Hulshoff, Maria Aletta (1781-1846)

 
English | Nederlands

HULSHOFF, Maria Aletta (geb. Amsterdam 30-7-1781 – gest. Amsterdam 10-2-1846), radicaal democrate en publiciste. Dochter van Allard Hulshoff (1734-1795), doopsgezind predikant en publicist, en Anna Debora van Oosterwijk (1745-1812). Maria Hulshoff bleef ongehuwd.

Maria (‘Mietje’) Hulshoff groeide samen met haar tien jaar oudere broer Willem op in het gezin van een doopsgezinde predikant in Amsterdam. Haar vader Allard Hulshoff, die bekendheid genoot als kerkelijk redenaar en publicist, was een ontwikkeld man en een overtuigd aanhanger van de politieke en maatschappelijke denkbeelden van de Verlichting. Toen de Franse revolutionaire legers in januari 1795 Amsterdam binnentrokken, behoorde de familie Hulshoff dan ook tot degenen die hen als bevrijders verwelkomden. Datzelfde jaar werd het gezin tweemaal door een groot verdriet getroffen. Nadat in mei eerst Willem was overleden, stierf tweeënhalve maand later ook dominee Hulshoff. Zijn echtgenote en veertienjarige dochter bleven hierdoor alleen achter.

Pamfletten

Het politieke engagement dat Maria Hulshoff van haar vader had meegekregen, gaf haar hoge verwachtingen van de omwenteling van 1795. Tijdens de opeenvolgende Bataafse regimes werd zij hierin echter steeds meer teleurgesteld. De voortgaande beknotting van de vrijheid en de vergaande Franse inmenging in de binnenlandse politiek riepen bij haar, als radicaal democrate, weerzin en weerstand op.

In mei 1804 richtte Hulshoff een brief aan Samuel Iperusz. Wiselius (1769-1845), een oud-patriot in wie zij een geestverwant zag. Zij stelde hem daarin voor de radicaal-democratische denkbeelden in een politiek geschrift uiteen te zetten en dat onder haar naam uit te geven om zo hem en de drukker buiten schot te houden. Waarschijnlijk is Wiselius dan ook de auteur van de pamflettenserie Verzameling van brieven, gewisseld tusschen Valerius Publicola te Amsterdam en Caius Manlius te Utrecht, die in de zomer van 1804 in verschillende steden in de Bataafse Republiek werd verspreid. De autoriteiten kwamen Hulshoff spoedig op het spoor, en tijdens haar verhoor in september 1804 nam zij, zonder verder namen te noemen, de volledige verantwoordelijkheid voor de gezagsondermijnende publicaties op zich. De autoriteiten achtten de 23-jarige vrouw echter het slachtoffer van een complot. Omdat zij ‘andere intriganten achter het scherm’ vermoedden, werd de zaak geseponeerd (gecit. Joor, 487).

In maart 1805 schreef Hulshoff een brief aan de advocaat Johan Valckenaer (1759-1821), eveneens een oud-patriot en radicaal democraat. Zij deed hem hierin eenzelfde voorstel als ze een jaar eerder Wiselius had gedaan. Deze ging hier evenwel niet op in. Evenmin wilde hij iets weten van haar plan de publieke opinie zodanig te mobiliseren dat de Franse keizer Napoleon niet zijn broer, maar hem, Valckenaer, aan het hoofd van de Bataafse Republiek zou plaatsen. Hulshoff besloot daarom zelf stelling te nemen tegen de naderende komst van Lodewijk Bonaparte. In maart 1806 publiceerde zij het acht bladzijden tellende pamflet Oproeping van het Bataafsche volk, waarin zij aanspoorde tot massaal, maar geweldloos verzet. Zelf meende zij daarbij het goede voorbeeld te geven: ‘Gij ziet hoe ene Vrouw, door niemand ondersteund, handelt’, schreef ze in het woord vooraf.

