Lescailje, Katharina (1649-1711)

 
English | Nederlands

LESCAILJE, Katharina (geb. Amsterdam 26-9-1649 – gest. Amsterdam 8-6-1711), dichteres, vertaalster en boekverkoopster. Dochter van Jacob Lescailje (1611-1679), boekverkoper en dichter, en Aeltje Verwou (1612-1679), boekverkoopster. Katharina Lescailje bleef ongehuwd.

Katharina Lescailje, één van de bekendste dichteressen van de zeventiende eeuw, groeide op in Amsterdamse boekhandel- en toneelkringen. Haar vader was afkomstig uit Dordrecht. Hij kreeg zijn opleiding in het drukkersbedrijf van de familie Blaeu in Amsterdam. Samen met zijn tweede echtgenote, Aeltje Verwou, had hij vanaf 1645 een drukkerij en boekhandel op de Amsterdamse Middeldam (nu de Dam) in het ‘huis onder het zeil’. Katharina Lescailje heeft hier haar leven lang gewoond en gewerkt. Het bedrijf was gespecialiseerd in literaire teksten van vooral Amsterdamse (toneel)auteurs. Tot de vriendenkring van haar vader behoorden onder anderen Jan Vos, Joost van den Vondel en Gerard Brandt. In 1658 werd Jacob Lescailje de vaste drukker en leverancier van schrijfwaren van de Amsterdamse Schouwburg. De winkel werd een ontmoetingsplaats voor figuren uit de Amsterdamse toneelwereld waar gediscussieerd werd over literaire aangelegenheden, zoals bijvoorbeeld over de strijd rond het genootschap Nil Volentibus Arduum: ‘Men gaat er Aeltje’s deur niet voorbij, of ziet er de dichteren [: dichters] zij aan zij’ (gecit. A.J. Kronenberg, Het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (Deventer 1876) 89).

Familiebedrijf

Katharina had twee zussen: Barbara en Aletta, en twee halfbroers, Anthonie en Johannes – zowel haar vader als haar moeder had een zoon uit een eerder huwelijk. Over de opleiding van de kinderen is weinig bekend. Zeker is dat alle kinderen in de winkel assisteerden. Anthonie vestigde zich in de jaren 1670 als boekverkoper, eveneens van veel toneelteksten, en Aeltjes zoon, Johannes van Dorsten, werkte voor de familie Blaeu. De zoons waren zeker voorbestemd om uiteindelijk het bedrijf van hun ouders voort te zetten, maar de vroegtijdige dood van Johannes tijdens een reis naar Frankfurt voor Blaeu en het faillissement van Anthonie deden Jacob Lescailje besluiten het bedrijf aan zijn dochters na te laten. Na het overlijden van hun ouders in 1679 werden Katharina Lescailje en haar twee zusters ‘de erfgenamen van Jacob Lescailje’, onder welke naam zij in het vervolg uitgaven. Barbara, die inmiddels gehuwd was met de Duitse boekbinder Matthias de Wreedt, was voorzover bekend nauwelijks betrokken bij de bedrijfsvoering; zij liet die over aan haar twee ongehuwde zusters en haar echtgenoot.

Na de dood van Barbara Lescailje (rond 1680) en Matthias de Wreedt (voor 1690) erfde hun dochter Susanna een deel van de boekhandel. Zij trok na de dood van haar vader in bij haar tantes Katharina en Aletta. Samen leidden zij een boekhandel die redelijk succesvol was, vooral door de gegarandeerde stroom van opdrachten van de Amsterdamse Schouwburg. Het bedrijf bleef bestaan tot 1736. Vanaf 1712 voerde het de naam ‘de erfgenamen van J. Lescailje en D. Rank’; de laatste was de echtgenoot van Susanna Lescailje de Wreedt. Tot 1729, toen het privilege van de Amsterdamse Schouwburg naar een andere drukker ging, bleef het winkeltje op de Middeldam een belangrijke ontmoetingsplek van de Amsterdamse toneelwereld.

Dichteres

In de literaire omgeving van haar ouderlijk huis nam Katharina Lescailje al op jeugdige leeftijd zelf de pen ter hand. Haar eerste gedichten werden volgens overlevering door haar vader aan zijn literaire vrienden voorgelegd en konden op hun bijval rekenen. Vondel zou haar een grote toekomst hebben voorspeld. Van het vroegste werk van Lescailje is weinig bewaard gebleven. We kennen onder meer een bijdrage aan het album amicorum van Johannes Blasius uit 1672 en enkele door haar vader uitgegeven gelegenheidsgedichten. Rond deze tijd maakte ze met onder anderen Sara de Canjoncle en Cornelia van der Veer deel uit van een vriendinnenkring, waarin regelmatig gedichten werden uitgewisseld.

Katharina heeft haar leven lang veel gelegenheidsgedichten geschreven: soms op politieke gebeurtenissen, maar vooral op personen uit de literaire en de toneelwereld. Daarnaast verwierf ze roem met haar vertalingen en bewerkingen van Franse toneelstukken. In totaal staan er acht op haar naam, waaronder Kassandra (1684), Genserik (1685) en Nicomedes (1692). Haar laatste werk, Geta of de Broedermoord van Antonius, werd na Lescailjes dood voltooid door J. Haverkamp en in 1713 gepubliceerd. Lescailjes stukken werden tot in de achttiende eeuw met enige regelmaat opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg. Haar werk werd niet alleen gewaardeerd door de toeschouwers, maar ook door veel collega-dichters. Beginnende toneelauteurs zouden haar literaire adviezen gevraagd hebben.

