Leyster, Judith (1609-1660)

LEYSTER, Judith (ged. Haarlem 28-7-1609 – begr. Heemstede 10-2-1660), schilderes. Dochter van Jan Willemsz. Leyster (gest. na 30-3-1642), wever en brouwer, en Trijn Jaspersdr. (gest. na 2-6-1648). Op 1-6-1636 trouwde Judith Leyster te Heemstede met Jan Miense Molenaer (1610-1668), schilder. Uit dit huwelijk werden ten minste 5 kinderen geboren, van wie 1 dochter en 1 zoon bleven leven.

Judith Leyster werd geboren als het op één na jongste kind in een gezin van vooral meisjes: van de negen kinderen van Jan Willemsz. Leyster en Trijn Jaspersdr. die werden gedoopt – zeven dochters en twee zoons – zijn er drie waarschijnlijk jong overleden. Zo groeide Judith op als een meisje met vier oudere zussen en één jongere broer. Haar vader was afkomstig uit Antwerpen; in 1592 had hij zich als lidmaat van de gereformeerde kerk in Haarlem laten inschrijven en twee jaar later was hij getrouwd met de Haarlemse Trijn Jaspersdr. De naam ‘Leystar’ komt in 1603 voor het eerst voor in de stukken, als uithangbord van het huis in de Franckenstraat dat het gezin vanaf dat jaar bewoonde en waar Judith in 1609 werd geboren. Lange tijd is gedacht dat de vader van Judith Leyster brouwer was, maar dit is maar ten dele juist. Haar vader gaf als beroep dat van smalwerker (wever) op toen hij zich in Haarlem vestigde. Vanaf 1600 was hij ook actief op de Haarlemse huizenmarkt, en zo kocht hij in 1618 een brouwerij aan de Bakenessergracht die hij opnieuw de ‘Leystar’ noemde en waarmee hij in 1624 failliet ging. De ouders van Judith Leyster verlieten hierop de stad en vestigden zich in Vreeland (bij Utrecht). Onbekend is of Judith met hen is meegegaan.

Op de vraag hoe Judith Leyster zich met deze achtergrond heeft kunnen ontwikkelen tot professioneel schilderes, is nooit een helemaal sluitend antwoord gevonden. Het feit dat zij door de Haarlemse stadshistoricus Ampzing in 1628 – ze was toen pas negentien jaar oud! – in één adem wordt genoemd met leden van de schildersfamilie De Grebber, onder wie dochter Maria, doet veronderstellen dat zij bij De Grebber het vak heeft geleerd. Het kan zijn dat zij begonnen is als patroontekenares voor de ‘gebeelde’ stoffen die haar vader als smalwerker produceerde. Frans Pietersz. de Grebber werd door Van Mander al geprezen om zijn patronen voor borduurwerk. Vanwege haar stijl en haar thematiek is het echter zeer aannemelijk dat zij ook bij Frans Hals in de leer is geweest. Haar vroegste gesigneerde werken, ‘De serenade’ en ‘De vrolijke drinker’, beide uit 1629, vertonen duidelijk verwantschap met het werk van Hals. Er is echter nooit een hard bewijs gevonden voor een directe connectie, tenzij Judith Jans, in 1631 getuige bij de doop van een van de dochters van Hals, inderdaad Judith Leyster was.

In 1633 liet de 24-jarige Judith Leyster zich als lid inschrijven in het Haarlemse Sint-Lucasgilde. Uit dit jaar dateert ook haar zelfportret, dat zij wellicht schilderde als haar meesterstuk om tot het gilde te worden toegelaten. Zij opende een eigen schilderswinkel aan de Korte Barteljorisstraat, en in 1635 deed zij bij de deken van het gilde beklag over het feit dat een schildersleerling was weggelopen naar het atelier van Frans Hals. Hieruit blijkt dat zij leerlingen opleidde. In de stukken betreffende dit conflict is sprake van meerdere leerlingen en van een knecht. Judith Leyster was dus een ongetrouwde, zelfstandig gevestigde schilderes met een eigen atelier en met eigen personeel.

