Marianne van Oranje-Nassau (1810-1883)

 
English | Nederlands

MARIANNE prinses van ORANJE-NASSAU (geb. Berlijn 9-5-1810 – gest. Erbach, Duitsland, 29-5-1883). Dochter van Willem Frederik (1772-1843), de latere koning Willem I, en Wilhelmina van Pruisen (1774-1837). Marianne trouwde op 14-9-1830 met Frederik Hendrik Albert prins van Pruisen (1809-1872). Uit dit huwelijk werden 5 kinderen geboren, van wie er 2 op jonge leeftijd stierven. Het huwelijk eindigde in 1849 in een echtscheiding. Uit haar verhouding met Johannes van Rossum (1809-1873), lakei, werd 1 buitenechtelijke zoon geboren.

Wilhelmina Frederica Louisa Charlotta Marianne was het vierde kind en de jongste dochter van de erfprins van Oranje, de latere koning Willem I, en prinses Wilhelmina, dochter van de Pruisische koning Frederik Willem II. Marianne werd op 9 mei 1810 geboren in het Niederländische Palais Unter den Linden, het Berlijnse stadspaleis van de Oranjes, waar zij op 31 mei gedoopt werd. De Oranjes hadden nauwe banden met hun koninklijke familie in Berlijn en verbleven tijdens hun ballingschap (1795-1813) vaak bij hen. De roepnaam Marianne kwam van een tante van moederskant, Marianne van Hessen-Homburg, fel anti-Frans en stichteres van het Vaterländische Frauenverein van Pruisen. De ‘Pruisische connectie’ heeft Mariannes leven sterk bepaald.

In Berlijn had Marianne een Engelse gouvernante, nurse Bonnick. Toen zij op driejarige leeftijd naar Nederland kwam, werd haar opvoeding door Catharina van Ulft en Jacoba Helena gravin Bentinck voortgezet. Haar jeugdjaren bracht Marianne door op het Loo bij Apeldoorn en in het Oude Hof in Den Haag. Haar vader richtte voor haar een miniboerderij op het Loo in. Veelbelovend leek de verloving op 25 juni 1828 op het Loo met de Zweedse prins Gustaaf Wasa, maar deze verbintenis leidde tot het eerste schandaal van haar leven. Onder politieke druk vanuit Stockholm en St. Petersburg werd de verloving al in november van dat jaar verbroken omdat het Zweedse hof zich verzette: Gustaaf was de zoon van de afgezette koning Gustaaf IV van Zweden. Pijnlijker nog was de felle oppositie van Mariannes broer, de latere koning Willem II, die Gustaaf op eigen titel per brief zijn ongenoegen liet blijken. Dit leidde tot een van de eerste verwijderingen tussen Willem I en zijn zoon. In een brief van 24 juni 1828 schreef Willem I, die evenals de koningin erg ingenomen was met de verloving, aan de kroonprins: ‘Vous pouriez comme nous faire abstraction de la politique et simplement voir dans Gustave, l’individu qui a su plaire à votre sœur, qui est disposé à la rendre heureuse’ (u zou de politiek buiten beschouwing kunnen laten en in Gustave gewoon de persoon zien die uw zuster is bevallen en die bereid is haar gelukkig te maken). Echter, een liefde zonder complicaties zou haar nooit ten deel vallen.

Prinses in Pruisen

Op 14 september 1830 trouwde Marianne in paleis Noordeinde met haar volle neef Albrecht van Pruisen, zoon van Frederik Willem III en de Pruisische koningin Louise. Het was een driedubbele verbinding van de al zeer nauwe familieverwantschap tussen Oranje-Nassau en Hohenzollern, want haar broer prins Frederik trouwde met Louise van Pruisen, de zuster van Albrecht. Voor de jonggehuwden bouwde de beroemde architect Karl Friedrich Schinkel het Albrechtspalais als stadspaleis in de Berlijnse Wilhelmstrasse. De bouw werd voor een belangrijk deel gefinancierd met het geld dat Marianne in het huwelijk inbracht. In dit paleis zou niet veel later ook haar vaders tweede morganatische huwelijk met Henriëtte d’Oultremont gesloten worden.

