Gartman, Maria Johanna (1818-1885)

GARTMAN, Maria Johanna, vooral bekend als Maria Kleine-Gartman (geb. Den Haag 31-12-1818 – gest. Amsterdam 30-9-1885), toneelspeelster. Dochter van Laurens Gartman (1792-1828), toneelspeler en balletdanser, en Philippina Maria Jelgerhuis, toneelspeelster. Op 8-12-1836 trouwde Maria Gartman in Amsterdam met Leonard Ambrosius Kleine (1818-1883), musicus. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Maria Johanna (Marie), de oudste van de vijf kinderen Gartman, kwam uit een bekende toneelfamilie. Haar grootvader, Johannes Jelgerhuis (1770-1836), was behalve toneelspeler ook de auteur van Theoretische lessen over gesticulatie en mimiek (1827), haar moeder speelde vooral confidanterollen in treurspelen en was net als haar vader verbonden aan de Stadsschouwburg van Amsterdam. Ze ontmoette dan ook al vroeg vele acteurs en actrices. Vooral de kennismaking met de toneelspeler Andries Snoek (1766-1829) maakte diepe indruk op haar. Behalve Marie zelf zouden ook twee van haar zusters op de planken staan: Alida Margaretha en Johanna Clare.

Toneelcarrière

Marie’s vader overleed toen zij tien jaar oud was. Op haar dertiende stond zij, samen met haar zusje Alida, voor het eerst op de planken in een benefietvoorstelling voor haar moeder, De Witte Pelgrim, of de Wezen van het Gehucht Olival. In diezelfde tijd begon zij aan een opleiding voor toneeldansers bij de Stedelijke Dansschool van Amsterdam. Voor dans had zij echter geen groot talent, wel voor pantomime. Rond haar vijftiende werkte zij korte tijd als pantomimespeelster bij een reizend toneelgezelschap. In augustus 1834 kregen de zestienjarige Marie en haar zus Alida een contract als leerling-toneelspeelsters bij de Stadsschouwburg van Amsterdam. In 1836 werd Marie officieel actrice toen zij haar eerste echte contract met de Stadsschouwburg afsloot, tegen een gage van 350 gulden. In datzelfde jaar trouwde zij met Leonard Kleine, die als musicus eveneens aan de Stadsschouwburg was verbonden. Hun eerste en enige kind, ook Maria Johanna genoemd, werd in 1837 geboren. Zij stierf in 1863, op 25-jarige leeftijd.

In die jaren had de Amsterdamse schouwburg vier steractrices: Jacoba Naret Koning-Majofski, Louise Stoetz-Majofski, Mimi Engelman-Bia en Christina van Ollefen-da Sylva. Waarschijnlijk heeft hun aanwezigheid een doorbraak van Kleine-Gartman toen in de weg gestaan, maar het kan ook zijn dat haar acteerprestaties nog te wisselvallig waren. Zoals één van haar familieleden over die periode schreef: ‘Mietje gaat vooruit als een askar: nu weer een paar stapjes vooruit, dan weer eens stilstaan’ (Boelen, 113).

In 1846 verliet Kleine-Gartman de Stadsschouwburg om te gaan spelen in de Salon des Variétés van Jean Eugène Duport in de Nes, waar haar gage het eerste jaar 1300 gulden bedroeg. Zij trad op als vervangster van haar zus Alida, die naar Nederlands-Indië was vertrokken. Kleine-Gartmans echtgenoot werd orkestmeester bij de Salon. Deze en dergelijke salons boden tegen lage toegangsprijzen allerlei amusement in etablissementen, waar roken en drinken tijdens de voorstelling was toegestaan. Ze waren daardoor geduchte concurrenten voor de deftige Stadsschouwburg. Op 24 augustus 1846 debuteerde Kleine-Gartman in de Salon des Variétés in Madeline, gravin en klompenmaakster, een vaudeville – toneelstuk met veel liedjes – zoals er méér stonden op het repertoire van de Salon. Kleine-Gartman, contractueel verplicht alle rollen aan te nemen en aan alle voorstellingen mee te doen, moet er veel gezongen hebben. Zij schijnt ook een goede zangstem gehad te hebben. In de Stadsschouwburg was ze al eens ingevallen bij De tooverfluit (Die Zauberflöte) van Mozart.

