Collot, Marie-Anne (1748-1821)

COLLOT, Marie-Anne (geb. Parijs 1748 – gest. Nancy 23-2-1821), beeldhouwster. Ouders zijn onbekend. Zij trouwde op 29-7-1777 in Sint-Petersburg met Pierre-Etienne Falconet (1741-1791). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Over de ouders van Marie-Anne, die opgroeide in Parijs, is niets bekend. Toen zij nog minderjarig was stierf haar moeder en trok haar vader weg. Uit geldnood ging Marie-Anne werken als model – een weinig respectabel beroep – bij de beeldhouwer Jean-Baptiste Lemoyne (1704-1778) en daarna, vanaf 1763, bij Etienne-Maurice Falconet (1716-1791). Al snel waagde Marie-Anne zelf zich aan de beeldhouwkunst. Ze werkte aanvankelijk vooral in terracotta en op klein formaat, later zou ze ook grote bustes in marmer en brons realiseren. In 1765-1766 maakte ze borstbeelden van enkele vrienden en kennissen van Falconet, zoals van de Russische prins Dimitri Gallitzin (Golitsyn) (1738-1803) en de schrijver Denis Diderot (1713-1784). Die laatste werd een groot bewonderaar van Collot, en zijn dagboeken en brieven zijn een belangrijke bron voor de kennis van haar leven en werk.

In 1766 ging de achttienjarige Marie-Anne Collot als assistente met Falconet naar Sint-Petersburg, die door Catharina II van Rusland was gevraagd het ruiterstandbeeld van Peter de Grote te maken. Begin 1767 werd zij – als eerste vrouw in Rusland – ‘académicien(ne)’ aan de Keizerlijke Academie voor Schone Kunsten van Sint-Petersburg. Collot werkte onder andere voor Catharina II, die haar zo’n 25 opdrachten gaf, onder meer voor portretten van zichzelf (bustes en reliëfs) en andere leden van de keizerlijke familie. Het portret van Catharina II dat Collot in 1769 naar het leven boetseerde, werd geprezen om zijn levensechtheid. De keizerin beloonde haar met een gouden snuifdoos en vijfhonderd roebel. Vanaf 1768 ontving ze van de keizerin een jaarlijks salaris van duizend roebel.

In Sint-Petersburg werkte Collot ook mee aan het standbeeld van Peter de Grote en maakte ze het kleine model waarvan vele bronzen afgietsels werden verspreid. Uiteindelijk ontwierp zij het hoofd van Peter de Grote, nadat de keizerin Falconets ontwerpen tot drie maal toe had afgewezen. Diderot schreef aan Falconet dat men het in Parijs bizar vond dat hij een van de interessantste delen van het monument overliet aan zijn leerlinge, maar, zo besloot hij: ‘Mlle Collot sait mieux faire le portrait que vous. Pourquoi non?’ (Juffrouw Collot is beter dan u in het portretteren. Waarom ook niet?).

Eind juli 1777 trouwde Marie-Anne Collot in Sint-Petersburg met de zoon van haar leraar, de schilder Pierre-Etienne Falconet (1741-1791). Op 24 april 1778 werd een dochter geboren: Marie-Lucie (Machinka) (1778-1866). Twee à drie maanden later keerde haar echtgenoot terug naar Frankrijk. Marie-Anne vertrok begin november met haar dochtertje en schoonvader uit Sint-Petersburg. Door Catharina II kreeg zij een levenslang jaargeld van 10.000 livres toegekend. Via Berlijn en Den Haag, waar haar schoonvader achterbleef voor de uitgave van zijn geschriften, arriveerde ze op 20 november 1778 in Parijs. Vanwege de zorg voor haar dochtertje en haar spaak lopende huwelijk was zij daar nauwelijks productief. Op 14 juli 1779 diende Marie-Anne in Parijs een klacht in tegen Pierre-Etienne wegens grof en gewelddadig gedrag jegens haar, zijn weigering om haar zijn huis binnen te laten en zijn dreigementen om haar leven en haar sculpturen te vernielen. Hun scheiding was een feit.

Verblijf in Nederland

In juli 1779 reisde Marie-Anne Collot naar haar schoonvader in Den Haag, die daar verbleef bij prins Gallitzin, de Russische ambassadeur. Het was wellicht dankzij Gallitzins bemiddeling dat Collot in 1779 de opdracht kreeg van stadhouder Willem V (1748-1806) om de officiële borstbeelden te maken van hemzelf en zijn vrouw, prinses Frederika Sophia Wilhelmina van Pruisen (1751-1820). De gipsen modellen kwamen tot stand in Den Haag, maar de uitvoering in wit marmer geschiedde in Parijs in 1782. In mei van dat jaar stuurde Collot vanuit Parijs een kwitantie voor de ontvangen 1500 florijnen, ‘prix convenu du buste en marbre de sa ditte Altesse’ (de afgesproken prijs voor de marmeren buste van voornoemde Hoogheid).

