Kartini (1879-1904)

 
English | Nederlands

KARTINI, ook bekend als Raden Adjeng Kartini (geb. Djepara, Nederlands-Indië 21-4-1879 – gest. Rembang, Nederlands-Indië 17-9-1904), pionierster voor de rechten van Javaanse vrouwen. Dochter van Ario Sosroningrat (gest. 1905), regent van Djepara (Java), en zijn ’bijvrouw’ Ngasirah. Kartini trouwde op  8-11-1903 in Djepara met Djojoadiningrat (gest. 1912), regent van Rembang (Java). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Kartini was het oudste meisje van de acht kinderen die Ngasirah tussen 1873 en 1892 ter wereld bracht. Kartini’s vader, Raden Mas Sosroningrat, was als aankomend bestuurder in Majong (Mayong) getrouwd met Ngasirah, dochter van de belangrijkste handelaar ter plaatse, tevens hadji (pelgrim naar Mekka). Na zijn bevordering tot districtshoofd van Djepara (Japara) in 1876 versterkte hij zijn positie door in de plaatselijke adel in te trouwen: hij installeerde Raden Ajoe Moerjam als zijn hoofdvrouw en daarmee als de algemeen erkende moeder van al zijn kinderen. Volgens het Javaanse protocol kregen kinderen van niet-adellijke echtgenotes de titel van hun vader. De adellijke titel Raden Adjeng dankt Kartini dus aan het polygame huwelijk van haar vader. Ngasirah sprak haar kinderen aan als Ndoro (heer/meesteres), terwijl de kinderen haar aanspraken met Ju (oudere zuster in de Javaanse spreektaal) en Raden Ajoe Moerjam ‘moeder’ noemden.

Kartini’s mannelijke familieleden behoorden tot dat deel van de Javaanse aristocratie dat carrière maakte in het inheemse koloniaal bestuur. Zij beschouwden zich als partners van de Nederlanders in het bewind over Java, maar dit verplichtte hen tot aanvaarding van Europese normen in althans de publieke relaties van mannen en vrouwen. Een vrouw die in het Nederlands kon converseren vergrootte de promotiekansen van haar echtgenoot. Kartini’s vader huurde dan ook een Nederlandse gouvernante in om al zijn kinderen klaar te stomen voor de Eerste Klas School voor Europeanen in Djepara.

Toen Kartini in 1885 naar deze lagere school ging, waren daar nauwelijks Javaanse meisjes te vinden. De kolonie was in 1870 opengesteld voor algemene immigratie vanuit Holland, en onder de vrouwelijke immigranten bevonden zich veel goed-opgeleide echtgenotes van beleidsmakers en vrouwen die werk zochten als onderwijzeres, huishoudster of verpleegster. Kartini’s ontwikkeling tot voorvechtster van vrouwenrechten en voorloper van het Indonesisch nationalisme werd mogelijk omdat ze het Nederlands beheerste en contacten had met Nederlandse vrouwen.

De school opende Kartini de ogen voor kennis uit boeken. Die boden haar de mogelijkheid omstandigheden te vergelijken. Vriendschap met Nederlandse klasgenoten maakte haar tot een rebel tegen de streng-hiërarchische Javaanse etiquette. Ze zag dat meisjes uit de Javaanse elite waren voorbestemd voor de rol van eerste vrouw, terwijl Europese meisjes kans maakten op een loopbaan, een monogaam huwelijk en een leven als weldoenster in de publieke sfeer. Kartini’s broers gingen naar de middelbare school en een van hen naar een universiteit in Nederland. Zij en haar zusjes werden na de lagere school in huis opgesloten, in afwachting van  een gearrangeerd huwelijk met een man van adel.