Haar roem dankte Katharina Lescailje niet alleen aan haar literaire werk zelf, maar ook aan het feit dat zij een dichtende vrouw was. Al tijdens haar leven werd zij in één adem genoemd met dichteressen als Tesselschade Roemersdr. Visscher en Catharina Questiers. Toen Zacharias Conrad von Uffenbach in maart 1711 in Amsterdam was en een dichtende vrouw wilde ontmoeten, werd hij verwezen naar Katharina Lescailje: ‘Sie ist eine Jungfer, bey sechzig Jahr alt, und wohnet in einem Winckel oder Laden, wo lauter Comödien vercaufft werden. Sie wird vor eine der besten Poetinnen dieser Zeit gehalten’ (Zij is een vrijster, tegen de zestig jaren oud, en woont in een winkel waar alleen maar komedies worden verkocht. Zij wordt beschouwd als een van de beste dichteressen van deze tijd). In datzelfde voorjaar van Von Uffenbachs bezoek kregen Katharina en Aletta te kampen met een pijnlijke ziekte die klachten ‘van het graveel’ en benauwdheid veroorzaakte. Aletta overleefde de ziekte – zij stierf in 1725 –, Katharina overleed na een ziekbed van enkele maanden. Haar dood werd door veel (toneel)dichters betreurd. In een lange reeks lijkdichten van onder anderen Enoch Krook, Balthasar Huydecoper, P.A. de Huybert, Joan Pluimer en H. Angelkot worden leven en werken van deze reïncarnatie van ‘de maagd van Lesbos’ bezongen.

Reputatie

Katharina's reputatie als groot dichteres hield lang stand. Uit vrijwel de hele achttiende eeuw zijn lofzangen op haar prestaties te vinden, zoals die van Balthasar Huydecoper in 1720, die haar vers ‘Haar traanen storten, onder 't storten van haar bloed’ het fraaiste noemde dat ooit is gemaakt.

Lescailjes naamsbekendheid is ongetwijfeld vergroot door het feit dat zij als één van de eerste vrouwen in de Nederlandse literatuur werd vereerd met de uitgave van haar verzameld werk. Die uitgave verscheen in 1731 bij haar erfgenamen, ‘de erfgenamen van Jacob Lescailje en Dirk Rank’, en was niet alleen bedoeld als een eerbetoon aan de dichteres maar ook als wapen in een strijd tussen die erfgenamen – vooral Dirk Rank – en het bestuur van de Amsterdamse Schouwburg over het privilege op toneelteksten. Na bijna een eeuw waren de erfgenamen Lescailje en Dirk Rank hun bevoorrechte positie kwijtgeraakt als drukkers van de Amsterdamse Schouwburg, en daarbij ook de rechten op het drukken van toneelstukken. Alleen de rechten op het werk van Katharina Lescailje hadden ze weten te behouden. De uitgave van haar werk is dan ook zeker een trap in de richting van de schouwburgregenten geweest. Ranks rancune ging zelfs zo ver dat hij in 1736 in zijn testament bepaalde dat na zijn dood de meeste exemplaren van de verzamelde werken van Katharina Lescailje die nog in zijn bezit waren, vernietigd moesten worden, om te voorkomen dat de schouwburgregenten er rechten op zouden doen gelden.

Pas in de negentiende eeuw raakte Lescailje in de vergetelheid. Recentelijk kan Katharina Lescailje echter op hernieuwde aandacht rekenen, niet alleen omdat ze een succesvolle dichteres was, maar tevens omdat sommige historici in haar werk bewijzen menen te kunnen vinden voor homoseksuele gevoelens van de ongehuwde Lescailje voor haar vriendin Sara de Canjoncle.

Naslagwerken

Van der Aa; Basse; Frederiks/Van den Branden; Kobus/De Rivecourt; Kok; Lauwerkrans; Michaud; NNBW; Regt; Verwoert; Witsen Geysbeek.

Archivalia

De weinige archivalia m.b.t. het leven van Katharina Lescailje bevinden zich in het Stadsarchief Amsterdam.

Werk

K. Lescailje, Toneel- en mengelpoëzy, 3 delen (Amsterdam 1731).

Literatuur

  • Maria J.E. Sanders, ‘De familie Lescaille’, Maandblad Amstelodamum 47 (1960) 60-67.
  • Lia van Gemert, ‘De vrouwenzucht van Katharina Lescail­je’, in: H. Duits, A.J. Gelderblom en M.B. Smits-Veldt red., Klin­kend boeket. Studies over renaissanceson­netten voor Marij­ke Spies (Hilversum 1994) 143-149.
  • E.M. Grabowsky, ‘“Op de goede beterschap van ons sieke privilegie”: over Amsterdamse schouwburgregenten, drukkers en censuur’, Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 2 (1995) 35-55, 213-214.
  • Lia van Gemert, ‘Hiding behind words? Lesbianism in 17th-century Dutch poetry’, Thamyris. Mythmaking from past to present. Special issue: The Gender of Homosexu­a­lity 2 (1995) 11-44.
  • Marijke Spies, ‘Oudejaarsavond 1675: Cornelia van der Veer schaduwt Katharina Lescailje als deze van het huis van haar vriendin Sara de Canjoncle naar dat van haar zuster gaat. Het vrouwelijk aandeel’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen red., Nederlandse literatuur, een geschiedenis (Amsterdam/Antwerpen 1998) 282-287.
  • Ellen Grabowsky, ‘Katharina Lescailje (1649-1711) en de “vrouwenzucht”: schijn of werkelijkheid?’, Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 23 (2000) 65-79.

Illustratie

Allegorische voorstelling: Katharina Lescailje krijgt van de muze ganzenveer en lauwerkrans aangeboden (penseel in grijs over zwart krijt) door Nic. Verkolje, 1731. Uit: Lauwerkrans.

Auteur: Ellen Grabowsky

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 346

laatst gewijzigd: 13/01/2014

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.