Rond prins Gallitzin had zich een selecte kring van intellectuelen, kunstkenners en kunstverzamelaars geschaard, onder wie de filosoof Frans Hemsterhuis (1721-1790), auteur van een Lettre sur la sculpture (1765). Hij maakte meermaals melding van Falconet en Collot en volgde zelfs praktijklessen bij hetzij Collot hetzij haar schoonvader. Dat laatste deed ook Petrus Camper (1722-1789), de grootvader van Frederica Camper, een internationaal vermaard medicus en hoogleraar theoretische geneeskunde in Groningen. Collot maakte rond 1780 een borstbeeld van Camper als blijk van dank dat hij haar dochtertje door inenting gered had van de pokken. Op 11 juli 1781 dankte Camper haar: ‘Votre main a éternisé les traits de mon visage et votre coeur en a fourni l’idée. […] Quel bonheur de posséder à la fois et tant de sentiment et tant de talents’ (Uw hand heeft de trekken van mijn gezicht vereeuwigd en uw hart heeft het bezield. Wat een geluk om tegelijk zoveel gevoel en zoveel talent te hebben). Ondanks haar echtscheiding signeerde ze de buste met ‘maria anna falconet nata collot’, waarschijnlijk omdat de naam ‘Falconet’ goed verkocht.

In november 1780 waren Collot en Falconet sr. terug in Frankrijk, waar zij enkele bustes voltooide. Toen in 1783 haar schoonvader verlamd raakte, betekende dat het einde van haar beeldhouwerscarrière. Collot verzorgde hem tot zijn dood in 1791, het jaar waarin ook Falconet jr. stierf. Ze nam haar métier niet weer op. Vanwege de politieke situatie verliet ze Parijs en ging met haar dochter en schoonzoon, baron Antoine-Stanislas de Jankowitz, op een kasteel in Marimont (Lotharingen) wonen. Op 73-jarige leeftijd stierf Marie-Anne Collot in Nancy; ze werd begraven op het familielandgoed in Marimont.

Nederlands werk

De borstbeelden van Willem V en zijn vrouw werden al in 1785 als bezienswaardig opgenomen in de Guide ou nouvelle description de La Haye et de ses environs onder ‘La Salle d’Orange’ (Oranjezaal). In 1808 kwamen ze terecht in het Koninklijk Museum in Den Haag en sinds 1816 prijken ze in het Mauritshuis. In 1914 beschreef Magda Trott ze in een Duits vrouwentijdschrift als ‘die trefflichen Marmorbüsten’ (voortreffelijke marmeren bustes).

Het bronzen borstbeeld van Camper kwam in 1820 via schenking in het bezit van de Rijksuniversiteit Groningen. Aanvankelijk opgesteld in het Natuurhistorisch Museum, staat het momenteel in de Senaatskamer van het Academiegebouw. Een marmeren kopie kwam als gedenkteken terecht in Leiden (Pieterskerk) en gipsen exemplaren bevinden zich in het Groningse Anatomisch Laboratorium, het Musée des Beaux-Arts in Nancy en het Kasteelmuseum in Blois. Het gipsen exemplaar in de portrettencollectie van de Universiteit van Amsterdam, tot 1864 opgesteld in de Agnietenkapel, is verloren gegaan.

In 1947 opperde Van Seters de mogelijkheid dat de terracotta buste van de Haagse advocaat en entomoloog Pieter Lyonet (1706-1789), sinds 1825 in het Mauritshuis, ook een werk van Collot is. Hoewel Van Seters’ argumenten erg plausibel zijn, blijft zijn toeschrijving onzeker; het Mauritshuis houdt het dan ook bij een ‘anoniem Frans sculpteur uit de periode 1750-1800’.

Naslagwerken

Emile Bellier de la Chavignerie en Louis Avray, Dictionnaire des artistes (1882); Bénézit; DWA; Stanislas Lami, Dictionnaire des sculpteurs de l’école française au 18. siècle, 1 (Parijs 1910) 335-338; Petteys; Thieme (onder Falconet); Jane Turner, The dictionary of art, 7 (New York 1996).