In 1856 keerde Kleine-Gartman terug naar de Stadsschouwburg, waar zij tot 1859 op de planken stond. Nog in datzelfde jaar vertrok de schouwburgdirecteur, J. Eduard de Vries. Enkele acteurs, onder wie Kleine-Gartman, groepeerden zich onder de naam ‘Vereenigde Tooneelisten’ en verlieten de Stadsschouwburg om onder De Vries te blijven werken. De troep was officieel gevestigd in Rotterdam, maar trad veel op in het Amsterdamse theater Frascati in de Nes. In 1863 keerde Kleine-Gartman echter terug naar de Stadsschouwburg, waar ze nu grote rollen kreeg. Hoewel zij voordien de naam had gehad geen talent te hebben voor tragedie, schitterde zij in deze periode juist in treurspelen, in titelrollen als die van Koningin Elisabeth en Judit (stukken van Giacometti), Deborah (van Mosenthal), Maria Stuart en Medea. Maar ook in komische rollen en in ‘burgerrollen’ – bijvoorbeeld als Vrouw Moes in Zege na strijd (van Schimmel) – oogstte ze nog altijd veel succes.

Toen de Stadsschouwburg in 1872 wegens verbouwingsplannen werd gesloten, keerde Kleine-Gartman terug naar de ‘Vereenigde Tooneelisten’. Daar vertrok zij echter weer in 1876 om zich aan te sluiten bij de zojuist opgerichte Vereeniging ‘Het Nederlandsch Tooneel’ (vanaf 1881 ‘Koninklijk’). De Vereeniging stelde zich ten doel hervormingen – in repertoire en speelstijl – door te voeren in de toneelwereld. De oprichter, Hendrik Jan Schimmel (1823-1906), bankier, dichter en toneelschrijver, had met zijn ideële programma veel van ’s lands beste toneelspelers voor de Vereeniging weten te winnen. Drie jaar bespeelde het gezelschap de Stadsschouwburg, waarna een deel onder de naam van de Vereeniging vertrok naar het Grand Théâtre van de gebroeders Van Lier in de Amstelstraat. Het zou in 1882 terugkeren naar de Stadsschouwburg.

Het was bij dit gezelschap dat Kleine-Gartman in 1885 haar vijftigjarig jubileum als actrice vierde en tegelijk afscheid nam van het toneel. Het gezelschap trok het hele land door met een voorstelling van Juffrouw Serklaas, een toneelstuk van Schimmel. Overal werd de beroemde toneelspeelster met eerbetoon ontvangen, want toneelliefhebbers in het hele land wilden zelf afscheid nemen van ‘hun’ eerste actrice.

Toneelonderwijs

Het door Schimmel en de jurist J.N. van Hall (1840-1918) in 1870 opgerichte Nederlandsche Tooneelverbond, dat de strijd wilde aanbinden tegen wat men als ‘verval’ van het toneel zag, en de in 1876 hieruit voortgekomen Vereeniging ‘Het Nederlandsch Tooneel’, konden op volle steun van Kleine-Gartman rekenen. Als toneelspeelster was zij hierin één van de weinigen, want de roep om ‘verheffing’ van het toneel kwam niet uit de toneelwereld, maar vooral uit burgerij. De openlijke steun van de 'grande dame' van het Nederlandse toneel was dus van groot belang voor het draagvlak voor eventuele hervormingen binnen de toneelwereld zelf.

In 1874 richtte het Tooneelverbond in Amsterdam de Toneelschool op, een vakopleiding gecombineerd met algemene educatie. Kleine-Gartman heeft er van 1874 tot aan haar dood lesgegeven. Daarmee is zij van grote invloed geweest op de vorming van de volgende generatie toneelspelers. Dat zij veel belang aan de opleiding hechtte, blijkt uit het feit dat zij afzag van de helft van haar salaris omdat de school weinig geld had. Ook haar beginselverklaring, geschreven tegen het eind van haar carrière, getuigt van betrokkenheid. Na haar lange loopbaan, zo schreef zij op een los kaartje dat bewaard is gebleven, was zij ervan overtuigd geraakt, ‘dat oefening, ontwikkeling en vooral beschaving, zelfs bij het grootste aangeboren talent, de eerste voorwaarden zijn, om een waar kunstenaar te worden’.

In haar lessen besteedde Kleine-Gartman vooral aandacht aan de kunst van het ‘goed-zeggen’ als basis van het toneelspel, iets wat zij zelf nog had geleerd van Andries Snoek. Ook haar grootvader Jelgerhuis had altijd op het belang van de voordrachtskunst gehamerd. Tevens hechtte Kleine-Gartman veel waarde aan een natuurlijke presentatie van de tekst: die moest ‘waarachtig’ zijn, wat inhield dat acteurs en actrices ook werkelijk moesten begrijpen wat zij zeiden. Bovendien vond zij het belangrijk dat toneelspelers zich waardig gedroegen en zij benadrukte daarom in haar lessen het belang van beschaving. Als leerlingen van Kleine-Gartman kunnen genoemd worden: Tonia Poolman, Anna Sablairolles, Betty van Gelder (later Holtrop), Adriaan van der Horst en Henri Albers.

