Geel, Marjanne van (1944-2008)

 
English | Nederlands

GEEL, Marjanne van, vooral bekend als Marjanne Kweksilber (geb. Amsterdam 18-1-1944 – gest. Amsterdam 12-5-2008), sopraanzangeres en zangdocente. Dochter van Johannes Hermanus van Geel (1915-1997), instrumentmaker, en Betje Glasbeek (1918-1998), kantoorbediende. Marjanne van Geel trouwde (1) op 17-5-1966 in Amsterdam met Erik Kweksilber (geb. 1943), boekhandelaar; (2) na echtscheiding (1975) in 1980 in Amsterdam met Ludwig Olshansky (geb. 1932), pianist en musicus. Uit huwelijk (1) werd 1 zoon geboren, uit (2) 1 dochter.

Marjanne van Geel kwam in het laatste oorlogsjaar ter wereld als dochter van een niet-Joodse vader en een Joodse moeder. Ze groeide op als oudste van drie – ze had twee broers – in een socialistisch arbeidersmilieu in de wijk Tuindorp in Amsterdam Noord. De gehele familie van haar moeder was in de oorlog vermoord, en haar moeder verbleef na de bevrijding enige tijd in sanatoria vanwege tbc. Vanwege de slechte gezondheid van haar moeder moest Marjanne al jong voor haar broertjes zorgen. Ze ging naar de Purmerschool en daarna naar de mms. Muziek speelde een grote rol in het gezinsleven. Marjanne liet zich in haar zang inspireren door haar getalenteerde vader, die ook zong.

Nieuwe en oude muziek

Op zeventienjarige leeftijd ging Marjanne van Geel een jaar in een kibboets in Israel werken. Ze was geen actieve zioniste, noch gelovig, maar ze was zich wel bewust van haar Joodse identiteit. In Israël verzamelde zij 350 liederen die ze na haar terugkeer (1964) met het Collegium Musicum Iudaïcum in Nederland, Duitsland en België uitvoerde. In samenwerking met de Amerikaanse componist en arrangeur Stephen Simon verscheen in 1965 haar debuutelpee met enkele van die liederen (Songs of Israel). Het lied Donna, Donna bereikt de eerste plaats van de Nederlandse hitlijsten. In 1966 trouwde ze met de boekhandelaar Erik Kweksilber. Voortaan gebruikte ze zijn achternaam.

Marjanne Kweksilber begon in 1967 met haar studies klassieke solozang, koordirectie en muziekonderwijs aan het Amsterdams Muzieklyceum. Haar zangdocent was Herman Schey, maar ook volgde zij privélessen bij Max van Egmond, Bodi Rapp, Marilyn Tyler en Cathy Berberian. In 1972 behaalde Kweksilber haar diploma koordirectie en nog diezelfde zomer nam ze deel aan de Académie Maurice Ravel in Zuid-Frankrijk onder leiding van de Franse zanger Pierre Bernac. Nog datzelfde jaar maakte ze furore met haar uitvoering van Erik Satie’s cantate Le mort de Socrate, begeleid door het ASKO Ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw. Het zou een jarenlange samenwerking worden – zo vertolkten Kweksilber en De Leeuw liederen van Hanns Eisler en Kurt Weill en namen ze samen platen op met werken van Satie. Kweksilber bleef ook met het ASKO Ensemble optreden. In 1973 werd zoon David geboren. Datzelfde jaar haalde zij ook haar diploma’s klassieke solozang en muziekonderwijs, met onderscheiding.

In 1976 was Kweksilber een van de vier vrouwenstemmen in de première van Louis Andriessens spraakmakende De Staat. Daarnaast zong zij in datzelfde jaar op het Holland Festival een hoofdrol in Jiri Benda’s Ariadne auf Naxos. Haar operadebuut maakt Kweksilber in 1977 in de opera Axel van De Leeuw en Jan van Vlijmen. Maar ook de oude muziek stond op Kweksilbers repertoire: in 1977 zong zij de rol van Euridice in de opera van Peri, onder leiding van Philippe van Herreweghe. Zij werkte samen met Ton Koopman in de solocantate Armida Abbandonata van Händel, die zij in 1979 uitvoerde tijdens het Holland Festival. Tevens vertolkte zij dat jaar Ottavia in Händels L’incoronazione di Poppea aan de Nationale Opera Brussel. Haar huwelijk met Kweksilber was inmiddels gestrand, maar ze bleef onder die naam optreden. In 1980 hertrouwde ze met de pianist Ludwig Olshansky en kreeg ze een dochter (Isadora Olshansky).

