Jonkers, Hermine (1951-2013)

 
English | Nederlands

JONKERS, Hermine, vooral bekend als Hermine de Graaf (geb. Winschoten 13-3-1951 – gest. Buinen, 24-11-2013), schrijfster. Dochter van Engbert Jan Jonkers (1906-1980), classicus/rector, en Elize Marie Barre (1922-1997). Hermine Jonkers trouwde op 23-12-1974 in Diemen met Edwin Walther de Graaf (geb. 1947), klinisch psycholoog en psychoanalyticus. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Hermine Jonkers was de jongste van vijf – ze had drie zussen en één broer. Haar vroege jeugd bracht ze door aan de Liefkensstraat 1 in Winschoten. Het was een wat excentriek gezin, waar de nadruk lag op intellectuele prestaties: een vader met twee titels (‘dr. mr.’) en een moeder, de dochter van een voorname resident van Java, die graag Kant las. In dit traditionele, gesloten gezin telde vooral de geest en was weinig plaats voor het gevoel. Toen Hermine tien jaar was, verhuisde het gezin naar Den Helder omdat de vader daar rector van het gemeentelijk lyceum werd. Hij ging in 1965 met vervroegd pensioen na vermeende examenfraude met zijn oudste dochter Els.

Verhalen voor zusje

Hermine voelde een sterke band met haar zestien maanden oudere, verstandelijk gehandicapt zusje Mieke, aan wie ze in bed verhalen vertelde. Toen ze een eigen kamer kreeg, begon ze die verhalen op te schrijven. Ze identificeerde zich sterk met haar zus en profileerde zich niet in intellectueel opzicht, wat ertoe leidde dat haar ouders dachten dat zij ook ‘achterlijk’ was. Vanwege haar vaders loopbaan ging Hermine  naar scholen in Den Helder, Schagen, Arnhem en haalde uiteindelijk haar diploma mms (middelbare meisjesschool) op het Rhedens Lyceum.

Ondertussen bleef Hermine verhalen schrijven, zonder de behoefte te hebben ze naar buiten te brengen. Haar vader, die ontdekte dat ze schreef, stuurde de verhalen van zijn vijftienjarige dochter naar uitgever Geertjan Lubberhuizen. Zijn advies: eerst nog wat oefenen. Zelf bood ze haar verhalen persoonlijk aan bij Simon Vestdijk, maar die zat in bad toen ze in Doorn aanbelde. Ze kreeg wel een vriendelijke brief waarin hij haar schreef dat ze veel literaire fantasie had, maar nog veel goede boeken moest lezen. In 1966 ontmoette ze in het Arnhemse jazzcafé Kameleon de achttienjarige Ted de Graaf. Het was liefde op het eerste gezicht. Naar eigen zeggen was hij de man aan wie ze veel te danken had: hij gaf haar steun en waardering en zei dat ze moest gaan studeren. Hij was ook haar strengste criticus.

Studie en debuut

Na haar moeizame schooljaren studeerde Hermine Jonkers van 1969 tot 1975 Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam.  In 1975 verhuisde ze met Ted de Graaf naar het Noord-Limburgse Swolgen. Ze trouwden omdat de woningbouwvereniging niet verhuurde aan samenwonenden. Voortaan noemde Hermine zich De Graaf, want ze had een hekel aan haar vaders naam en het schrijven onder een pseudoniem vond ze lafhartig. Ted was als klinisch psycholoog aan het psychisch medisch centrum Venray verbonden. Zelf werkte ze zo’n tien jaar op het Boschveldcollege in Venray als docente Nederlands.

Het debuutverhaal van Hermine de Graaf, ‘Kersen eten’, verscheen in januari 1980 in Hollands Maandblad, Redacteur K.L. Poll voorzag haar van stilistische en persoonlijke adviezen. In 1984 kwam een selectie van deze verhalen uit onder de titel Een kaart, niet het gebied. Geïnspireerd op haar eigen jeugd voert De Graaf jonge vrouwen en meisjes op met hun besognes: van gangbare puberproblematiek tot anorexia. Voor deze debuutbundel ontving ze de Geertjan Lubberhuizen-prijs.

Een kaart, niet het gebied werd ook enthousiast ontvangen in kringen van de vrouwenbeweging. Toch had De Graaf er moeite mee dat haar werk onder de zogeheten ‘vrouwenliteratuur’ werd geschaard. Ze wilde niet op een hoop geveegd worden met andere schrijfsters louter omdat ze een vrouw was. De Graaf vond het interessant om over vrouwen te schrijven, omdat ze vrouwen gedifferentieerder en spannender vond, en er bovendien al zoveel over mannen was geschreven. Ze was voor emancipatie, maar had moeite met het feminisme als ideologie die mensen voorschrijft hoe te handelen.

Fulltime schrijfster

In 1985 besloot Hermine de Graaf fulltime schrijfster te worden en zegde haar baan op. Ze behield hetzelfde dagritme als op school en schreef dagelijks met vulpen haar verhalen en romans. Haar Aanklacht tegen onbekend (1987) werd in 1988 bekroond met de Bordewijkprijs. Het boek werd net als De zeevlam (1985) genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Tijdens de prijsuitreiking brak ze met het beeld dat het publiek van haar had opgebouwd als een rokende schrijfster in vale spijkerbroek en met los lang sluik haar: ze verscheen in een schitterende avondjurk.

Tussen 1988 en 1998 publiceerde De Graaf acht titels, die wisselend werden ontvangen. In de schrijverswereld heeft ze zich nooit gestort. Ze hield niet van feestjes en gaf de voorkeur aan rust, eigen vrienden, muziek, kunst en bovenal natuur. Met een schrijfster als Josepha Mendels, die literair en persoonlijk haar eigen plan trok, voelde ze zich verwant. Haar lievelingsschrijvers waren de Amerikanen Carson McCullers, John Updike, Saul Below en William Faulkner.