Van haar niet-aflatende betrokkenheid bij het toneel getuigt ten slotte ook haar wilsbeschikking. Overeenkomstig haar wens werd uit de opbrengst van haar nalatenschap een fonds opgericht ter ondersteuning van oude toneelspelers, het Kleine-Gartmanfonds.

Faam

Marie Kleine-Gartman staat bekend als de grootste actrice van Nederland in de negentiende eeuw en haar roem wordt wel vergeleken met die van Johanna Cornelia Wattier, die ruim een halve eeuw eerder furore maakte. Vijftig jaar lang, van 1835 tot 1885, heeft Kleine-Gartman op de planken gestaan. Aanvankelijk had zij vooral succes in drama’s en blijspelen, later werd zij ook alom geprezen om haar optreden in treurspelen. Ze onderscheidde zich vooral door haar levensechte, ingetogen spel.

Kleine-Gartman ontving vele geschenken, ontelbare lofdichten en ook erelidmaatschappen van rederijkerskamers en verenigingen. Zo was zij erelid van de genootschappen Felix Meritis en Arti et Amicitiae. Haar talloze bewonderaars behandelden haar als een echte diva. Studentenverenigingen smeekten haar een erehaag voor haar te mogen vormen of haar van de trein naar haar pension te mogen escorteren. Eens bij een optreden in Zwolle werd zij opgewacht door veertien in het wit geklede meisjes die haar met bloemen bestrooiden en haar een boeket en een erewijn overhandigden. Op 21 april 1872 kreeg Kleine-Gartman de gouden ‘medaille voor verdienste’ toegekend door koning Willem III.

Niet lang na haar afscheidstournee in 1885 overleed Maria Johanna Kleine-Gartman, in haar huis in Amsterdam. Zij werd onder grote belangstelling begraven in Amsterdam op de Oosterbegraafplaats. In 1897 werd haar graf verplaatst naar de Nieuwe Oosterbegraafplaats, waar het nog altijd te vinden is in vak 36, nummer 40.

Naslagwerken

Coffeng.

Archivalia

  • Theaterinstituut Nederland, Amsterdam: Collectie brieven Marie Kleine-Gartman; Personaliamappen en dossier Marie Kleine-Gartman. Het Theaterinstituut Nederland bezit ook portretten (foto’s, schilderijen) van haar en enkele van haar toneelkostuums.
  • UB Amsterdam (UvA), Handschriftencollectie: Brieven Marie Kleine-Gartman.
  • UB Leiden, Handschriftencollectie: Brieven Marie Kleine-Gartman.

Gespeelde rollen

Voor andere dan de hierboven genoemde, zie Coffeng.

Literatuur

  • H.Th. Boelen, ‘Maria Johanna Kleine, geb. Gartman’, in: N. Donker red., Noord en Zuid. Nederlandsche Tooneel Almanak (Amsterdam 1875) 102-126.
  • Kleine-Gartman album. Jubileumuitgave van De Kunstbode (1885).
  • J.H. Rössing, De Koninklijke Vereeniging ‘Het Nederlandsch Tooneel’. Een bijdrage tot de geschiedenis van het tooneel in Nederland, gedurende meer dan een halve eeuw (Amsterdam 1916).
  • B. Hunningher, Een eeuw Nederlands toneel (Amsterdam 1949).
  • Ben Albach, ‘Actrice Maria Kleine-Gartman’, Ons Amsterdam 44 (1992) 50-54.
  • R.L. Erenstein red., Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1996).
  • Paul Post, ‘Mevrouw Henriëtte Rennefeld-Löwenstam: inwonend directrice 1877-1890’, in: A. Veltkamp red., Stabielen & passanten: 125 jaar Amsterdamse Toneelschool (Amsterdam 2000).
  • Joost Groenebroek, ‘Vaudeville, commercie en amusement. De veelbelovende actrice Maria Kleine-Gartman verruilt de Stadsschouwburg voor de Salon des Variétés’, in: Louis Peter Grijp red., Een muziekgeschiedenis der Nederlanden (Amsterdam 2001) 438-445.

Illustratie

Portretfoto door Albert Greiner, ongedateerd (Theater Instituut Nederland, Amsterdam).

Auteur: Nienke de Vries

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 713

laatst gewijzigd: 13/01/2014