Leer, Sophie van (1892-1953)

 
English | Nederlands

LEER, Sophia Jeannette van (geb. Amsterdam 3-2-1892 – gest. Amsterdam 3-6-1953), dichteres en propagandiste voor de dialoog tussen christendom en jodendom. Dochter van Willem van Leer (1855-1918), koopman, en Cato Kalker (1855-1928). Sophie van Leer trouwde op 29-7-1930 in Harburg/Wilhelmsburg (Duitsland) met Johann Vornehm (1904-1995), fabrieksarbeider. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Sophie (Fie) groeide op als zevende van acht kinderen – vier jongens en vier meisjes – in een joods, onconventioneel gezin: haar vader, als zakenman weinig succesvol, was vrijmetselaar met socialistische sympathieën en literaire belangstelling, haar joods-orthodoxe moeder zorgde voor een streng joods huishouding. In het jaar van haar geboorte verhuisde het gezin van Amsterdam naar Nijmegen, waar de vader na enkele jaren bankroet ging. In 1904 vertrok het gezin naar Elst, en vandaar naar Kleve, vlak over de Duitse grens. In 1919 zou Sophie een levendige beschrijving van haar jeugdjaren geven in Mijn leven, een prentenboek met sprookjes voor Claar. Herinneringen aan onze kindheid.

Kunstenaarsidealen

Als puber werd Sophie naar Luzern gestuurd, waar zij de Höhere Töchterschule bezocht en een begin maakte met een opleiding voor onderwijzeres. Duits werd haar tweede taal. Zij liep in 1911 van huis weg om met de beeldhouwer Fritz Huf een reis door Italië te maken. In Berlijn werkte zij vervolgens een paar jaren als secretaresse van Herwarth Walden, de galeriehouder van de expressionistische beweging Der Sturm en sinds 1910 uitgever van het gelijknamige tijdschrift. Zij leerde er diverse kunstenaars en kunstliefhebbers kennen, zoals de kunstverzamelaar Franz Kluxen, de dichters Franz Richard Behrens en Wilhelm Runge, en de schilderes Maria Uhden. Intens was haar contact met de jonge expressionistische schilder Georg Muche, met wie zij zich in 1915 verloofde. Vooral met Muche en Runge onderhield zij een intensieve briefwisseling toen de mannen als soldaat aan het front waren. Muche overleefde de oorlog, Runge sneuvelde begin 1918. Hun brieven en dagboeken tonen de wisselende religieuze en erotische inspiratie van Van Leers en Runges in het Duits geschreven gedichten en verhalen die Walden in de jaren 1915-1917 in Der Sturm publiceerde.

Begin 1917 verhuisde Sophie van Leer naar München, waar ze opnieuw in contact kwam met Kluxen. Samen zochten ze naar nieuwe religieuze inspiratie, onder meer in de pacifistische boodschap van Tolstoi, in landelijke eenvoud, vegetarisme, mystiek en astrologie. Zij had in die tijd enkele snel opeenvolgende baantjes, onder andere bij de Süddeutsche Freiheit. Tijdens de spartakistenrevolutie in München van januari 1919 schijnt ze korte tijd in hechtenis te hebben gezeten met de dreiging van een standrechtelijke executie. In april van dat jaar maakte Sophie van Leer een radicale keuze: na haar vrijlating liet ze zich katholiek dopen. Sindsdien noemde zij zich Francisca Maria van Leer. Niet lang hierna werd ze als ‘vreemdelinge’ door de nieuwe Beierse overheid uitgewezen.

Berooid, maar bezield van de zendingsdrang van de bekeerlinge zocht Van Leer haar weg in het katholieke deel van Nederland. In 1920 werd zij enige tijd opgenomen door de Vrouwen van Bethanië in Bloemendaal, een religieuze lekenbeweging die het jaar ervoor was opgericht.

Een vrouwelijke messias

Sophie van Leer voelde zich steeds sterker een vrouwelijke messias. Een rusteloos leven van het uitdragen van haar ‘evangelie’ mondde al snel uit in bezinning op haar joodse wortels. In deze vroege jaren van zionisme en de praktische opbouw van van een joodse gemeenschap in Palestina voelde zij een drang om de joden te bekeren tot haar messias Jezus Christus. Met haar sterke wil, haar radicalisme en fanatisme wist zij zich in het Vaticaan de steun te verwerven voor haar uitzending naar Palestina. In de jaren 1924-1925 verbleef ze daar enkele maanden. Waarschijnlijk zonder zich dat bewust te zijn geweest, werd zij een pion in de richtingenstrijd die in het Vaticaan woedde over de juiste visie op jodendom en zionisme, op ‘Israël’.