Als titulair ‘Prinzessin Albrecht von Preussen’ maakte Marianne nu deel uit van de Pruisische koninklijke familie. Op de meeste officiële portretten uit die tijd draagt ze de zwart-witte insignes van de Louise-Orde, de pendant van het IJzeren Kruis, voor de ‘patriottische’ vrouwen van Pruisen. In 1837 stierf haar moeder, die haar het sticht Kamenz geseculariseerd in 1810 in Silezië naliet. Marianne werd de grote inspirator van de bouw van het neogotische slot Kamenz naar wederom een ontwerp van Schinkel.

Van de vijf kinderen uit haar huwelijk met Albrecht stierven er twee op jonge leeftijd. De drie overige kinderen versterkten het Pruisische dynastieke netwerk: Charlotte (1831-1855) trouwde met regerend vorst George II hertog van Saksen Meiningen, Albrecht (1837-1906) met Maria van Saksen-Altenburg, Alexandrine (1842-1906) met de tweede zoon van de regerend vorst van Mecklenburg-Schwerin.

Mariannes refugia

Het huwelijk van Marianne en Albrecht was slecht. Naast buitenechtelijke escapades vertoonde de prins gewelddadig gedrag tegen mannelijk en vrouwelijk personeel. Een Nederlands geheim politierapport (nu in het Koninklijk Huisarchief) spreekt van ‘venerische ziekten’. De problemen vormden de eerste aanzet voor Mariannes reismanie naar Italië. In januari 1845 verliet zij definitief haar man. Haar smeekbedes om een scheiding waarvoor volgens het huwelijkscontract toestemming van beide hoven nodig was werden door haar koninklijke broer en zwager in Den Haag en Berlijn voorlopig niet gehoord. Zij verbleef enige tijd in Voorburg, op haar in 1848 aangekochte buiten Rusthof aan de Vliet. Hier begon zij een buitenechtelijke relatie met lakei Johannes van Rossum. Hij was sinds 1844 in haar dienst en al snel haar secretaris en bibliothecaris. Marianne deelde haar steeds geëxalteerder geloofsbeleving met Van Rossum. Het grote maatschappelijke schandaal van haar openlijk samenleven met een ondergeschikte deed de weerstand aan Pruisische zijde tegen de echtscheiding radicaal omslaan. De Nederlandse gezant mocht een ongekende woedeaanval van de Pruisische koning over Mariannes gedrag meemaken. Ook gooiden Mariannes belerende bijbelcitaten in haar brieven naar Berlijn en Den Haag olie op het vuur. Albrecht zelf was openlijk verliefd op Rosalie von Rauch, dochter van de Pruisische minister van Oorlog, en uiteindelijk werd een morganatisch huwelijk van Albrecht door zijn vader geaccepteerd.

De maatregelen tegen Marianne waren hard: zij werd verbannen uit Pruisen en gescheiden van haar kinderen. Ook Willem II en Anna Paulowna wezen haar openlijk af. Wel bezocht ze haar broer Frederik en Louise de zuster van haar gescheiden man! op Huis de Paauw in Wassenaar. Niettemin waren er geruchten dat prins Frederik de wettige vrouw van Van Rossum een pensioen betaalde om haar van een scheiding te weerhouden. Geheel onderbelicht in de literatuur is dat Mariannes neef Willem (de latere Duitse keizer), vanaf 1858 regent voor Frederik Willem, wel degelijk verzoening met haar nastreefde. Marianne antwoordde hem op 30 december 1859 tamelijk tactloos dat zij geen prijs stelde op zijn aanbod weer tot de Pruisische koninklijke familie gerekend te worden. Zij wilde na alle doorstane vernederingen niet weer onder de familieregels (Hausgesetz) van de Hohenzollerns vallen. Zij was immers als een vreemde behandeld en had nu tien jaar ‘als eine freie Niederländische Frau’ gehandeld.

