Lommen, Maria van (1688-1742)

LOMMEN, Maria van (ged. Utrecht 15-1-1688 – gest. Utrecht 14-8-1742), eigenares van een goud- en zilverwinkel. Dochter van Cornelis van Lommen (1656-1715), zilversmid, en Cornelia Ondermerck (1667-1724). Maria van Lommen bleef ongehuwd.

Maria van Lommen werd op 15 januari 1688 geboren als eerste van de twaalf kinderen Van Lommen, die tussen 1688 en 1710 in Utrecht het levenslicht zagen en allen oud-katholiek gedoopt werden. Vanaf 1715 – met de dood van Maria’s vader – zouden echter alle leden van deze familie in de gereformeerde Buurkerk begraven worden. Wellicht zijn ze tot het protestantse geloof toegetreden. Haar vader, Cornelis van Lommen, was sinds 1680 meester-zilversmid. Het gezin woonde aan de Neude, op de westhoek van de Schoutenstraat, in het pand Het Galinth. Daar waren ook de werkplaats en een zilverwinkel gevestigd. Twee van Maria’s broers zouden eveneens zilversmid worden: Johannes (geb. 1694) in Utrecht en Cornelis (geb. 1695) in Amsterdam.

In 1712 dong Maria’s vader met succes mee naar het ambt van erfhuismeester (stadsveilingmeester), dat steeds voor zes jaar werd verpacht. In die periode mocht de erfhuismeester volgens stedelijke bepalingen niet tevens een winkel houden. Bij het afleggen van de eed op zijn nieuwe functie verzocht Cornelis van Lommen dan ook ‘om zijn zilversmids winkel over te laten aan derzelver dochter’. Zo kreeg Maria van Lommen op haar 24ste de leiding van de winkel.

De zaak was winstgevend, te oordelen naar Maria’s beleggingen in onroerend goed in de loop van haar leven. Het zaken doen leerde ze vermoedelijk van haar moeder. In documenten uit 1713 en 1714 komen Maria van Lommen en Cornelia Ondermerck als echte zakenvrouwen naar voren. In een brief aan de stadsraad klaagde Adrianus Croes, de schrijver (secretaris) van het Erfhuis, over ‘joffer en vrou Lommen’: zij haalden al voor de veiling de beste stukken (met het hoogste zilvergehalte) eruit en lieten de prijs ervan naar eigen welgevallen in het veilingboek zetten. Of ze boden zo hoog op zilverwerk dat andere zilversmeden moesten afhaken. Nadat Cornelis van Lommen op 27 mei 1715 was overleden, zette Maria de ‘goud- en zilversmidswinkel’ voort met haar broer Johannes, die in 1716 zijn meesterproef aflegde. Maria’s moeder mocht als weduwe haar mans ambt van erfhuismeester continueren. In 1718 werd ze herbenoemd en ze bleef in functie tot vlak voor haar dood in 1724.

In 1726 maakte Maria van Lommen haar eerste testament op, waarbij ze opgaf als ‘oude vrijster’ (ongehuwde vrouw) een ‘zilversmids- en goudsmidswinkel’ te drijven. In het testament bedeelde zij haar jongere broers en zussen, speciaal de drie nog minderjarige zusjes, met legaten, terwijl broer Johannes de ‘goudsmidswinkel met al het zilver en goud’ en verder de ‘kleinodien en verdere koopmanschappen’ zou erven. Men mag hieruit opmaken dat broer en zus samen het bedrijf bezaten. Johannes zal in de werkplaats het zilverwerk gemaakt hebben dat Maria in de winkel verkocht. Zijn overlijden op 12 september 1729 als ‘bejaard jongman’ (vrijgezel) moet een klap zijn geweest. In augustus had hij, vermoedelijk al ziek, zijn testament opgemaakt.

Om zonder haar broer de winkel te mogen voortzetten, moest Maria van Lommen zich aansluiten bij het gilde van de goud- en zilversmeden en zo werd zij in 1730 als ‘aanwerpeling’ (lid voor half geld) ingeschreven in het ‘Dekens- en Meestersboek’. In de daaropvolgende jaren liepen de zaken goed en met regelmaat belegde ze in onroerend goed in de stad. De laatste jaren van haar leven woonde ze in de Hoge Jacobijnestraat, waar ze op 14 augustus 1742 overleed. Vanuit dat adres werd zij als ’mondige dochter’ begraven in de Buurkerk. Haar kist werd gedragen door acht dragers.

Maria van Lommen treedt uit de vele archivalische bronnen naar voren als een handige zakenvrouw, maar ook als hoofd van een uitgebreide familie met vertakkingen in Utrecht en Amsterdam. Het is bijzonder dat over (het bedrijf van) Maria van Lommen zoveel documenten bewaard zijn gebleven. Zij staat model voor al die anonieme vrouwen die een bijdrage hebben geleverd aan de stedelijke economie.

Archivalia

Het Utrechts Archief: SBA (bij de Stad Bewaarde archieven) I, inv. nr. 130 (‘Deeckens- en Meestersboeck’), de jaren 1680, 1716, 1722, 1730; SBA II (registers Oud-Katholieke dopen en Begraafboeken Buurkerk) nrs. 129, 130, 131, 134. SA (Stads archief) II, inv. nr. 3243 (Transporten), de jaren 1694, 1700 (14-8: Neude/hoek ‘schoutesteegh’: Het Galinth), 1704, 1724, 1730, 1731; inv. nr. 248 (gegevens verpachting van erfhuismeestersfunctie, 1712-1718), brief van Adrianus Croes. Notarieel Archief, not. G. van Vianen, inv. nr. U152a3, akte nr. 13 (7-6-1724, boedelscheiding ouders), nr. 37 (8-3-1725), nr. 42 (17-4-1725), nr. 58 (3-2-1726, testament Maria Lommen), nr. 193-2 (28-8-1729, testament Johannes Lommen), nr. 193 (28-8-1729, codicil Maria, in het volgende codicil van 1738 ‘wonende Hoge Jacobijnestraat’); inv. nr. U152a4, akte nr. 84 (30-12-1733), nr. 90 (1734); not. W. van Vloten, inv. nr. U169a8, akte nr. 100 (22-8-1740); not. D. van Lobbrecht, inv. nr. U194a2, akte nr. 49 (24-9-1742 (boedel Maria van Lommen), nr. 56-1 (20-10-1742, openbare verkoping).

Literatuur

Louise E. van den Bergh-Hoogterp, ‘Aanwerpelingen bij het Goud- en Zilversmedengilde te Utrecht in de 17de en 18de eeuw’, Jaarboek De Stavelij (2006) 53-86, aldaar 61-63, 82.

Auteur: Louise E. van den Bergh-Hoogterp

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 432

laatst gewijzigd: 13/01/2014