Schiedam, Lidwina van (1380-1433)

SCHIEDAM, Lidwina van, ook bekend als Lidewij (geb. Schiedam 18-3-1380 – gest. Schiedam 14-4-1433), beschermheilige van zieken en verplegenden. Dochter van Peter Janszoon (gest. 1425) en Pieternel (gest. 1403). Lidwina van Schiedam bleef ongehuwd.

Op 21 juli 1421 stelde het stadsbestuur van Schiedam een oorkonde op die op 5 augustus werd bevestigd door Jan van Beieren, graaf van Holland. In de oorkonde wordt de toestand van ‘Lydewy Peter dochter’ gedetailleerd beschreven. Lidwina was op dat moment 23 jaar ziek. Nauwkeurig wordt opgesomd wat ze wekelijks aan drank tot zich nam, namelijk slechts één pint wijn aangelengd met water, suiker of pijpkaneel. De eerste drie jaar had ze nog wel eens een partje appel en een stukje brood gegeten of zoete melk gedronken. Daarna leefde ze op de Heilige Hostie. Elke veertien dagen diende de priester haar het Heilig Sacrament toe. Hij deed dit heel voorzichtig, uit vrees dat ze het weer zou moeten uitspugen. De laatste zeven jaar had ze niet meer geslapen. Ze leed verschrikkelijk veel pijn.

Historische feiten en vrome fictie

De oorspronkelijke oorkonde is niet overgeleverd. De franciscaan Johannes Brugman nam de Latijnse versie op in zijn levensbeschrijving van Lidwina uit 1456. De Middelnederlandse versie van de oorkonde werd in 1451 afgeschreven in een memoriaal van Jan van Beieren. De twee versies geven een verschillende datering van de oorkonde: het Latijn 1420, het Middelnederlands 1421. Hoe het ook zij, toen deze kopieën tot stand kwamen was de naam en faam van Lidwina al over West-Europa verspreid dankzij de eerste Latijnse levensbeschrijving, de zogenaamde Vita prior (Eerste levensbeschrijving), vermoedelijk daterend van vóór 1436. In de proloog meldt de auteur (een verder onbekende Hugo) over welke bronnen hij beschikte. Zo had hij onder anderen contact gehad met Lidwina's biechtvader. De levensbeschrijving van Lidwina is volledig volgens het hagiografische stramien opgebouwd. Hiervoor is een ruim beroep gedaan op het reservoir aan legendarische verhaalmotieven: op voorspraak van Lidwina laat God wonderen plaatsvinden; Lidwina heeft mystieke ervaringen; ze is soms op twee plaatsen tegelijk (bilocatie), en ze ziet zielen in hemel, hel en vagevuur. Pas in de laatste Latijnse versie van haar leven door Johannes Brugman krijgt ze ook nog Christus’ wondetekenen (stigmata).

Leven en lijden van Lidwina

Volgens het verhaal werd Lidwina geboren op Palmzondag 1380, op het moment dat in de kerk het lijdensverhaal naar Mattheüs werd voorgelezen. De bevalling verliep zeer voorspoedig. Lidwina was het vijfde kind van negen, het eerste en enige meisje. Volgens de Middelnederlandse vertaling van de Vita prior, het Leven van Lidewij, kreeg ze een ‘sprekende’ naam. Liedewij(de) zou betekenen dat ze langdurig ('wijd') zou lijden ('liden').

Rond haar twaalfde wilde haar vader Lidwina uithuwelijken. Haar moeder vond haar te jong en verzette zich tegen een huwelijk. Lidwina zelf wilde evenmin in het huwelijk treden. Ze smeekte God haar een ongeneeslijke ziekte te zenden, zodat ze onaantrekkelijk voor de wereld zou worden. Tijdens een schaatspartij op Maria-Lichtmis (2 februari) 1395 kwam ze ten val. Daarbij brak ze een rib in haar rechterzij. Enkele dagen later ontstond in diezelfde zij een groot gezwel dat maar niet wilde genezen. Op Sint-Jansavond (23 juni) van dat jaar brak het gezwel open. Daarmee waren Lidwina’s bezoekingen allerminst voorbij. Ze bleef voortdurend ziek, in totaal 38 jaar lang. De eerste jaren scharrelde ze nog een beetje in en rond haar huis, maar vanaf 1398 lag ze op bed. Tot aan haar dood in 1433 zette ze geen voet meer op de grond. Lidwina leed aan allerlei kwalen die in de Vita uitvoerig worden belicht: wormen ter grootte van een pink kropen uit haar lichaam; haar onderbuik was volledig verrot; ze verloor regelmatig veel bloed; door het vele huilen werd ze blind en verder leed ze aan de ‘derdedaagse koorts’. Indien men haar wilde verleggen, moest dat met de grootst mogelijke omzichtigheid gebeuren, anders zou ze letterlijk uit elkaar vallen.

