Landman, Janneke Johanna (1919-2007)

 
English | Nederlands

LANDMAN, Janneke Johanna (geb. Rotterdam 14-7-1919 – gest. Ede 6-10-2007), voorvechter van de doven. Dochter van Hendrik Marinus Landman (1883-1947), meubelmaker, en Hendrika Geertruida van der Biezen (1888-1969). Janneke Landman bleef ongehuwd.

Janneke (Janny) werd geboren als oudste van twee meisjes – ze had een jongere zus: Nelida (1921-2005). De vader was een uit Middelburg afkomstige meubelmaker en een verdienstelijk amateurkunstschilder. Evenals haar ouders was Janny doof; onderling en met andere doven communiceerden zij in gebarentaal. Tegen horenden sprak Janny met een redelijk verstaanbare maar harde stem, een zogeheten ‘dovenstem’. Tussen 1923 en 1938 bezocht zij de Inrichting voor Doofstommen Onderwijs Rotterdam (IDOR), gevestigd aan de Coolsingel. Ze behaalde er haar typediploma. Janny zat bij de Rotterdamse padvindersclub, die een dovenafdeling had. Als leidster was zij daar voor dove kinderen al op jonge leeftijd een rolmodel.

Werk en verenigingsleven

Op 1 augustus 1938 begon Janny Landman als administratief medewerkster bij de Bataafse Petroleum Maatschappij in Den Haag, een dochter van de huidige Shell. In de avonduren volgde zij cursussen: ze haalde in 1943 haar mulo-A en een jaar na de bevrijding het Praktijkdiploma Boekhouden. Ook volgde ze cursussen in vreemde talen. Bij Personeelszaken van de BPM/Shell klom zij op tot afdelingshoofd.

De verenigingen van de Nederlandse dovengemeenschap speelden een belangrijke rol in het leven van Janny Landman. Zo vervulde zij verschillende (bestuurs-)functies in de Rotterdamse Doven Zwem Club (RDZC) en zette zij zich in voor de Nederlandse Doven Sport Bond (de huidige KNDSB), waarvan zij erelid werd. Een van haar verdiensten was dat zij fondsen wierf en de volledige reis en verblijf regelde voor de Nederlandse sportploeg bij de Wereldspelen voor Doven in 1949 in Kopenhagen. Ze was lid van de Rotterdamse Doven Vereniging Amman, en vanaf het begin actief in de in 1951 opgerichte Stichting Dovenzorg, die zich toelegde op culturele en maatschappelijke zaken van doven. Daarnaast had zij zitting in de in 1953 opgerichte Dovenraad, een overkoepelend orgaan.

Janny Landman verzette zich tegen de bemoeizucht van de vijf Nederlandse dovenscholen, die grote invloed hadden op het leven van doven. Zo verstrekte de overheid slechts een vergunning voor een collecte aan de Nederlandse Bond van Doofstommen Verenigingen (NBDV) als hierin werd samengewerkt met de dovenscholen en de helft van de opbrengst naar het dovenonderwijs ging. Deze collecte werd in 1949 gehouden bij de film Johnny Belinda, over een dove vrouw. Daarnaast schreef Landman regelmatig vlammende betogen over het tekortschietende dovenonderwijs in Nederland. Fel trok zij van leer tegen de door de dovenscholen georganiseerde ‘nazorg’: die nazorg werkte stigmatisering in de hand – horenden kregen ook geen ‘nazorg’ – en belemmerde doven in hun groei naar volwassenheid. Op de Volkshogeschool voor doven (voortgekomen uit de stichting Dovenzorg) was Janny Landman vormingswerker en gaf zij onder andere kadercursussen over vergadertechnieken en doel en inhoud van bestuursfuncties. Haar zienswijze op de verhouding tussen horenden en doven stak ze niet onder stoelen of banken. Toen er kritisch werd gereageerd op een optreden van de dove Jaap Rodenburg in het televisieprogramma Close-Up, schreef ze: ‘Het is voor de dovenscholen blijkbaar nog steeds moeilijk te accepteren dat ook een dove als alle mensen een eigen bestaan opbouwt en de vrijheid neemt eigen meningen te hebben, die zijn gevormd door levenservaring’ (Algemeen Nederlands Dovenorgaan 16 (1967) 1). Ze vond dat doven zich breder moesten oriënteren en zich moesten organiseren als trotse, zelfbewuste mensen.