In 1849, op weg naar het Heilige Land, bracht Marianne in Cefalù (Sicilië) een buitenechtelijke zoon ter wereld: Johannes Willem (1849-1861). Rusteloos werd de reis enkele weken na de geboorte voortgezet naar het Heilige Land terwijl het zoontje achterbleef op Sicilië, aldus ds. Gerhard van Senden, die het paar op hun reis begeleidde en later een reisverslag publiceerde.

Dankzij haar familiekapitaal kon Marianne haar levensstijl voortzetten. Lange tijd verbleef ze met haar partner en zoontje in de Villa Celimontana in Rome, waar ze begon met de aanleg van haar grote kunstcollectie. Ook kocht ze een villa aan het Comomeer, later Villa Carlotta genoemd naar haar dochter Charlotte (1831-1855). Belangrijkste toevluchtsoord voor Marianne werd Erbach, waar zij in 1855 het kasteel Reinhartshausen kocht. Een zijvleugel liet zij verbouwen tot museum voor haar kunstcollectie. Het was geen topcollectie. Later bleken veel van de zeshonderd schilderijen kopieën te zijn. Een gedeelte van de collectie is nog altijd in Reinhartshausen aanwezig. Opvallend is dat Marianne later in Reinhartshausen ook kopieën liet maken van schilderijen van haar Oranje-voorouders, waarmee ze haar zelfbewustbewijn als Oranje-telg benadrukte. Erbach profiteerde van de aanwezigheid van de koningsdochter en ex-Pruisische prinses in ballingschap. Het schiereiland in de Rijn kreeg later de naam Marianneaue. De protestantse kerk daar is door Marianne gesticht. In deze kerk liet ze een grafmonument bouwen voor Johannes Willem, die op twaalfjarige leeftijd stierf aan roodvonk. Haar reputatie als ‘Bauherrin’ vestigde Marianne vooral met het slot in Kamenz in Silezië dat zij met hernieuwde bouwlust in de jaren vanaf 1853 voltooide en dat voor haar zoon Albrecht bestemd was. In het uitstekende eigen beheer van haar vermogen zagen tijdgenoten een echo van het zakeninstinct van haar vader, koning Willem I.

Van Rossum stierf in 1873. In de tien jaren die Marianne restten zonder haar geliefde bleek een gedeeltelijk herstel van de contacten met haar Nederlandse familie weer mogelijk. Prinses Marianne stierf in 1883. Een bericht in de Mittelrheinische Zeitung uit Erbach over haar begrafenis aldaar op 4 juni 1883 wees op de ‘Vermeidung jedes der fürstlichen Geburt entsprechenden Leichengepränges’. Het ontbreken van vorstelijke pracht en praal werd goedgemaakt door overvloedig gebruik van christelijke koren zo passend bij het intense geloofsleven van Marianne buiten de eigenlijke kerkdienst, op weg naar én bij het graf. Marianne mocht niet samen met Van Rossum naast haar zoon in de crypte van de kerk begraven worden. Koningin Wilhelmina heeft even met de gedachte gespeeld haar ‘terug’ te laten brengen naar de Koninklijke grafkelder in Delft.

Reputatie

Het schandaal rond prinses Marianne bleef voor het publiek niet verborgen. De Nederlandse sensatiepers schreef regelmatig over haar buitengewone omstandigheden. De ‘Pruisische connectie’ van het Oranje-huis werd erdoor geschaad. Pas in de twintigste eeuw is er belangstelling ontstaan voor de bijzondere levensloop van prinses Marianne. In de geschiedschrijving kwam het accent steeds sterker te liggen op haar gedrag als vrijgevochten vrouw. Daarbij domineerde een nogal anachronistische kritiek op de standencodex van haar tijd en een romantisering van haar positie als maatschappelijke outcast: ‘Ihre innere Freiheit und Unabhängigkeit waren unzeitgemäss’ (Dopatka, 9), ‘Zij is een intelligente, knappe, zelfbewuste en geëmancipeerde vrouw’ (Van der Leer en De Liefde-van Brakel, 186). Ook kwam er steeds meer aandacht voor haar rol als kunstenaarsmecenas en lokale weldoenster, zoals de oprichting van het Haagse Fonds tot Weldadigheid ter Ondersteuning van de Armen (1829). Regionale en lokale waardering van tijdgenoten klinkt ook door in de nieuwste Marianne-literatuur. In Voorburg, waar zij zich inzette voor de armenzorg, de bouw van de pastorie en het gemeentehuis financieerde en een orgel schonk aan de Hervormde Kerk, ontstond nog tijdens haar leven een lokale verering. In het huidige Stadsmuseum Leidschendam-Voorburg is veel aandacht voor haar Voorburgse tijd. In 1998 werd een tentoonstelling aan haar gewijd: Een koningsdochter op een dorp. Prinses Marianne in Voorburg. In de Herenstraat staat een standbeeld van Marianne door C. Gobius.