Teruggekeerd in Rome sloot Sophie van Leer zich aan bij ‘Amici Israël’, een clubje dat zozeer afweek van de Vaticaanse politieke lijn dat de paus het in 1928 ontbond. Jarenlang reisde zij door Europa als propagandiste voor haar ideaal van de bekering der joden en het stichten van een katholieke kibboets in Palestina. Steun kreeg zij van enkele vermogende particulieren, maar ook van kardinaal Michael Faulhaber te München. Ook Martinus Wijnhoven, die zij in 1923 in Delft had ontmoet, wist ze enthousiast te maken. Vele brieven en dagboeken, pas aan het eind van de vorige eeuw ontdekt, laten de intensiteit van hun spirituele relatie zien.

In december 1928 ontmoette Sophie op een bijbelclub in München de ‘Mechaniker’ Hans Vornehm: een wereldverbeteraar die daar in zijn vrije tijd jeugdleider van het bisdom was en enthousiast was over haar Palestina-plan. Toen de plannen om naar Palestina te reizen mislukten, trouwde Sophie in juli 1930 met hem, hoewel haar ascetisme en behoefte aan kuisheid de door haar verafschuwde ‘huwelijksplicht’ eigenlijk uitsloten. In 1932 kregen ze een dochter: Maria. Het huwelijk werd voor beide echtelieden een persoonlijke ramp. Zij gingen wonen in Harburg, waar Hans een baan kreeg in een fabriek van Sophie’s broer Bernard (1883-1958), de succesvolle fabrikant van verpakkingsmaterialen. Hij steunde het jonge paar financieel en bezorgde zijn zwager een plaats in zijn fabriek te Velsen toen Sophie en haar man en dochtertje zich onder druk van de anti-joodse maatregelen genoodzaakt zagen de wijk naar Nederland te nemen.

In hun nieuwe woonplaats Haarlem voelde Sophie van Leer zich gevangen in de haar weinig passende rol van huisvrouw. Ze was actief in kerkelijk verband, zoals in de Maria-beweging, en schreef veel: brieven, dagboeken, toneelstukken en romans, waarvan nog maar weinig is gepubliceerd. Tijdens de Duitse bezetting verhuisde het ‘gemengd gehuwde’ paar gedwongen naar Amsterdam. Na de oorlog probeerde Sophie een echtscheiding te verkrijgen, maar de kerkelijke rechtbank stond haar niet meer toe dan een tijdelijke scheiding van tafel en bed. Intussen bleef zij ijveren voor een betere verstandhouding tussen katholicisme en jodendom, een actie die haar in contact bracht met de kring rond het tijdschrift De Stem van Israël en de Katholieke Raad voor Israël, waarvan onder meer haar nicht Ellen Flesseman-van Leer en politica Anna de Waal lid waren.

Voorzien van de laatste sacramenten overleed Sophie van Leer op 3 juni 1953 na een ziekbed van een half jaar – ze had kanker. Van haar man leefde ze gescheiden, haar dochter had ze uit het oog verloren.

Betekenis

Sinds haar vertrek uit Duitsland heeft Sophie van Leer vele artikelen en brochures op theologisch gebied geschreven en enkele romans gepubliceerd, zoals De Machabeesche martelaren (1923), De vriend (1928), Harte (1931), waarvan tevens een Franse vertaling is verschenen), Renate (1938) en postuum Mijn volk roept (1955). Haar leven stond in het teken van het rusteloos najagen van idealen. Ze hoorde nergens bij en voelde zich overal een vreemdeling. Vanaf de jaren 1990 is er sprake van een hernieuwde belangstelling voor Sophie van Leer. In 1997 werden haar gedichten uitgegeven door A.H. Huussen jr., in 2000 verscheen de biografie Op zoek naar de blauwe ruiter van Marcel Poorthuis en Theo Salemink.

Archivalia

  • Staatsbibliothek Preussischer Kulturbesitz, Berlijn: Sturm-Archiv [brieven aan Muche, Runge en anderen].
  • Privé archief van Prof. Gerhard Rühm, Keulen [brieven aan Franz Richard Behrens].
  • Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen: archief A. Munnichs [o.a. persoonlijke archieven van Francisca van Leer en Martinus Wijnhoven].

Zie ook: Poorthuis en Salemink, Op zoek naar de blauwe ruiter (2000), 539-540.