Judith Leyster schilderde vooral genretaferelen op een bescheiden formaat, vaak met één of enkele figuren en weinig of geen interieur, en daarmee is haar werk ook verwant aan dat van Dirck Hals, de jongere broer van Frans. Vanwege haar lichteffecten – ze gebruikte graag een indirecte lichtbron – maakt haar werk vaak een intieme indruk. Waarschijnlijk schilderde zij over het algemeen niet in opdracht, maar voor de markt, en kennelijk was er in die jaren vraag naar genretaferelen op niet al te groot formaat. Toch beperkte zij zich niet tot dergelijke onderwerpen, want zij schilderde ook een stilleven, een vrouwenportret en een aquarel van een tulp. Zij was dus van meer markten thuis, en haar zelfportret kan dan ook worden beschouwd als het visitekaartje van een veelzijdige, vakbekwame schilderes: ze schilderde zichzelf als een Pictura achter de schildersezel met een grote hoeveelheid penselen in de hand, en liet er tegelijk mee zien dat zij zowel portretten als genretafereeltjes kon schilderen. De meeste werken signeerde zij met een opmerkelijk zelfbewuste signatuur: haar monogram JL, versierd met een leid-ster als woordgrapje op haar naam. Het meeste van haar oeuvre – slechts achttien werken zijn met zekerheid aan haar toe te schrijven – schilderde zij tussen 1628 en 1635, en dat wil zeggen: voor haar huwelijk.

Huwelijk

In 1636 trouwde Judith Leyster met Jan Miense Molenaer, zoon van een Haarlemse kleermaker en zelf schilder. Waarschijnlijk kende zij hem al vanaf haar jeugd, want hij was opgegroeid in een huis dat pal achter de brouwerij van haar vader lag (Broerse, 21). Ook Molenaer wordt beschouwd als een leerling van Frans Hals zonder dat er een direct bewijs bestaat voor deze leerverhouding. Omdat onderzoek heeft aangetoond dat zij rond 1629 dezelfde atelierrekwisieten hebben gebruikt, wordt wel verondersteld dat Judith Leyster en Jan Miense Molenaer al voor hun huwelijk gezamenlijk een werkplaats hebben gehad – zelfs dat Molenaer de knecht was die werd genoemd in Leysters conflict met Hals.

Niet lang na hun huwelijk vertrok het echtpaar naar Amsterdam, waar het heeft gewoond in de Gasthuismolensteeg en later in de Dubbeldeworststeeg. In Amsterdam werden hun kinderen Joannes (1637), Jacobus (1639), Helena (1643) en Eva (1646) gedoopt. Rond 1648 verhuisde het gezin weer naar Haarlem, waar in 1651 hun jongste zoon (Constantijn) werd gedoopt. In 1651 gaf Judith Leyster de Kleine Houtstraat op als adres. Jan Miense Molenaer had een werkplaats met leerlingen, was actief in de kunsthandel en bewoog zich ook op de huizenmarkt. Zo bezat het echtpaar een hofstede in Heemstede ter waarde van 8200 gulden, gedeeltelijk betaald met schilderijen, en belegde het zijn geld in huizen in Haarlem en Amsterdam. Kennelijk waren Molenaer en Leyster in goede doen. Als Judith Leyster in deze jaren voorkomt in de documenten, is dat steeds als zaakwaarneemster of boekhoudster. Toen zij in 1657 voor de schepenen van Heemstede moest komen in een kwestie met een schuldeiser, verscheen zij daar met haar register in de hand (‘haer register by haer hant gehouden’), (gecit. Broersen in Welu, 30).

Van Judith Leysters hand is uit de periode van haar huwelijk alleen de tulpenaquarel ‘de vroege Brabantsson’ (1643) bekend. Door sommigen (Harms, Hofrichter) wordt verondersteld dat zij met schilderen was opgehouden om voor het gezin te kunnen zorgen, anderen (o.a. Broersen) suggereren dat zij waarschijnlijk is blijven meewerken in het atelier van haar man – zij was immers een veelzijdig en vakkundig schilderes – en verder ook actief betrokken is geweest bij diens kunsthandel.

