Hogendorp, Mariane Catherine van (1834-1909)

 
English | Nederlands

HOGENDORP, Mariane Catherine van (geb. Den Haag 1-8-1834 – gest. Lausanne, Zwitserland 17-9-1909), sociaal hervormster en feministe. Dochter van Dirk van Hogendorp (1797-1845), raadsheer in het Gerechtshof, en Mariane Catherine van Hogendorp (1805-1878). Mariane van Hogendorp trouwde op 18-11-1875 met Aarnout Klerck (1820-1876), ambtenaar. Dit huwelijk bleef kinderloos. 

Mariane (Marianne) van Hogendorp groeide met drie broers en vier zussen op in een Haags adellijk gezin dat een vooraanstaande rol speelde in het orthodox-protestantse Reveil. Na de dood van haar vader werd zij door haar moeder betrokken bij sociaal-filantropisch werk onder de armen, zoals de eerste ‘bewaar en naaischool’. Als meisje uitgesloten van middelbaar en hoger onderwijs kreeg Marianne geen formele opleiding. Haar huwelijk in 1875 met jonkheer Aarnout Klerck, secretaris-generaal op het ministerie van Marine en een oudere huisvriend van de familie, duurde minder dan een jaar: hij overleed in 1876. Sindsdien presenteerde ze zich met enige nadruk  als ‘douairière’. Vanaf de dood van haar moeder in 1878 woonde ze met haar zusters Anna en Wilhelmina samen in Den Haag. Van 1874 tot 1900 was zij presidente van de Vereeniging ‘Vrienden der Armen’.

Abolitionisme en feminisme

In 1883 kwam Marianne Klerck-van Hogendorp in aanraking met de charismatische Britse Josephine Butler, die streed voor de afschaffing van de reglementering – en daarmee het ‘legitimeren’ – van prostitutie. Op dat moment was zij al betrokken bij ‘het redden van gevallen vrouwen’ en beïnvloed door de Reveilfilantroop O.G. Heldring. Maar Butler stimuleerde haar tot het oprichten van een abolitionistische vrouwenorganisatie in Nederland omdat in de reeds bestaande Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie (NVP)  voor vrouwen geen plaats was. In 1883/1884 riep ze in drie brochures onder de gezamenlijke titel Een woord aan de vrouwen van Nederland op tot strijd tegen prostitutie en reglementering. Deze oproep leidde in 1884 tot de oprichting van de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn (Vrouwenbond), waarvan zij de eerste presidente was. Ze zou dit blijven tot in het jaar van haar dood.

Samen met haar zuster Anna gaf  Marianne een ideologische richting aan dit werk onder prostituees door het op te vatten als  ‘sociaal’ moederschap dat zich over andere dan de eigen kinderen uitstrekte. Zo nam ze het ook op voor de concubines (‘Njai’) van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië en hun kinderen. Mede door haar toedoen kreeg de Vrouwenbond een afdeling in Indië en kwam in 1895 de Vereeniging tot Bevordering van de Zedelijkheid in de Nederlandsche Overzeesche Bezittingen tot stand (De Vries, 2007).

Streed Marianne Klerck-van Hogendorp aanvankelijk tegen ‘de ontzettende zonde die ons volk verteert’, later steunde ze het groeiende feministische protest tegen de ‘dubbele zedewet’, waarvan vrouwen het slachtoffer waren: in 1894 werd ze lid van de pas opgerichte Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.  Op de  'Nationale tentoonstelling van vrouwenarbeidin 1898 organiseerden de zussen Van Hogendorp de Driedaagsche Samenkomst tot Bevordering der Openbare Zedelijkheid. Op dit congres gaf Klerck-van Hogendorp openlijke kritiek op mannen: de mannen die prostituees bezochten waren ‘onze echtgenoten, onze broeders, onze vaders dikwijls’. Ze pleitte ook voor een Nederlandse afdeling van de International Council of Women. Van deze Nationale Vrouwenraad van Nederland, opgericht rond 1900, werd zij de eerste presidente. Zij had haar diplomatieke gaven daarbij nodig: haar christelijke visie op de ‘heiligheid’ van het huwelijk was in deze kringen omstreden. Ook waren in de Vrouwenraad een aantal vooraanstaande neomalthusianen actief, terwijl de christelijke abolitionisten het neomalthusianisme juist fel bestreden. Later stond de Vrouwenbond positiever ten opzichte van geboorteregeling.