Dit ‘vuilaardig geschift’ werd begin april 1806 op vele plaatsen in het land verspreid. De opruiende inhoud bracht de overheid ertoe onmiddellijk alle exemplaren in beslag te nemen en de auteur te vervolgen. Hulshoff deed geen moeite aan arrestatie te ontkomen. Integendeel, zij wilde juist berecht worden om daarmee zoveel mogelijk aandacht te trekken voor haar politieke opvattingen. Toen zij op het punt stond zichzelf aan te geven, werd ze echter door onbekenden ontvoerd en overgebracht naar Rheine nabij het Duitse Bentheim. Mogelijk gebeurde dit op initiatief van de weduwe Hulshoff, die haar dochter op die manier tegen zichzelf wilde beschermen. Hoe het ook zij, reeds een half uur na aankomst wist zij te ontsnappen en meldde ze zich bij de plaatselijke autoriteiten, die haar weer naar huis lieten gaan.

Bij terugkeer in Amsterdam eiste Hulshoff in een brief aan de schepenen onmiddellijk te worden gearresteerd, wat op 14 april geschiedde. Na lange verhoren werd zij aangeklaagd wegens het samenstellen en verspreiden van een voor de overheid lasterlijk geschrift en het aanzetten tot oproer en verzet. Hulshoff wist Valckenaer over te halen als haar advocaat op te treden, niet zozeer om met zijn hulp te worden vrijgesproken als wel omdat hij in de rechtszaal het beste zou kunnen verwoorden tegen welk onrecht zij zich had gekeerd.

Voor het opstellen van de pleitrede riep Valckenaer de hulp in van advocaat Willem Bilderdijk (1756-1831). Hulshoffs verdedigers bleken daarin echter niet de rechtvaardigheid van haar zaak, maar haar geestestoestand centraal te stellen. Bilderdijk sprak van ‘zodanig een aandoenlijk en door aandoenlijkheid buiten de natuurlijke staat van geestbedaardheid geworpen juffer’, die men toch moeilijk ‘ter misdaad [kon] rekenen dat zij uitdrukt wat zij voelt’ (gecit. Wiersma, 78, 80). Toen de advocaten weigerden de opzet van het pleidooi te veranderen, wenste Hulshoff geen gebruik meer van hen te maken. Zij nam zich voor haar eigen verdediging te voeren, maar tijdens de rechtszitting kon zij door een zenuwinstorting geen woord uitbrengen. Zonder verweer werd zij op 18 juli 1806 veroordeeld tot twee jaar opsluiting op eigen kosten in het stadsverbeterhuis.

Met opgeheven hoofd zat Hulshoff haar straf uit, naar eigen zeggen de tijd dodend met het zingen van ‘schone godsdienstige en ook Republikeinse gezangen’ (gecit. Wiersma, 157). Toen zij op 17 juli 1808 vrijkwam, was haar revolutionaire elan ongebroken. De grootste bedreiging van ‘Land en Volk’ zag zij nu in de verkapte pogingen ook in het koninkrijk Holland de dienstplicht in te voeren. Hoogstwaarschijnlijk was Hulshoff betrokken bij de publicatie in december 1808 van het uiterst opruiende pamflet Droevige klagt van een aalmoeseniers-weeskind, waarin werd opgeroepen tot verzet tegen de maatregel van koning Lodewijk jongens uit armgestichten en weeshuizen bij het leger in te lijven. De autoriteiten slaagden er echter niet in de identiteit van de auteur of verspreider van dit schotschrift te achterhalen.

Kende de Droevige klagt slechts een geringe oplage en een beperkte verspreiding, heel anders was dat met de Waarschouwing tegen de requisitie, die in april 1809 opdook. Dit vier bladzijden tellende pamflet, waarin eveneens stelling wordt genomen tegen vermeende pogingen van de ‘vloekwaardige dwingelandij’ om op slinkse wijze de ‘verfoeilijke hatelijke Requisitie [: dienstplicht] ook hier in te voeren’, werd door Hulshoff in pakketjes naar verschillende steden in het gehele land verzonden of daar persoonlijk door haar bezorgd. Bij haar arrestatie op 4 mei 1809 in Breda vond de politie in haar bagage briefpapier met een voorgedrukt radicaal-republikeins brievenhoofd en correspondentiekaartjes, die de indruk wekten dat zij deel uitmaakte van een grotere organisatie.

