Nozeman, Maria (1652-1729?)

NOZEMAN, Maria (ged. Amsterdam 22-9-1652 – begr. Den Haag 27-5-1729?), toneelspeelster en schouwburgdirectrice. Dochter van Gillis Nozeman (1627-1682), toneelspeler en -schrijver, en Ariana van den Bergh (1626/1628-1661), toneelspeelster. Maria Nozeman trouwde (1) op 30-3-1682 in Den Haag met Jan Baptist van Fornenbergh (1624?-1697), schouwburgdirecteur; (2) op 30-10-1712 in Den Haag met Damianus Braems, luitenant. Uit huwelijk (1) werden 2 zoons geboren, die beiden vroeg stierven.

Maria was het tweede kind van het toneelspelersechtpaar Gillis en Ariana Nozeman. Zij kwam ter wereld in het jaar dat haar oudere zusje, nog geen jaar oud, overleed. Bij Maria’s doop in de gereformeerde Nieuwe Zijds Kapel in Amsterdam waren onder anderen de toneelspelers Cornelis Krook (gest. na 1674) en Jan Baptist van Fornenbergh aanwezig als getuigen; met de laatste zou zij dertig jaar later trouwen.

Als kind speelde Maria enkele jaren in de Amsterdamse Schouwburg mee in stukken waarin ook haar ouders optraden. Haar speelloon bedroeg zes stuivers. In het seizoen 1658/59 had ze, zes jaar oud, de zwijgende rol van Lisaura in De beklaaglijke dwang, was ze Judith in Hester en speelde ze Grimaldus in Casandra, waarin zij knikkerend twintig verzen te zeggen had. Er zijn van haar geen optredens na 1662 bekend.

In juli 1664 vertrok Maria met haar vader – haar moeder was in 1661 overleden – naar Den Haag, waar Gillis zich aansloot bij het gezelschap van Van Fornenbergh. Deze was de oprichter van de eerste Haagse schouwburg (1660) en leider van een troep die tot halverwege de jaren zeventig veel buitenlandse reizen maakte en tot in Scandinavië optrad. In 1665 hertrouwde Maria’s vader met een dochter van Van Fornenbergh, de veertienjarige Johanna (1651-1728). Zo kreeg Maria een stiefmoeder die slechts tien maanden ouder was dan zij. Zelf was zij 29 toen zij trouwde met de inmiddels 58-jarige, gefortuneerde weduwnaar Van Fornenbergh, de vader van haar stiefmoeder. Van Fornenbergh had kort daarvoor, om lidmaat te kunnen worden, ten overstaan van de gereformeerde kerkenraad in Den Haag zijn beroep van toneelspeler afgezworen, maar was wel schouwburgdirecteur gebleven.

De Van Fornenbergh/Nozeman-huwelijken – twee oudere toneelcollega’s die met elkaars veel jongere dochters trouwen – maakten jaren later nog eens de tongen los, zoals blijkt uit het voorwoord bij de uitgave van 1704 van het kluchtspel De wanhébbelijke liefde, waarin de hele geschiedenis uitvoerig wordt gememoreerd. Dat dat juist daar gebeurde, was geen toeval: de plot van het stuk en de levens van beide toneelspelers vertonen enige overeenkomsten. Maar waar de toneelplot om liefde draait, ging het in de werkelijkheid waarschijnlijk om zakelijke belangen, namelijk om via de huwelijken de toneelbezittingen in de familie te houden.

Na de dood van Van Fornenbergh in 1697 kwam het tussen Maria, weduwe Van Fornenbergh, en Johanna van Fornenbergh tot een proces over de ingewikkelde erfenis dat tot voor het Hof van Holland werd uitgevochten. Maria voelde zich tekort gedaan en eiste haar aandeel op in de talrijke nagelaten bezittingen – zowel van vaders als van moeders zijde. De kwestie werd uiteindelijk in der minne geschikt.

Als weduwe Van Fornenbergh beheerde Maria na haar huwelijk met de weduwnaar Damianus Braems (ook: Abrahams) nog enkele jaren de Haagse schouwburg aan de Denneweg, tot deze steeds moeilijker te verhuren bleek. In 1720 liet zij het theater tot woonhuizen verbouwen. Helemaal zeker is het niet, maar waarschijnlijk was zij de Maria Nozeman die in 1729 pro deo in Den Haag begraven werd.

Naslagwerken

Coffeng; NNBW.

Archivalia

Nationaal Archief, Den Haag: Archief Hof van Holland, Geëxtendeerde Sententies d.d. 8-10-1698.

Gespeelde rollen

Bij de genoemde rollen gaat het om De beklaaglijke dwang (1648) van Izaak Vos en Hester (1659) van Johan Serwouters, twee naar het Spaans van Lope de Vega bewerkte treurspelen. Casandra (1617), in de schouwburgrekeningen bekend als ‘Karel en Kassandra’, is een ‘treur- en blij-eindespel’ van Theodore Rodenburg.

Literatuur

  • De wanhébbelijke liefde. Kluchtspél. De twéde druk, overgezien, verbéterd, én van veele misslagen, én drukfeilen gezuivert (Amsterdam 1704).
  • C.N. Wybrands, ‘De Amsterdamsche Schouwburg gedurende het seizoen 1658-59’, Het Nederlandsch Tooneel 2 (1873) 246-322, aldaar 277, 281, 307, 318-319.

  • E.F. Kossmann, ‘Die Familie Noozeman’, in: Idem, Das niederländische Faustspiel des 17. Jahrhunderts (Den Haag 1910) 122-127.
  • E.F. Kossmann, Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van het Nederlandsche tooneel in de 17e en 18e eeuw (’s-Gravenhage 1915).
  • Ben Albach, Langs kermissen en hoven. Ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw (Zutphen 1977).

Auteur: Malou Nozeman

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 364

laatst gewijzigd: 13/01/2014