Nederlandse contacten

Kartini’s opsluiting begon in 1891. Die werd doorbroken toen in 1894 de nieuwe Nederlandse ambtenaar Ovink, zijn vrouw meenam naar Djepara. Kartini en haar zusters Roekmini en Kardinah (1881-1971) werden dagelijks in een geblindeerd rijtuig naar het huis van de Ovinks gereden voor conversatieles onder leiding van Marie Ovink-Soer, een vrouw in wie ze hun vrouwelijk ideaal vonden: goed opgeleid, goed gemanierd, een maatje voor en gelijk aan haar echtgenoot. De conversatielessen mondden uit in discussies over rechten van vrouwen, loopbanen, keuzes en plichten ten opzichte van de maatschappij. De lessen stimuleerden ook hun belangstelling voor koloniale zaken en voor lezen.

In 1899, na het vertrek van de Ovinks uit Djepara, zocht Kartini via een advertentie in De Hollandsche Lelie een Nederlandse penvriendin. Stella Zeehandelaar reageerde. Als jonge, ongetrouwde en zelfstandige vrouw,  lid van verenigingen die verbetering van de positie van vrouwen en kinderen in Nederland beoogden, vertegenwoordigde zij de idealen van de twintigjarige Kartini. De invloed van koloniaal onderwijs en Nederlandse vrienden is herkenbaar in Kartini’s eerste brief aan Stella: ‘Ik heb zó verlangd kennis te maken met een “modern meisje”, het fiere, zelfstandige meisje, dat zo ten volle mijne sympathie heeft, dat met vlugge, flinke tred haar weg door ’t leven gaat, vrolijk en opgeruimd, vol geestdrift en warm gevoel, arbeidend niet voor eigen heil en geluk alleen, doch ook zich gevend aan de grote Maatschappij, werkend tot het heil van vele medemensen’.

Kartini werd bekend door artikelen die zij onder het pseudoniem ‘Het klaverblad’ in Nederlandstalige tijdschriften in Java en Nederland publiceerde. Zij trok ook aandacht met haar bijdragen aan de Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid in 1898 in Den Haag en haar patronage van houtbewerkers uit Djepara, van wie zij werk verkocht via de vereniging Oost en West. Toen de nieuwe directeur van het Departement van Onderwijs, J.H. Abendanon, met zijn vrouw door Java reisde om de mening van de Javaanse adel te peilen over uitbreiding van het onderwijs aan Javanen, bezocht hij ook Djepara. Hij wilde Sosroningrats dochters persoonlijk ontmoeten.

Na hun ontmoeting in augustus 1900, waarbij ze spraken over de noodzaak van onderwijs aan Javaanse meisjes, bleef Kartini met het echtpaar corresponderen. Aan Rosa Abendanon-Mandri  schreef ze in 1903:  ‘Mijn liefste, dierbaarste Moedertje, ‘t is mij soms, of U de enige moeder is, die ik ooit had’. Haar brieven geven details van de weerstand bij haar familie én Nederlandse ambtenaren tegen haar plannen voor verder onderwijs en een eigen carrière. Zij beschrijft haar leven in opsluiting, haar verzet tegen polygamie en haar wanhoop over het gedwongen huwelijk van haar zusje Kardinah met een man die al vrouwen en kinderen heeft.

In lange brieven aan een steeds groeiende kring Nederlanders formuleerde Kartini haar uitgangspunten en ambities. Meisjes van haar stand moesten scholen bezoeken met Nederlands als voertaal ter voorbereiding op hun werk ten dienste van het gewone volk. Zij zouden vrij moeten zijn om ongetrouwd te blijven of hun echtgenoot zelf te kiezen. Kartini stelde studiekringen voor om een gedachtewisseling tussen jonge Javaanse mannen en vrouwen op gang te brengen. Voor dorpsmeisjes bepleitte ze een beroepsopleiding en les in de basisprincipes van de gezondheidszorg. Ze wilde de traditionele ambachten doen herleven en trots op de eigen culturele erfenis stimuleren. Zelf wilde Kartini naar Nederland voor een opleiding tot onderwijzeres of vroedvrouw en om te leren vrij te zijn.