Zowel nationaal als internationaal zette Janny Landman zich in om doven te verenigen. Zo zette zij zich in voor een jaarlijkse Landdag van de NBVD, een dag waarop alle dovenverenigingen bijeenkwamen. In 1959 bezocht zij de Volkshogeschool voor Doven in Engeland. Als voorzitter van de Dovenraad opende zij datzelfde jaar de allereerste viering van de internationale Wereld Doven Dag (WDD) in Nederland, in haar geboorteplaats Rotterdam. Landman was een spin in het web van de talrijke dovenorganisaties: rond 1970 was ze penningmeester van de Stichting Dovenzorg, zat ze in de Commissie Volkshogeschoolwerk voor Doven en in de Commissie Vormingswerk voor Doven. Het ministerie van CRM pleitte in 1974 voor bundeling van de versnipperde gehandicaptenorganisaties en namens de dovenorganisaties nam Landman plaats in de werkgroep die dit voor elkaar moest krijgen. Het resultaat was de oprichting van de landelijke Gehandicaptenraad (1976), waarvan sectie 1 bestond uit doven, slechthorenden en blinden.

Op 1 augustus 1974 nam Landman afscheid van Shell omdat ze met pensioen ging. Enkele maanden eerder had zij een koninklijke onderscheiding ontvangen vanwege de opmerkelijke carrière die ze ondanks haar doofheid had doorlopen en vanwege haar werk binnen het verenigingsleven van doven en de belangenbehartiging. In zijn toespraak wenste de burgemeester haar een privéleven toe dat zij tot dan toe vanwege al haar nevenfuncties nauwelijks had gekend. Janny bleef echter doorgaan met haar werk voor het Vormingscentrum en voor de Dovenraad. Gemakkelijk ging dat niet: in 1979 stopte zij met het vormingswerk en in 1981 met haar werk voor de Dovenraad. In beide gevallen was daar een intern conflict aan voorafgegaan. Hierna gaf ze alleen op aanvraag nog advies.

Landman had haar hele leven in Rotterdam gewoond, eerst samen met haar moeder, en na de plotselinge dood van haar moeder(1969) zelfstandig. In 2003 verhuisde zij naar De Gelderhorst, een woonvoorziening voor oudere doven in Ede. Daar stierf Janny Landman op 6 oktober  2007, 88 jaar oud.

Reputatie

Doven die Janny Landman hebben meegemaakt, omschrijven haar als een leergierige vrouw met een competitieve instelling, die zich niet de kaas van het brood liet eten. In de door mannen gedomineerde dovenwereld liet zij zich niet wegzetten; zo stapte ze onverwijld op als zaken haar niet bevielen. Ze was opbouwwerkster in en tussen dovenorganisaties: adviserend, coachend en soms sturend. Landman was intelligent, assertief, doortastend en onafhankelijk en heeft sterk bijgedragen aan het zelfbewust maken van de doven.

Literatuur

  • Algemeen Nederlandsch Doofstommenorgaan 7 (1938) 47; 8 (1940) 65.
  • Algemeen Nederlands Dovenorgaan, jaargangen 1952-1980.
  • Serrie Kamerling, Wie is er doof? (ongepubliceerde scriptie HBO Sociaal Werk; Driebergen 1985).
  • Nelleke Manneke, Ongehoord spraakmakend. Honderdvijftig jaar onderwijs en zorg voor auditief beperkten in Rotterdam en wijde omgeving (Rotterdam 2003).
  • Petra Essink, Bea Visser, een dove prinses (Zwolle 2009).
  • B. Elferink, ‘Janny Landman’, presentatie tijdens 3de landelijke dovengeschiedenisdag, 27 oktober 2012 [ongepubliceerd].
  • Maarten van der Linde en Johan Frieswijk, De volkshogeschool in Nederland, 1925-2010 251-257 (Hilversum 2013).
  • C. Tijsseling, ‘School waar?’ Een onderzoek naar de betekenis van het Nederlandse dovenonderwijs voor de Nederlandse dovengemeenschap, 1790-1990 (diss. Universiteit Utrecht 2014).
  • Interviews van auteur met Henri en Corry Zwaal en Serrie Kamerling [niet gepubliceerd].

Websites

Illustratie

Jenny Landman, door onbekende fotograaf, ongedateerd (particuliere collectie).

Auteur: Corrie Tijsseling

laatst gewijzigd: 06/09/2016