Archivalia

  • Koninklijk Huisarchief, Den Haag: Inv. nr. A31-385, nr. 51, kwitantie voor de marmeren buste van Willem V vanwege Collot, 22-5-1782; Inv. nr. A31-376, nr. 51, inschrijving van betaling van f 1538,7 voor ‘een gemaekt Marmer Borstbeelt van Zijne Hoogheit’ waarvan f 38,7 onkosten.
  • Nationaal Archief, Den Haag: Archief G.K. van Hogendorp, toegangsnr. 2.21.006.49, inv. nr. 17 (Brieven aan mevrouw Van Hogendorp-van Haren van personen wier achternaam begint met A-J, 1773-1812), brief van Frederik Willem Boers aan Carolina Wilhelmina van Hogendorp-van Haren, Parijs, 29-4-1782.
  • Rijksuniversiteit Groningen: Archief van Curatoren, nr. 320, Verslag van prof. dr. Theodorus van Swinderen aan de Curatoren, 29-8-1820; Notulen der Curatoren, 21-5-1910, 13-5-1911.
  • Archives Municipales, Nancy: 2E 394/226, fol. 24r, overlijdensakte Marie-Anne Collot.

Werk

Voor een lijst met titels en bewaarplaatsen van Collots beeldhouwwerken, zie bijv. Pomeroy en Blakesley (2003) 77-85, 198-211.

Collot’s sculpturen bevinden zich voornamelijk in openbare en privécollecties in Frankrijk, Rusland en Nederland; voor Nederland zie het lemma. Zie ook de links:

Literatuur

  • Guide ou nouvelle description de La Haye et de ses environs (Den Haag 1785) 318.
  • Charles Cournault, ‘Etienne-Maurice Falconet et Marie-Anne Collot’, Gazette des Beaux-Arts 2 (1869) 117-144.
  • Louis Dussieux, Les artistes français à l’étranger (Parijs 1876; 3de druk) 105, 400, 403, 552.
  • M[agda] Trott, ‘Die Frau als Bildhauerin’, Die Frau der Gegenwart. Deutsche Zeitschrift für moderne Frauenbestrebungen 8, NF 3, nr. 12 (15-3-1914) 101-102.
  • J.A.G. Verspeyck Mynssen, ‘De marmeren bustes van Falconet in het Mauritshuis’, Oude Kunst 3 (dec. 1918) 78-79.
  • Louis Réau, ‘Une femme sculpteur française au XXVIIIe siècle, Marie-Anne Collot (1748–1821)’, Bulletin de la Société de l’Histoire de l’Art Français 2 (1924) 219–229.
  • W.H. van Seters, ‘De maker van het borstbeeld van Mr Pieter Lyonet in het Mauritshuis’, Oud-Holland 62 (1947) 156-164.
  • A. Staring, Fransche kunstenaars en hun Hollandsche modellen in de 18e en in den aanvang der 19e eeuw (Den Haag 1947) 90-92.
  • I.Q. van Regteren Altena en P.J.J. van Thiel, De portret-galerij van de Universiteit van Amsterdam (Amsterdam 1964) 256.
  • R.E.O. Ekkart en J. Schuller tot Peursum-Meijer, Groninger academieportretten. Catalogus van de portretten in het Academiegebouw en de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Groningen (Groningen 1978) nr. 32.
  • Marie-Louise Becker, ‘Marie-Anne Collot. L’art de la terre cuite au féminin’, l’Objet d’Art nr. 325 (juni 1998) 72-82.
  • Jordana Pomeroy en Rosalind P. Blakesley red., An imperial collection. Women artists from the State Hermitage Museum. Tentoonstellingscatalogus National Museum for Women in the Arts, Washington DC, en Frye Art Museum, Seattle (Londen 2003) 77-85, 198-211.
  • Quentin Buvelot red., Royal Picture Gallery Mauritshuis. A summary catalogue (Den Haag/Zwolle 2004) 388-389, nrs. 374, 379-380.
  • Frits Scholten, De dreigende liefde: een beeld van Falconet (Zwolle 2005) 26-27, afb. 28-30.
  • Christiane Dellac, Marie-Anne Collot. Une sculptrice française à la cour de Catherine II (Parijs 2005).
  • Catherine the Great: art for empire. Masterpieces from the State Hermitage Museum Saint Petersburg. Tentoonstellingscatalogus Art Gallery of Ontario, Ontario, en The Montreal Museum of Fine Arts, Montreal (Gent 2006) 43-47, 157-158, 174-175.

Illustraties

  • Portret, olie op doek, door Pierre-Etienne Falconet, 1773 (Musée des Beaux-Arts, Nancy).

  • Bronzen buste van Petrus Camper, door Marie-Anne Collot, 1779-1781 (Universiteit van Groningen, Senaatskamer) (foto: Universiteitsmuseum Groningen).

Auteur: Marjan Sterckx.

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 549

laatst gewijzigd: 13/01/2014