Na korte tijd in Harderwijk gewoond te hebben vestigden Hermine en Ted de Graaf zich in 1992 in het Drentse  Buinen. In die tijd begonnen gezondheidsproblemen haar parten te spelen. Als gevolg van een verwaarloosde longontsteking in haar jeugd was haar auto-immuunsysteem ontregeld, waardoor ze in toenemende mate slechtziend werd. Bovendien belandde ze bij uitgeverij Meulenhoff op een zijspoor door de dood in 1996 van haar redacteur, Wouter Tieges. De Graaf dreigde in de vergetelheid te raken, maar Reinjan Mulder van uitgeverij De Geus haalde haar over weer te publiceren. Zo kwam ze met een nieuwe roman: Mijn moeder en de duif, of hoe ik met schaatsen stopte (2002). Hierin overziet een schrijfster aan het sterfbed van haar moeder het leven met haar en haar vier zussen. In hetzelfde jaar bracht De Geus De verhalen, een bundeling van eerder verschenen verhalen. Ze sprak zelf van een nieuw begin.

Hermine de Graaf overleed op 24 november 2013 aan kanker, na een ziekbed van een half jaar. Boven haar overlijdensbericht in de Volkskrant (28-11-2013) stond haar lievelingszin uit de Nederlandse letterkunde, de oudst bekende Nederlandse dichtregels: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan/hinase hic anda tu wat unbiddan we nu?’ Ted de Graaf voegde hieraan toe: ‘Ook droeg ze me op via deze onpersoonlijke weg (“de enige mij overblijvende mogelijkheid aan gene zijde is: middels flessenpost sic”), haar lezeressen en lezers te bedanken. Ze schreef “immers” om gelezen te worden!’

Betekenis

De Graaf maakte geen deel uit van de literaire wereld, maar schreef wel beschouwingen over literatuur en beeldende kunst voor NRC Handelsblad. Hiernaast publiceerde ze in Bzzlletin, De Held, Vrij Nederland, Waddenbulletin, Playboy, Elegance en diverse bloemlezingen. Ook maakte ze deel uit van de jury’s van de P.C. Hooft-prijs 1989, Annie Romein-prijs 1989, Geert Jan Lubberhuizen-prijs 1991, 1997, 2001 en de Libris Literatuur Prijs 1998. In de jaren tachtig gold ze als een van de veelbelovende nieuwe stemmen in Nederlandse literatuur. Samen met schrijfsters als Mensje van Keulen, Hannes Meinkema en vooral ook Doeschka Meijsing zorgde ze voor een literaire vrouwenstem in een overaanbod van mannelijke auteurs. Anders dan Van Keulen en Meijsing en ondanks een gunstige ontvangst bij de literaire kritiek brak ze nooit door naar het grote publiek.

Naslagwerken

Kritisch lexicon.

Archivalia

Letterkundig Museum, Den Haag: dossier Hermine de Graaf [niet nader gecatalogiseerde archivalia, divers (handschriftelijk) materiaal van en/of betreffende Hermine de Graaf].

Publicaties

  • Een kaart, niet het gebied (Amsterdam 1984).
  • De zeevlam (Amsterdam 1985).
  • Aanklacht tegen onbekend (Amsterdam 1987).
  • De regels van het huis (Amsterdam 1987).
  • De maan (Breda 1988).
  • Stella Klein (Amsterdam 1990).
  • Alleen de heldere uren (Amsterdam 1991).
  • Vijf broden en drie vissen (Amsterdam 1994).
  • Conversatie van twee werkende vrouwen (z.p. z.j.)
  • De weg naar het pompstation (Amsterdam 1996).
  • Een dag in december (Amsterdam 1997).
  • Mythische resten in een rationele cultuur (Utrecht 1998).
  • Een speld met gekleurde steentjes (Brummen 2001).
  • De verhalen (Breda 2002).
  • Mijn moeder en de duif (Breda 2002).

Literatuur

  • Jos Teunissen, ‘Schrijven is voor mij verhalen vertellen aan m’n zusje’, HN-Magazine/Hervormd Nederland, 16-3-1995.
  • Lieve Joris, ‘Het koffertje van Hermine de Graaf’, Haagse Post, 16-3-1985.
  • Ineke Setz, ‘”Er zijn zeer veel jongetjes in de Nederlandse literatuur”. Hermine de graaf over haar boeken, haar aanvaring met de literaire kritiek’, De Groene Amsterdammer, 29-7-1987.
  • Aleid Truijens, ‘De aanklager gewroken. Hermine de Graaf en de macht van het slachtoffer’, in: H. Bekkering, Jan Campertprijzen 1988 (1988), 63-77.
  • Gerard Heijnen, Hermine de Graaf. Twee bundels verhalen (Laren 1988).
  • Margriet de Groot, ‘“Ik bleef mijn verhalen maar niet goed genoeg vinden en ik vond schrijfster worden zo hoog gegrepen”’, Margriet, 23-11-1990.
  • J.G.M. Weck, Hermine de Graaf (Almere 1991).
  • Judith Koelemeijer, ‘Hermine de Graaf: “Ik ben tevreden als een lezer het braaksel op zijn schoenen voelt”‘, De Groene Amsterdammer, 30-3-1994.

Illustratie

Hermine de Graaf bij de uitreiking van de Geert-Jan Lubberhuizenprijs in 1984, door Dick Coersen (ANP Photo). 

Auteur: Arno van der Valk

laatst gewijzigd: 24/02/2017