonder bezetter voor ogen. Door aan te sluiten bij de mogelijkheden van de Grondwet van 1938 wilde Hoetink ervoor zorgen dat de regelgeving inzake de landbouwordening na de bevrijding zo snel mogelijk democratisch gelegitimeerd zou kunnen worden.

Ondertussen werden tussen november 1940 en voorjaar 1941 negen collega’s van Dien Hoetink geruisloos uit de dienst verwijderd omdat zij niet schriftelijk konden verklaren niet van Joodse afkomst te zijn. In het najaar van 1943 nam Hoetink het initiatief tot de vorming van een personeelsfonds van ambtenaren van het Rijksbureau om – vooral in financieel opzicht – hulp te verlenen aan collega’s die door plotseling optredende omstandigheden buiten eigen schuld met hun gezinnen in moeilijkheden waren geraakt. Zelf zou Hoetink de eerste voorzitter zijn. Het personeelsfonds verleende bovendien steun aan medewerkers die gedwongen tewerkgesteld waren in Duitsland, onder andere door het versturen van voedselpakketten. Daarnaast onderhield Hoetink, met medeweten van de leiding van het Rijksbureau, contacten met de illegaliteit.

Vanaf maart 1941 hield Hoetink zich ook intensief bezig met de tuchtrechtspraak. Haar stellingname dat de zwarte handel in landbouwproducten via (tucht)rechtspraak bestraft diende te worden, zou haar later noodlottig worden. De Duitse autoriteiten wilden deze problematiek aanpakken door de zwarthandelaren buiten de rechtspraak om aan te pakken. De Duitsers zagen Dien Hoetink als de belichaming van het meningsverschil over de aanpak van de zwarte handel. Deze controverse leidde op 3 augustus 1944 tot Hoetinks arrestatie door de Sicherheitspolizei. Kennelijk wilde de bezetter daarmee de leiding van het Rijksbureau onder druk zetten om de tuchtrechtspraak met betrekking tot de zwarte handel in landbouwproducten buiten werking te stellen.

Na bijna twee weken internering in de Scheveningse strafgevangenis Oranjehotel werd Hoetink op 16 augustus per trein overgebracht naar Vught. Vanuit dit strafkamp Vught, waar zij tewerkgesteld was bij het zogeheten Philips-Kommando, werd zij op 6 september 1944 op transport gesteld naar vrouwenkamp Ravensbrück. Daar werd ze gedwongen te werken in het Siemens-Kommando. Door de lichamelijke en geestelijke ontberingen van het kampleven raakte zij uiteindelijk geheel uitgeput. Dien Hoetink stierf begin 1945 op 41-jarige leeftijd. Het is mogelijk dat deze moedige, beginselvaste juriste door uitputting is bezweken, maar het meest waarschijnlijk is dat zij, omdat zij door de SS tot de non-productieven werd gerekend, in de speciaal voor deze groep gebouwde gaskamer van Ravensbrück is omgebracht.

Betekenis

Het was de verdienste van Hoetink dat zij het nieuwe ordeningssysteem voor de landbouw – de voedselvoorziening – de formele dekking van wet gaf via de gedachte van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie. Door deze vooruitziende blik kwam de Nederlandse landbouw na mei 1945 niet in een vacuüm terecht.

Ook van grote betekenis is haar initiatief tot het oprichten van een personeelsfonds. In 1946 besloot men het fonds haar naam te geven en het werkterrein uit te breiden tot alle ambtenaren van het departement. Voortaan heette het fonds daarom het ‘Mejuffrouw Mr. Hoetinkfonds’, ook wel kortweg Hoetinkfonds. In 1948 werd bij een plechtige herdenkingsbijeenkomst een portret van Hoetink onthuld, dat als logo van het fonds zou dienen. In 1995 is de naam van het fonds veranderd in Sociaal Fonds, maar nog altijd wordt in brochures verwezen naar de oprichtster. In 2013 werd een plaquette ter herinnering aan Dien Hoetink onthuld in het gebouw van het ministerie van Economische Zaken, naast de naar haar genoemde vergaderzaal.

Naslagwerken

BWN.

Publicaties

Behalve de in de tekst genoemde publicatie:

  • ‘De verticale organisatie op het gebied der voedselvoorziening’ en ‘Opbouw der verticale organisatie van de voedselvoorziening’, Economisch-Statistische Berichten 27 (1942) 151-155 en 158-161.
  • ‘De ontwikkeling van de verticale bedrijfsorganisatie op het gebied der voedselvoorziening’, Economisch-Statistische Berichten 28 (1943) 212-216.
  • ‘Nogmaals: de verordenende bevoegdheid der bedrijfsorganisatie’, Nederlandsch Juristenblad, 5-1-1944.
  • ‘Eenige opmerkingen over de ontwikkeling van de verticale bedrijfsorganisatie op het gebied van de voedselvoorziening’, Economisch-Statistische Berichten 29 (1944) 442-445.

Literatuur

  • Nederlandsch Juristenblad, 22-6-1946 [necrologie].
  • ‘Everardina Wilhelmina Hoetink (Dientje)’, in H. Beijer e.a., Helden/slachtoffers. Heldhaftige slachtoffers. Gymnasium Haganum (Den Haag 1997).
  • J.E. van Kamp, Dien Hoetink. ‘Bij benadering’. Biografie van een landbouw-juriste in crisis- en oorlogstijd (Wageningen/Groningen 2005) [dissertatie].

Illustratie

Plaquette ter herinnering aan Dien Hoetink in het gebouw van het ministerie van Economische Zaken, 2013.

Auteur: Hans van Kamp

laatst gewijzigd: 26/05/2016