Haar kunstcollectie in Erbach kan niet uitzonderlijk worden genoemd. Haar opmerkelijkste culturele prestatie was de bouw van slot Kamenz in Silezië (het huidige Kamienic in Polen), waarvoor ze samenwerkte met Schinkel en andere architecten. In 1945 werd Kamenz geplunderd door het Russische leger en in 1946 werd het in brand gestoken. De door Marianne gestichte protestantse kerk van Kamenz bleef tot 1945 als kerk in gebruik. De laatste decennia is in Polen begonnen met een eerste restauratie van het levenswerk van Marianne.

Naslagwerken

Van Ditzhuyzen; Oranje van A tot Z.

Archivalia

Koninklijk Huisarchief, Den Haag: inv. nr A39.

Literatuur

  • G.H. van Senden, Het Heilige Land, of Mededeelingen uit een reis naar het Oosten, gedaan in de jaren 1849 en 1850 in gezelschap van hare koninklijke hoogheit de princes Marianne der Nederlanden, 2 delen (Gorinchem 1851-1852).
  • Rede zur Gedächtniss weiland Ihrer Königlichen Hoheit der Frau Prinzessin Marianne der Niederlande gehalten in der Schlosskirche zu Camenz in Schlesien zur Stunde der Beisetzung am 4. Juni 1883 (Berlijn 1883).
  • J.H. Lintz, ‘Prinses Marianne der Nederlanden, eereburgeres van ’s Gravenhage’, Jaarboek Die Haghe (1899) 275-283.
  • K.E.W. Strootman, ‘Het verblijf van prinses Marianne te Rome en hare kunstschatten’, Mededeelingen van het Nederlandsch Historisch Instituut te Rome (1934) 133-167.
  • Arie van der Lugt, Prinses Marianne. Het buitenbeentje van ons koningshuis (Amsterdam 1977).
  • C.H. Voorhoeve, Prinses Marianne der Nederlanden. Het avontuurlijke en veelbewogen leven van een Oranje-prinses 1810-1883 (Zaltbommel 1986).
  • Krzystof R. Mazurski, ‘Prinses Marianne in Silezië en het land van Kłodzo’, Jaarboek Oranje-Nassau Museum (2001) 93-127.
  • Annette Dopatka, Marianne von Preussen. Prinzessin der Niederlande. Leben und Werken einer selbstbewussten Frau, für die Schloss Reinhartshausen im Rheingau zum Lebensmittelpunkt wurde (Frankfurt am Main 2003).
  • Arnout van Cruyningen, Prinses Marianne. De biografie van een vrijgevochten Oranjeprinses (Kampen 2010).
  • Kees van der Leer en Tiny de Liefde-Van Brakel, Een leven van liefde en kunst. Prinses Marianne 1810-1883 (Zwolle 2010).

Illustratie

  • Portret door J.B. van der Hulst, 1830 (coll. Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau). Uit: Van der Leer en De Liefde-van Brakel, Een leven van liefde en kunst, 130.
  • Portret door K.W. Wach, 1832 (coll. Amsterdams Historisch Museum). Uit: Van der Leer en De Liefde-van Brakel, Een leven van liefde en kunst, 143.

Auteur: Frans Willem Lantink

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 688

laatst gewijzigd: 16/07/2016