In het najaar van 1659 waren Judith Leyster en haar man allebei ziek. Daarom lieten zij op 6 november in hun hofstede hun testament opmaken. Drie maanden later overleed Judith Leyster en Jan Miense Molenaer bleef achter met hun twee nog levende kinderen. Hij overleefde haar ruim acht jaar.

Reputatie

Tijdens haar leven werd Judith Leyster lof toegezwaaid door de Haarlemse stadshistorici Ampzing (zie hierboven) en Theodorus Schrevelius (1648), die haar ‘de rechte leyster in de kunst’ noemde, maar na haar dood was zij snel vergeten. Toen na de dood van Jan Miense Molenaer de inboedel werd geïnventariseerd, bevonden zich onder de schilderijen geen werken van ‘Judith Leyster’, maar wel enkele van ‘juffr. Molenaer’. Dit kan erop duiden dat zij na haar huwelijk anders is gaan signeren, en dat heeft haar naamsbekendheid geen goed gedaan. Zo kon het gebeuren dat haar monogram al snel niet meer werd begrepen. Haar werk is vaak aangezien voor dat van Frans Hals, of zelfs voor dat van een vergeten broer Jan Hals – zo kon men de onmiskenbare J verklaren. Pas toen na de verkoop van het schilderij ‘De serenade’ in 1892 de toeschrijving aan Frans Hals in twijfel was getrokken en tot een rechtszaak had geleid, en Cornelis Hofstede de Groot vervolgens het monogram wist te verklaren, werd Judith Leyster herontdekt. Zij geldt tegenwoordig als een van de bekendste vrouwelijke kunstenaars van de Gouden Eeuw en vanwege haar zelfportret bovendien als een toonbeeld van de assertiviteit van de vrouwen van die tijd. In 1993 is een grote tentoonstelling van haar werk gehouden in het Frans Halsmuseum te Haarlem en het Worcester Museum of Art in Worcester, Massachusetts.

Naslagwerken

Van der Aa; DWA; Elck zijn waerom; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; Immerzeel; Regt; Wurzbach.

Archivalia

De uitvoerigste opsomming van archivalia is te vinden in de bijdrage van Ellen Broersen aan de catalogus van 1993.

Werk

Voor een overzicht van haar werk, zie de publicatie van Frima Fox Hofrichter (nrs.1-48), en de catalogus van 1993 (nrs. 1-18).

Literatuur

  • Cornelis Hofstede de Groot, ‘Judith Leyster’, Jahrbuch der Königlich Preussischen Kunstsammlungen 14 (1893) 190-198 en 232.
  • Juliane Harms, ‘Judith Leyster, ihr Leben und ihr Werk’, Oud Holland 44 (1927) 88-96, 112-126, 145-154, 221-242 en 275-279.
  • Frima Fox Hofrichter, Judith Leyster. A woman painter in Holland’s Golden Age (Doornspijk 1989).
  • James E. Welu en Pieter Biesboer red., Judith Leyster. Schilderes in een mannenwereld. Tentoonstellingscatalogus Frans Halsmuseum, Haarlem en Worcester Art Museum, Massachusetts (Zwolle/Haarlem 1993) [ook verschenen in het Engels onder de titel Judith Leyster. A Dutch master and her world. Over Leysters leven: zie de bijdrage van Ellen Broersen].
  • Anna Tummers, Judith Leyster. De eerste vrouw die meesterschilder werd. Tentoonstellingscatalogus Frans Halsmuseum (Haarlem 2009).

Illustraties

Zelfportret, ca. 1630 en monogram. Uit: Welu en Biesboer red., Judith Leyster (1993).

Auteur: Els Kloek

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 248

laatst gewijzigd: 13/01/2014