Publicaties

Afgezien van de hierboven genoemde titels:
  • ‘Kunst en tooneel in Berlijn’, De Toekomst, Weekblad voor Nederland 1 (1915/1916) 194-195.
  • [anoniem], ‘Duitschlands onafhankelijkheid van den handel van het Buitenland’, De Toekomst, Weekblad voor Nederland 1 (1915/1916) 198.
  • [anoniem], ‘Monarchie oder Republik? Aufzeichnungen aus dem Jahr 1915’, Süddeutsche Freiheit. Zeitung für das neue Deutschland, 13-1-1919.
  • [anoniem] ‘Jugend. Aufzeichnungen eines gefallenen neunzehnjährigen’, Süddeutsche Freiheit. Zeitung für das neue Deutschland, 20-1-1919.
  • ‘Jugend. Aufzeichnungen eines neuzehnjährig Grefallenen’, Süddeutsche Freiheit, 10-2-1919.
  • Der Mörder, Münchener Neueste Nachrichten, 5/6-4-1919 [heruitgegeven door Peter Ludewig (München 2003)].

Voor een overzicht en een heruitgave van haar werk (vooral gedichten), zie Huussen, Sophie van Leer, een expressionistische dichteres (1997) 131-132. Zie ook het overzicht in Poorthuis en Salemink, Op zoek naar de blauwe ruiter (2000) 541-544. Enkele brievenedities:

  • Muche. Georg Muche, Dokumentation zum malerischen Werk der Jahre 1915 bis 1920. Ein Diskussionsbeitrag zum Expressionismus, Ludger Busch ed. (Tübingen 1984) [uitgave van de brieven van Sophie van Leer aan Georg Muche].
  • Wolfgang Storch, Georg Schrimpf und Maria Uhden, Leben und Werk (Berlijn 1985) [brieven van Sophie van Leer aan Maria Uhden en Georg Muche].
  • ‘…unwahrscheinlich und wahr wie ein Traum’ Maria Uhden (1892-1918). Briefe, Zeugnisse und Verzeichnis der nachgelassenen Werke, Karl-Ludwig Hofmann en Christmut Präger ed. (Berlijn 1994).
  • ‘Auf springt der Tod…’ Wilhelm Runge – Sophie van Leer, Briefe aus einer holländischen Kollektion, Jattie Enklaar, Marcel Poorthuis en Theo Salemink ed. (Würzburg 2011).

Literatuur

  • Wim van Leer, Time of my life (Jeruzalem 1984).
  • T.H.M. van Schaik Vertrouwde vreemden. Betrekkingen tussen katholieken en joden in Nederland 1930-1990 (Baarn 1992).
  • Hartmut Vollmer red., ‘In roten Schuhen tanzt die Sonne sich zu Tod’. Lyrik expressionistischer Dichterinnen (Zürich 1993) 152, 196, 214-215 en 218.
  • Hartmut Vollmer red., Die rote Perücke. Prosa expressionistischer Dichterinnen (Paderborn 1996) 110-112.
  • A.H. Huussen jr, Sophie van Leer, een expressionistische dichteres. Leven en werk 1892-1953 (Haren 1997).
  • Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Op zoek naar de blauwe ruiter. Sophie van Leer. Een leven tussen avant-garde, jodendom en christendom (1892-1953) (Nijmegen 2000).
  • Pauline Micheels, De vatenman. Bernard van Leer 1883-1958 (Amsterdam 2002).
  • Jan Christian Metzler, De / Formationen. Autorschaft, Körper und Materialität im expressionistischen Jahrzehnt (Bielefeld 2003) 130-143 [over Sophie van Leer als vertegenwoordigster van de vrouwelijke avant-garde].
  • Jattie Enklaar, ‘Sophie van Leer (1892-1953): “und gleich einem Blitz ist eines Tages die Bekenntnis in mein Hirn geschlagen”’, in: Jattie Enklaar e.a. red., Im Schatten der Literaturgeschichte. Autoren die keiner mehr kennt? Plaidoyer gegen das Vergessen (Amsterdam 2005) 307-331.
  • Petra Jenny Vock, ‘Der Sturm muss brauschen in dieser toten Welt’. Herwarth Waldens Sturm und die Lyriker des Sturm-Kreises in der Zeit des Ersten Weltkrieges, Kunstprogrammatik und Kriegslyrik einer expressionistischen Zeitschrift im Kontext (Trier 2006) 118-143.
  • Petra Jenny Vock ‘“Ich selbst bleibe mir keine fünf Minuten treu”’. Zwischen Literatur, Politik und Religion. Sophie van Leer im Sturm-Kreis’, Else-Lasker-Schüler-Jahrbuch zur Klassischen Moderne 3 (2006) 49-74.
  • Marcel Poorthuis, ‘De kunst van het goddelijke. Sophie van Leer en Wilhelm Runge’, in: Frank Bosmans en Theo Salemink red., Avant-garde en religie. Over het spirituele in de moderne kunst 1905-1955 (Utrecht 2009) 243-267.

Illustratie

Sophie van Leer, door onbekende fotograaf, ca. 1919 (Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen).

Auteur: A.H. Huussen jr.

laatst gewijzigd: 06/09/2016