Door haar contacten met invloedrijke Nederlanders wist Kartini een beurs voor een opleiding in Nederland te verwerven. De tegenstand van haar familie was echter onoverkomelijk. Daarom besloot ze een informeel schooltje aan huis te beginnen voor dochters van haar vaders staf. Vier maanden later had haar familie voor haar een huwelijk geregeld met het hoofd van het district Rembang, waardoor ze als adellijke hoofdvrouw moeder van zijn zeven kinderen werd en in één huis kwam te wonen met drie ‘bijvrouwen’.  Aan Rosa Abendanon beschreef ze haar gevoelens van vernedering en schaamte; publiekelijk kondigde ze plannen aan voor een school voor meisjes in Rembang. De dood haalde haar in:  Raden Adjeng Kartini stierf vier dagen na de geboorte van haar eerste kind.

Reputatie

Kartini’s Nederlandse vrienden bleven de ontwikkeling van Javaanse meisjes steunen. Om haar idealen bekendheid te geven en fondsen te werven voor meisjesscholen op Java te harer nagedachtenis, publiceerde Abendanon 106 brieven van Kartini aan zijn familie, vrienden en ambtenaren. Hierin komt Kartini naar voren als vurig aanhangster van Nederlandse idealen en gepassioneerd voorvechtster van de rechten van vrouwen en kinderen. Persoonlijke ontboezemingen, kritiek op familieleden en roddel had Abendanon geschrapt. De brieven werden herhaaldelijk herdrukt, en verschenen in zeer verkorte vorm in onder meer het Indonesisch, Javaans, Soendanees, Chinees en Arabisch.

In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog wisten talrijke Javaanse vrouwen de Nederlandse levensstijl waarnaar Kartini verlangd had, voor zichzelf te realiseren. Kartini’s zusters stichtten meisjesscholen en stimuleerden verenigingen voor Javaanse jongeren om zelfexpressie en zelfbestuur te ontwikkelen. Een dochter van haar zuster Soematri schreef zich in 1936 in als student aan de Medische Faculteit op Java. Enkele jonge vrouwen studeerden rechten in Nederland; velen werkten voor liefdadigheidsorganisaties in de kolonie en werden lid van de vrouwenafdelingen van politieke partijen.

Critici in Indonesië hebben beweerd dat de Nederlanders aandacht vroegen voor Kartini om hun eigen koloniaal bewind te rechtvaardigen. Publicatie van de onverkorte versie van haar brieven maakte een genuanceerder oordeel mogelijk: Kartini stond kritisch tegenover de koloniale verhoudingen en gaf uit eigen ervaring voorbeelden van raciale vooroordelen. Haar critici miskenden ook de historische betekenis van haar brieven en hun charismatische kwaliteit. Ze zetten immers de vrouwenzaak in de kolonie op de publieke agenda en droegen bij aan een mentaliteitsverandering onder Java’s opiniemakers.

Voor historici zijn Kartini’s brieven een belangrijke bron. Er bestaat geen vergelijkbaar persoonlijk verhaal over Java rond 1900, geen ander ooggetuigeverslag van de sociale en politieke omgeving of van de aard van de alliantie tussen de Nederlandse en de Javaanse elite, het fundament van het koloniaal bewind. Kartini was de eerste Javaanse vrouw die een beurs ontving voor studie in Nederland en de eerste die haar visie op Java op schrift stelde. Haar zusters bleven nog 32 jaar na haar dood met de Abendanons corresponderen. Andere doorgaande persoonlijke verslagen uit het laat-koloniale Indië zijn er niet.

In 1964 zette president Soekarno Kartini bij in het heldenpantheon van de Republiek als pionier voor de rechten van Indonesische vrouwen en de nationale onafhankelijkheid. In het hedendaagse Indonesië wordt Kartini nog steeds geëerd maar zelden gelezen. Ze wordt vooral afgeschilderd als moeder en pionier van het meisjesonderwijs, maar men zwijgt over haar oppositie tegen polygamie en kinderhuwelijken. En er blijven gaten in het historisch verhaal. Geen van Kartini’s brieven aan mede-Indonesiërs is bewaard gebleven. Ook weten we niet wat haar Nederlandse vrienden aan haar schreven.