Aanvankelijk had Lidwina geen vrede met haar situatie: ze was jaloers op haar vriendinnen die gezellig buiten konden spelen. De pastoor praatte met haar over de pijnen die Christus had geleden omwille van de zonden van de mensen. Het overdenken van Christus’ passie gaf Lidwina innerlijke rust en vrede. Ze legde zich neer bij haar ziekte. Sterker nog, ze wilde lijden om zielen uit het vagevuur te verlossen. Haar enige voedsel was de Heilige Hostie. Rond haar ziekbed liet God te harer ere een aantal wonderen plaatsvinden. Zo bleek een kan plotseling gevuld te zijn met hemelse wijn. Ook had ze beschikking over een buidel met geld dat – hoeveel ze ook weggaf aan armen en behoeftigen – nimmer opraakte. Lidwina trad buiten zichzelf. Ze reisde in de geest naar Rome en Jeruzalem. Tijdens een van die visioenen kreeg ze een doorntje in haar voet. Het wondje was daadwerkelijk te zien. In de kerstnacht van 1426 voelde ze hoe haar maagdelijke borsten zich vulden met melk, net zoveel als de Heilige Maagd bezat om Jezus te kunnen zogen. Ook zag ze hoe zielen naar hel, vagevuur of hemel werden gevoerd.

Op de derde dag na Pasen 1433 blies Lidwina haar laatste adem uit, en op vrijdag 17 april werd ze volgens haar Vita onder overweldigende belangstelling begraven. Al in 1434 bouwde het stadsbestuur een kapel boven haar graf. In 1615 werden Lidwina’s relieken overgebracht naar Brussel. Op 14 juni 1871 werden ze naar haar geboortestad teruggebracht. In 1890 werd Lidwina door paus Leo XIII heilig verklaard.

Naslagwerken

Van der Aa.

Archivalia

Das Leben von Lidewe von Scheidam, een Nederduitse vertaling van de Vita prior, overgeleverd in twee laat-15e-eeuwse handschriften [onuitgegeven].

Literatuur

  • Vita prior [Het eerste leven]: wellicht geschreven vóór 1436 door een Hugo, subprior van Sint-Elisabethklooster te Rugge bij Den Briel. Daniël Papebrochius ed., in: Acta sanctorum Aprilis II (Antwerpen 1675) 270-302 [Vertaald en bewerkt door G.A. Meijer (Nijmegen, 1890)].
  • Vita alme virginis Lidwine [Het leven van de goedgunstige maagd Lidwina] door Johannes Brugman (1456), A. de Meijer ed. (Groningen 1963) (Teksten en documenten 2).
  • Vita Lidiwigis virginis [Het leven van Liedewij, maagd], een bewerking van de Vita prior door Thomas á Kempis (1448). Michael Johannes Pohl  ed. (Freiburg 1905) (Opera omnia 6) 315-453. Pohls uitgave is vertaald door C. Nuijen als Het leven van de maagd Lidewijde (Amsterdam 1923).
  • Afschrift, gedateerd 1451, van de Schiedamse oorkonde van 21 juli 1421 met een vidimus van Jan van Beieren, in: H. van Oerle, ‘Tleven van Liedwy die maghet van Scyedam’, Ons geestelijk erf 54 (1980) 241-266.
  • Leven van Liedewij, een Middelnederlandse vertaling van de Vita prior, waarschijnlijk eerst rond 1470 vervaardigd. Uitgegeven en vertaald door Ludo Jongen en Cees Schotel; m.m.v. Josephine Franken (Schiedam 1989) [Fotomechanische herdruk: (Hilversum 1994)].
  • Ludo Jongen, ‘Uit het oog, uit het hart? Over twee heilige maagden: Lutgard en Lidewij’,  in: Anneke B. Mulder-Bakker en Marijke Carasso-Kok red., Gouden legenden. Heiligenlevens en heiligenverering in de Nederlanden (Hilversum 1997) 127-137.
  • Ludo Jongen, Heiligenlevens in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1998) 46-53.
  • Koen Goudriaan, ‘Het Leven van Liduina en de moderne devotie’, Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 6 (2003) 161-236.

Illustratie

Houtsnede uit tLeven van Liedwy die maghet van Sciedam (Schiedam 1505) (Museum Catharijneconvent, Utrecht).

Auteur: Ludo Jongen

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 36

laatst gewijzigd: 13/01/2014