Mede dankzij de inspanningen van de Vrouwenbond verdween de reglementering van prostitutie rond 1900 uit de meeste Nederlandse gemeenten. Marianne Klerck-van Hogendorp was in 1900 medeoprichtster van een Nationaal Comité tot Bestrijding van den Handel in Vrouwen. Samen met de NVP en de Nederlandsche Middernachtzending-Vereeniging voerde ze landelijk campagne tegen de handel in ‘blanke slavinnen’ en voor een algemeen  bordeelverbod. Ze maakte de invoering van het bordeelverbod en het verbod op vrouwenhandel in de zedelijkheidswetgeving van 1911 niet meer mee. In 1909 stierf  zij een rustige dood op een van haar zomerreizen naar Zwitserland.

Betekenis

Over de grootste tegenstelling in haar leven heeft Marianne Klerck-van Hogendorp nooit gesproken: de afstand tussen haar eigen bestaan en dat van degenen die zij wilde redden. De roep om solidariteit met prostituees ging meestal over de hoofden van de betrokkenen heen. Prostituees die zich niet wilden laten redden, waren ‘zondaressen’ en ‘verdwaalden’, ja zelfs ‘ontoerekenbaren’. Toch was haar strijd tegen de seksuele uitbuiting van vrouwen van grote betekenis voor het feminisme en het negentiende-eeuwse denken over seksualiteit.

Naslagwerken

Atria; BWN.

Publicaties

Behalve de in de tekst genoemde publicaties:

  • De heiligheid van het huwelijk (Den Haag 1887) [Overdruk uit Orgaan van den Nederlandschen Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn].

  • ‘Hoe de vrouw denkt over de sluiting van slechte huizen’, Handelingen van het Nationaal Congres tegen de Prostitutie te Amsterdam (Den Haag 1889).

  • O.G. Heldring en zijne gestichten tegenover de bestrijding der onzedelijkheid (Den Haag 1890).

  • Eenige beschouwingen over Oost-Indische toestanden (Amsterdam 1898).
  • [met W. van Hogendorp, A. Aletrino et al.], Bespreking van het prostitutievraagstuk op de Openbare Vergadering van den Nationalen Vrouwenraad van Nederland (Rotterdam 1902).

Literatuur

  • [M.] Beelaerts van Blokland-Kneppelhout en A. van Hogendorp, Gedenkboek. Vijf en twintig jaren arbeids van den Nederlandschen Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn (Groningen 1909).
  • Nederland’s Adelsboek 12 (Den Haag 1914) 318-338.
  • Tineke de Bie en Wantje Fritschy, ‘De “wereld” van Reveilvrouwen, hun liefdadige actitiviteiten en het ontstaan van het feminisme in Nederland, Jaarboek voor vrouwengeschiedenis 6 (1985) 30-58.
  • Pieter Koenders, Tussen christelijk Réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid in Nederland, met nadruk op de repressie van homoseksualiteit (Amsterdam 1996).
  • Petra de Vries, Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen. De reglementering en bestrijding van prostitutie in Nederland, 1850-1911 (Hilversum 1997).
  • Martin Bossenbroek en Jan H. Kompagnie, Het mysterie van de verdwenen bordelen. Prostitutie in Nederland in de negentiende eeuw (Amsterdam 1998).
  • Annemieke van Drenth en Francisca de Haan, The rise of caring power. Elizabeth Fry and Josephine Butler in Britain and the Netherlands (Amsterdam 1999).
  • Petra de Vries, ‘God en de Pisangtuin. Feminisme, zedelijkheid en koloniale intimiteit, 1890-1905’, Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 27 (2007) 32-57.

 Illustratie

Portretfoto, door onbekende fotograaf, ongedateerd (particuliere collectie).

Auteur: Petra de Vries

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 749

laatst gewijzigd: 29/08/2017