Niettemin is haar boodschap na al die jaren nog altijd relevant: Kartini spreekt vol verlangen over persoonlijke vrijheid, een actief leven en een maatschappij die vrouwen toestaat hun capaciteiten te ontwikkelen. Haar brieven getuigen van de opwinding over ideeën, de transformerende invloed van persoonlijk contact, maar ook van een ambivalente nalatenschap voor jonge Indonesiërs, heen en weer geslingerd tussen Westerse en Islamitische idealen rond vrouwen.

Naslagwerken

  • Tamar Djaja, Pusaka Indonesia: Riwajat Hidup Orang-Orang Besar Tanah Air, dl. 2 (Jakarta 1966), ingang 71.
  • Ooi Keat Gin red., Southeast Asia: a historical encyclopedia from Angkor Wat to East Timor, dl. 2 (Santa Barbara 2004) 716-717.

Archivalia

Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-en Volkenkunde, Leiden: Archief van Raden Adjeng Kartini (1879-1904), inv. nr. H897 [met brieven in fotokopie van en aan familieleden, artikelen, documentatie over het Kartini-fonds en Kartini-scholen].

Publicaties

Uitgaven van Kartini’s privécorrespondentie in het (oorspronkelijk) Nederlands:
  • Door duisternis tot licht. Gedachten over en voor het Javaansche volk van Raden Adjeng Kartini, J.H. Abendanon ed. (Den Haag 1911; herdr. 1912, 1923).
  • Brieven aan mevrouw R.M. Abendanon-Mandri en haar echtgenoot met andere documenten, F.G.P. Jacquet ed. (Dordrecht 1987).
In het Indonesisch:
  • Habis Gelap, Terbitlah Terang, Armijn Pane ed. en vert. (Jakarta 1938).
  • Surat-Surat Kartini: Renungan tentang dan untuk bangsanya, Sulastin Sutrisno ed. en vert. (Jakarta 1979).
  • Kartini: Surat-surat kepada Ny. R. M. Abendanon-Mandri en suaminya, Sulastin Sutrisno ed. en vert. (Jakarta 1989).
Engelse vertalingen:

  • Letters from Kartini: an Indonesian feminist, 1900-1904, Joost Coté ed. en vert. (Clayton 1992).
  • On feminism and nationalism. Kartini’s letters to Stella Zeehandelaar, 1899-1903, Joost Coté ed. en vert. (Clayton 1995).
  • Realizing the dream of R.A. Kartini. Her sisters’ letters from colonial Java, Joost Coté ed. en vert. (Athens, Ohio 2008).

Literatuur

  • Cora Vreede-de Stuers, ‘Een nationale heldin: R.A. Kartini’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 124 (1968) 386-393.
  • Ailsa G. Thomson Zainu’ddin red., Kartini centenary: Indonesian women then and now (Clayton 1980).
  • Jean Gelman Taylor, ‘Kartini in her historical context’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 145 (1989) 295-307.
  • Jean Gelman Taylor, ‘Once more Kartini’, in: L. Sears red., Autonomous histories, particular truths (University of Wisconsin Center for Southeast Asian Studies 1993) 155-171.
  • Danilyn Rutherford, ‘Unpacking a national heroine: two Kartinis and their people’, Indonesia 55 (April 1993) 23-40.
  • Jean Gelman Taylor, ‘Een gedeelde mentale wereld: Multatuli and Kartini’, in: M. Everard en U. Jansz, De minotaurus onze zeden: Multatuli als heraut van het feminisme (Amsterdam 2010) 147-166.

Illustratie

Kartini (midden) met haar jongere zuster Kardinah en haar halfzuster Roekmini, Semarang, Indonesia, 1900. De ‘footstool’ geeft Roekmini’s status als dochter van de hoofdvrouw aan (KITLV).

Auteur: Jean Gelman Taylor, vertaling: Elsbeth Locher-Scholten

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 840

laatst gewijzigd: 13/11/2017