Overgebracht naar Amsterdam werd Hulshoff aan lange verhoren onderworpen. De jonge vrouw – ‘klein van postuur, enige mate gezet, bleek van aangezicht’ en ‘enigszins verlegen’, aldus het verbaal (gecit. Joor, 292) – ontkende zowel het pamflet te hebben geschreven als het te hebben verspreid. Gezien haar voorgeschiedenis en de omstandigheden waaronder zij werd gearresteerd, veroordeelde men Hulshoff uiteindelijk tot opsluiting voor onbepaalde tijd in het Kasteel van Woerden, de gevangenis voor politieke delinquenten. Voordat zij daarheen kon worden overgebracht, schoten haar naasten en geestverwanten opnieuw te hulp. Ditmaal toonde Hulshoff zich minder recalcitrant en was zij wel bereid mee te werken aan een vluchtpoging. Nadat zij op 28 oktober 1809 in haar Amsterdamse cel van kleding had gewisseld met Aaltje Scholtens, de naaister van haar moeder, bracht Wiselius haar, vermomd als knecht, heimelijk naar Rotterdam. Vandaar wist zij op een vissersschip naar Groot-Brittannië te ontkomen.

Ballingschap

Hulshoff vestigde zich in Londen, waar zij leefde van het geld dat doopsgezinde geloofsgenoten haar vanuit Amsterdam toestuurden. Omstreeks 1810 ging het gerucht dat zij van plan zou zijn heimelijk de Noordzee over te steken om een moordaanslag te plegen op keizer Napoleon tijdens zijn bezoek aan de inmiddels bij Frankrijk ingelijfde Hollandse departementen. Harde bewijzen hiervoor ontbreken, zodat het niet meer lijkt dan een mystificatie (Joor, 489).

In plaats van naar Amsterdam te gaan vertrok Hulshoff in 1811 naar New York. Dat zij haar politieke opvattingen daar niet had gematigd, bleek in 1813 toen ze weigerde gehoor te geven aan de oproep van verwanten en vrienden naar het van de Fransen bevrijde vaderland terug te keren, zelfs niet nadat Wiselius hoofddirecteur van politie in Amsterdam was geworden: onder een Oranjemonarchie wenste zij niet te leven. In alle soberheid en eenzaamheid werkte Hulshoff onverstoorbaar aan een nieuwe publicatie: Peace republican’s manual. In dit geschrift van circa 170 bladzijden, dat in 1817 verscheen, geeft zij blijk van berusting en neemt zij afstand. ‘In magnis voluisse satis’ [(sic): sat est; In grote kwesties is het voldoende om gewild te hèbben], luidt het motto. Men zou dit boek daarom kunnen zien als haar politieke testament (Stouten (1984), 77).

Geloof en engagement

Hulshoffs pacifisme nam gaandeweg een steeds belangrijker plaats in haar leven in en zou haar radicale politieke denkbeelden ten slotte geheel naar de achtergrond dringen. Dat bleek in 1820, het jaar waarin zij eindelijk naar Amsterdam terugkeerde en daar onmiddellijk een ongeveer 160 pagina’s tellende publicatie, Gevolgen der voldoening, het licht deed zien. Zij toonde zich hierin een diepgelovige christen, die ijverde voor vrede en de bestrijding van sociale misstanden. Vooral de verbetering van de gezondheidszorg en de hygiëne gingen haar ter harte. Het laatstgenoemde thema pakte Hulshoff opnieuw op in 1827 in haar pamflet De koepok-inenting beschouwd, en tien bedenkingen overwogen. Zij verdedigde hierin de nieuwe vaccinatiemethode op zowel hygiënische als religieuze gronden.

Daarna werd het stil rond Hulshoff. Publicaties zijn er nadien niet meer van haar bekend. In 1846 overleed zij, ruim 64 jaar oud. In tegenstelling tot wat wel is beweerd, stierf zij noch in eenzaamheid noch in armoede. Zo werd haar dood aangegeven door een neef èn door de op dat moment zittende burgemeester van Amsterdam, een ‘bekende’ van de overledene (Joor, 763). Naast wat huisraad, waarmee Hulshoff haar sobere etage aan de Egelantiersgracht had ingericht, omvatte haar nalatenschap 22.400 gulden aan waardepapieren. Hierin liet zij ook haar vrienden en geestverwanten van weleer delen. Aan Wiselius bijvoorbeeld, de man die haar in 1809 had geholpen naar het buitenland te ontsnappen, vermaakte zij tweeduizend gulden (Stouten (1982), 163; (1984) 78).