Kweksilber groeide in de jaren tachtig uit tot een veelgevraagde sopraan. In 1981 trad ze met haar tweede echtgenoot op met een Schubert-programma in Nederland en de VS. Het jaar daarop zong ze stukken van Stravinsky en Liszt in New York, ter gelegenheid van de viering van tweehonderd jaar Nederlands-Amerikaanse samenwerking. Terug in Nederland voerde ze stukken van Manneke, Eisler, Schönberg en Zemlinsky uit; ze trad op in Carré ter ere van Joop den Uyls verjaardag en deed met fluitiste Rien de Reede een programma rond Jaques Bank, John Cage en Günter Bialas. Tussen 1985 tot 1987 was zij ook lid van de Amsterdamse kunstraad.

In 1990 richtte Kweksilber een trio op met accordeoniste Miny Dekkers en cellist Taco Kooistra: Le Cheval, genoemd naar een compositie van Bernard van Beurden. Ze speelden nieuw-gearrangeerde stukken uit de middeleeuwen, barok en de moderne tijd, alsmede voor hen nieuw geschreven werken zoals dat van componist Van Beurden. Vanaf 1990 volgde ze zanglessen bij Herman Woltman. In 1991-’92 ging Kweksilber op toernee door Japan, waar zij met name Oude Muziek ten gehore bracht. Tussen 1993 en 1998 was zij vaker in Vermont in de VS voor concerten met haar man en zoon, de inmiddels bekende klarinettist David Kweksilber. Daar voerden zij werken uit van Schumann, Spohr en Brahms. Zij werkte in 1997 samen met het Leo Smit Ensemble en in 1998 met orkest de Volharding – in 2000 was ze soliste in de première van Jaques Banks Bijlmeropera, met het Nederlands Zangtheater en de Volharding.

Lessen

Vanaf 2002 was Kweksilber vooral actief als zangpedagoge: tientallen studenten – jong en oud, amateurs en professionals – kwamen bij haar thuis aan de Herengracht op les. Als docent was zij warm, betrokken en bescheiden: in haar lessen verwees ze altijd naar de kennis die zij ooit had opgedaan bij haar voormalige zangpedagogen – zij kregen de eer. Hiernaast gaf ze tussen 2002 en 2006 in samenwerking met de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam voorstellingen over het dadaïsme; zo voerde ze onder andere Kurt Schwitters’ Ursonate uit.

In 2007 kreeg Marjanne Kweksilber acute leukemie. In haar laatste levensjaar werkte ze samen met fotograaf Maarten Brinkgreve om door haar gemaakte kleine kunstwerken vast te leggen. Kweksilber was haar hele leven gefascineerd door alledaagse voorwerpen, waarin zij een onalledaagse schoonheid zag. In februari 2008 exposeerden zij deze foto’s in galerie De Ruimte in Amsterdam. Tegelijk kwam hun boek Binnenwereld uit. Op 12 mei 2008 overleed Marjanne Kweksilber aan de gevolgen van haar ziekte in Amsterdam, op de leeftijd van 64 jaar. In de Rode Hoed vond op 18 mei een herdenkingsbijeenkomst plaats.

Reputatie

Marjanne Kweksilber maakte bij velen diepe indruk door het inlevingsvermogen dat zij op een natuurlijke wijze in haar kunst kon vastleggen. Ze speelde een actieve rol in zowel de herleving van verschillende soorten oude muziek als ook in juist de vertolking van geheel nieuwe stukken en rollen. Recensenten waren dikwijls zeer lovend over haar prestaties. Zo beschreef Ben van der Kleij Kweksilber als ‘Nederlands meest fascinerende sopraan’ (Leeuwarder courant, 26-8-1978).

Naslagwerken

Muziekencyclopedie.

Werk

Een selectie van haar belangrijkste opnamen:

  • [met Stephen Simon] Mirjam and Stephen, Songs of Israel (1965).
  • Erik Satie. Marjanne Kweksilber en Reinbert de Leeuw (1976).
  • [met Ton Koopman] G. F. Händel – Italiaanse solo-cantates (1977).
  • [met Ton Koopman en Amsterdam Baroque Orchestra] G. F. Händel – The Messiah (1988).
  • [met Gustav Leonhardt] Madrigalen voor zangstemmen (1989).
  • [met Stanley Hoogland, Anner Bijlsma, Vera Beths, Gijs Beths] L. van Beethoven – Songs (1991).
  • Flutes and Voices. Muziek van Jacques Bank, Theo Loevendie, Jos Zwaanenburg (1994).
  • De Bijlmeropera. Jacques Bank (2003).
  • [Met Collegium Vocale Gent] C. W. Gluck – Orfeo ed Euridice (2004).

Literatuur

‘Sopraan Marjanne Kweksilber (64) overleden’, Trouw 16-5-2008.

Illustratie

Marjanne Kweksilber, door Maarten Brinkgreve, 1981 (Instituut voor Beeld en Geluid, Hilversum).

Auteur: Christina Schönbach (met dank aan David Kweksilber)

laatst gewijzigd: 08/05/2017