Reputatie

De persoon en het optreden van Maria Hulshoff waren al voor tijdgenoten moeilijk te doorgronden. Veelal werd en wordt zij omschreven als ‘geëxalteerd’, ‘dweepzuchtig’ of ‘hysterisch’, als een naïeve fanatica van wie politieke agitatoren zich handig zouden hebben bediend. Hulshoffs heilige overtuiging en sterke gedrevenheid zijn inderdaad opvallend. Maar omdat dit jeugdige idealisme niet werd getemperd door (politiek) realisme, kwam zij tot daden die enerzijds bewondering afdwingen om hun moed en volharding, maar anderzijds zinloos lijken vanwege hun onbezonnenheid. Hulshoff vergeleek zichzelf graag met Jeanne d’Arc: zij zag zich als een uitverkorene en zocht welbewust de rol van martelares voor de vrijheid van haar vaderland. In de geschiedschrijving van de Bataafs-Franse tijd worden Hulshoffs naam en pamfletten nog altijd vermeld. En ondanks het ontbreken van enig resultaat prijst men daarbij de heroïek van haar opstandige daad, ook al is het een heroïek met een pathologisch randje (Stouten (1982), 162).

Naslagwerken

Van der Aa; Frederiks/Van den Branden; Lauwerkrans; NNBW.

Archivalia

De belangrijkste bronnen worden genoemd in Wiersma, Mietje Hulshoff (2003), 169-173. Verder: documentatiemap M.A. Hulshoff in bij Atria, Amsterdam.

Publicaties

  • Oproeping van het Bataafsche volk, om deszelfs denkwijze en wil openlijk aan den dag te leggen, tegen de overheersching door eenen vreemdeling, waarmede het vaderland bedreigd wordt (Amsterdam 1806).
  • Droevige klagt van een aalmoeseniers-weeskind (z.p. 1808).
  • Waarschouwing tegen de requisitie, welke men in ons vaderland wil invoeren [...] (Haarlem 1809).
  • Peace republican’s manual, or the French constitution of 1793 and the Declaration of the rights of man and of citizens […] (New York 1817).
  • Gevolgen der voldoening, of iets over de vrage: Verkondigt Gods heilig woord, dat een gedeelte van het menschelijk geslacht, hier namaals, zonder einde boosaardig en lijdend zal blijven; of verkondigt hetzelve de eindelijke zaligheid van alle menschen? [...] (Amsterdam 1820).
  • De koepok-inenting beschouwd, en tien bedenkingen overwogen: voor minkundigen (Amsterdam 1827).

Literatuur

  • P. van Limburg Brouwer, Het leven van Samuel Iperuszoon Wiselius (Groningen 1846).
  • J.A. Sillem, Het leven van mr. Johan Valckenaer (1759-1821). Naar onuitgegeven bronnen bewerkt 2 (Amsterdam 1876) 203-211 en bijlage xxv.
  • J. van den Bergh van Eysinga-Elias, ‘Het intellectueele leven der Nederlandsche vrouw in 1813’, in: Tentoonstelling ‘De Vrouw 1813-1913’. Twaalf voordrachten (Zaltbommel 1913) 191-220.
  • J.M. H[ulshoff] en H.Ch. H[ulshoff], ‘Hulshoff’, Nederland’s Patriciaat 28 (1942) 79-105.
  • Johanna Stouten, Willem Anthonie Ockerse (1760-1826). Leven en werk (Amsterdam 1982).
  • Johanna Stouten, ‘Maria Aletta Hulshoff (1781-1846), dweepster of idealiste?’, Literatuur. Tijdschrift over Nederlandse letterkunde 1 (1984) 2, 72-79.
  • Johan Joor, De adelaar en het lam. Onrust, opruiing en onwilligheid in Nederland ten tijde van het Koninkrijk Holland en de inlijving bij het Franse keizerrijk (1806-1813) (Amsterdam 2000).
  • Geertje Wiersma, Mietje Hulshoff of De aanslag op Napoleon (Amsterdam 2003).

Illustraties

Titelpagina van Maria Hulshoff, Oproeping van het Bataafsche volk. 1806 (Universiteit van Amsterdam; Bijzondere Collecties).

Auteur: A.J.C.M. Gabriëls

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 605

laatst gewijzigd: 23/01/2015